INTRODUCTIE
1. Opbouw cursus
▪ Micro-economie = analyse van bepaalde markten en activiteiten
▪ Macro-economie = analyse van gehele economie
▪ Internationale economie = analyse van interacties tussen landen
2. Grondleggers
▪ Smith
→ Grondlegger economische wetenschappen
▪ Keynes
→ Grondlegger macro-economie
WAT IS ECONOMIE
Economie bestudeert hoe maatschappij schaarse middelen aanwendt en verdeelt voor de productie van
goederen en diensten.
▪ Productiemiddelen tekort voor eindeloze< behoeften
1) Arbeid
2) Kapitaal
3) Natuurlijke hulpbronnen
4) Ondernemerschap
▪ Productiemiddelen zo efficiënt mogelijk inzetten
(zo weinig mogelijk productiemiddelen gebruiken)
Conclusie: altijd moeten kiezen tussen alternatieven
DE ECONOMISCHE LOGICA
1. Denken als een economist
→ 4 typerende elementen
1) Belang van keuzes en afwegingen (= trade-offs)
→ Afwegingen van ene goed t.o.v. andere goed
2) Gevolg van keuzes: opportuniteitskost
→ Waarde alternatief t.o.v. keuze
3) Besluitvorming a.d.h.v. marginale veranderingen
→ Marginale kost: “wat kost dat mij extra”
→ Marginale baat: “wat krijg ik ervoor”
→ Keuze: beste kost-baat verhouding
4) Eigenbelang t.o.v. algemeen belang
Adam Smith “onzichtbare hand”
→ Eigenbelang is goed voor maatschappelijk belang (onbedoeld, positief effect)
→ Assumptie: markten zijn efficiënt…
2. Valkuilen
→ 4 fouten die economen vaak maken
1) “Post hoc ergo propter hoc” ~ drogreden
→ Foutieve redenering (lijkt juist op eerste zicht)
,2) Verwarring tussen correlatie met causaliteit
→ Correlatie: een verband
→ Causaliteit: oorzaak-gevolg verband
→ Vb. ijsje eten & verbranden
3) Onterechte veralgemening
→ “Wat werkt voor één, werkt niet voor allen”
→ Vb. Spaarparadox
4) Ceteris paribus vergeten
→ Ceteris paribus = alle andere variabelen constant houden
→ Vb. hamburgers en kip
ECONOMIE ALS SOCIALE WETENSCHAP
1. Onderscheid micro- en macro-economie
▪ Micro-economie: gedrag van individu’s (detailanalyse)
▪ Macro-economie: gedrag van geheel (totaalplaatje)
2. Onderscheid positieve en normatieve uitspraken
▪ Positieve uitspraken
→ Beschrijvend (feiten)
→ “Hoe de economie is “
▪ Normatieve uitspraken
→ Voorschrijvend (aanbevelingen)
→ “Hoe de economie zou moeten zijn”
3. Gebruik van economische modellen
▪ Vereenvoudigde voorstellingen
▪ Gebruik van grafieken, tabellen…
DE DRIE ECONOMISCHE VRAAGSTUKKEN
▪ Welke goederen gaan we produceren?
▪ Hoe gaan we ze produceren?
▪ Voor wie gaan we ze produceren?
Het antwoord op bovenstaande vragen is afhankelijk van het economisch systeem.
1) Centraal geleide economie
→ Inmenging van de overheid
→ Bv. Sovjetunie
2) Gemengde economie
→ Deelse inmenging van de overheid (belastingen)
→ Bv. West-Europa
3) Markteconomie
→ Geen inmenging van overheid
→ Bv. Amerika
, DE PRODUCTIEMOGELIJKHEDEN
1. Inputs en outputs
▪ Inputs (=productiemiddelen)
1) Arbeid: lonen
2) Kapitaal: dividend
3) Natuurlijke hulpbronnen: huur
4) Ondernemerschap: winst
▪ Output
→ Voor consumptie
→ Voor verdere productie
2. Productiemogelijkhedengrens: grafiek
▪ PPF = production possibilities frontier
→ Maximale productie met beschikbare productiemiddelen
→ A-F: pareto efficiëntie (hogere productie goed 1 enkel mogelijk ten koste van goed 2)
→ I : inefficiënt (werkloosheid…)
→ U : onbereikbaar (bereikbaar door economische groei)
DE MARKT: VRAAG EN AANBOD
INTRODUCTIE
▪ Soorten markten
→ Fysieke markten
→ Virtuele markten
▪ Twee zijden
→ Aanbod: verkopers
→ Vraag: kopers
DE VRAAGCURVE
De vraagcurve geeft de prijs die vragers bereid zijn te betalen.