Hoofddoelen:
1. De student kan het verschil beschrijven tussen een veelvlak en een niet-veelvlak
Een veelvlak is uitsluitend begrensd door veelhoeken en een niet-veelvlak is begrensd door
minstens 1 gebogen oppervlak.
2. De student kan de verschillende benamingen bij een kubus, balk, prisma, cilinder, kegel,
piramide en bol onderscheiden en verwoorden
Kubus: is een zesvlak uitsluitend begrensd door vierkanten
Balk: is een zesvlak uitsluitend begrensd door rechthoeken
Prisma: is een veelvlak met ten minste 2 evenwijdige zijvlakken waarvan de opstaande
ribben onderling evenwijdig zijn.
Piramide: is een veelvlak waarvan één zijvlak een willekeurige veelhoek is en alle andere
zijvlakken dierhoeken met één gemeenschappelijk punt zijn.
Cilinder: is een ruimtefiguur die begrensd wordt door twee cirkels en een gebogen oppervlak
Kegel: is een ruimtefiguur die ontstaat als je een rechthoekige driehoek laat wentelen om
één van zijn rechthoekszijden of een gelijkbenige driehoek laat wentelen om zijn
symmetrieas
Bol: ontstaat door wenteling van een halve cirkel om de middellijn of om door omwenteling
van een cirkel om de middellijn.
3. De student kan de verschillende eigenschappen van een kubus, balk, prisma, cilinder, kegel,
piramide en bol onderscheiden en verwoorden
Kubus:
- Alle zijvlakken zijn congruent
- Overstaande zijvlakken zijn evenwijdig
- 3 groepen van 4 ribben zijn onderling evenwijdig
Balk:
- De overstaande zijvlakken zijn congruent en evenwijdig
- 3 groepen van de 4 ribben zijn onderling evenwijdig en even lang
Prisma:
- Het aantal opstaande zijvlakken is gelijk aan het aantal zijden van het grondvlak
- Grond- en bovenvlak zijn congruente hoeken
- Alle opstaande zijvlakken zijn parallellogrammen, dus alle opstaande ribben zijn even
lang
Piramide:
- Het aantal opstaande zijvlakken is gelijk aan het aantal zijden van het grondvlak
- Het aantal hoekpunten van een piramide is altijd gelijk aan het aantal zijvlakken
Cilinder:
- Het grond- en bovenvlak van een cilinder zijn congruent en evenwijdig
Kegel:
- /
Bol:
- /
4. De student kan de ontwikkeling van een kubus, balk en cilinder herkennen en tekenen
1. De student kan het verschil beschrijven tussen een veelvlak en een niet-veelvlak
Een veelvlak is uitsluitend begrensd door veelhoeken en een niet-veelvlak is begrensd door
minstens 1 gebogen oppervlak.
2. De student kan de verschillende benamingen bij een kubus, balk, prisma, cilinder, kegel,
piramide en bol onderscheiden en verwoorden
Kubus: is een zesvlak uitsluitend begrensd door vierkanten
Balk: is een zesvlak uitsluitend begrensd door rechthoeken
Prisma: is een veelvlak met ten minste 2 evenwijdige zijvlakken waarvan de opstaande
ribben onderling evenwijdig zijn.
Piramide: is een veelvlak waarvan één zijvlak een willekeurige veelhoek is en alle andere
zijvlakken dierhoeken met één gemeenschappelijk punt zijn.
Cilinder: is een ruimtefiguur die begrensd wordt door twee cirkels en een gebogen oppervlak
Kegel: is een ruimtefiguur die ontstaat als je een rechthoekige driehoek laat wentelen om
één van zijn rechthoekszijden of een gelijkbenige driehoek laat wentelen om zijn
symmetrieas
Bol: ontstaat door wenteling van een halve cirkel om de middellijn of om door omwenteling
van een cirkel om de middellijn.
3. De student kan de verschillende eigenschappen van een kubus, balk, prisma, cilinder, kegel,
piramide en bol onderscheiden en verwoorden
Kubus:
- Alle zijvlakken zijn congruent
- Overstaande zijvlakken zijn evenwijdig
- 3 groepen van 4 ribben zijn onderling evenwijdig
Balk:
- De overstaande zijvlakken zijn congruent en evenwijdig
- 3 groepen van de 4 ribben zijn onderling evenwijdig en even lang
Prisma:
- Het aantal opstaande zijvlakken is gelijk aan het aantal zijden van het grondvlak
- Grond- en bovenvlak zijn congruente hoeken
- Alle opstaande zijvlakken zijn parallellogrammen, dus alle opstaande ribben zijn even
lang
Piramide:
- Het aantal opstaande zijvlakken is gelijk aan het aantal zijden van het grondvlak
- Het aantal hoekpunten van een piramide is altijd gelijk aan het aantal zijvlakken
Cilinder:
- Het grond- en bovenvlak van een cilinder zijn congruent en evenwijdig
Kegel:
- /
Bol:
- /
4. De student kan de ontwikkeling van een kubus, balk en cilinder herkennen en tekenen