TOEDIENING VAN MEDICATIE
1. Toedieningswijze
BEPAALDE WERKSNELHEID
• Niet alle GM → via aders, onderhuids vetweefsel en enkel oraal (mond)
• GM 1 manier toedienen anders onwerkzaam of toxisch
• GM afgebroken in sommige organen (insuline in maag)
• GM verschillende vormen beschikbaar zijn (brakenede persoon → suppo)
WERKZAAMHEID (lokale ⬄ systematische & enteraal ⬄parenteraal)
• Lokale
o Direct plaats waar moet zijn
o Farmacon moet vrijkomen
VB: (Wesp gestoken, insectenbeten zalf lokaal aanbrengen – lokaal
werken)
• Systematische
o Medicatie toedienen (mond), niet direct in
werking voor hoofdpijn
o Waar pijn hebt daar werken
• Enterale toediening – toediening van GM via gastro-
intestinaal stelsel (maag/darm stelsel)
o GM in mond → slokdarm → maag → dunne
darm → bloedvaten
• Parenterale toediening – toediening van GM via andere weg dan het gastro-
intestinaal stelsel
1) Resorptie vanuit maag en darm
E o Oraal → 80% (tabletten, poeders, siropen, dranken)
o Passieve diffusie: door darmwang
N o GM beschermen tegen afbraak in maag (glanzend laagje, EC)
T o Fysiologische factoren
▪ Maaglediging
R ▪ Darmmobiliteit
▪ Toestand van de patiënt
A ▪ Gelijktijdige opname voedingsstoffen
A Pompelmoessap:
Alcohol
L Drop
1
, o Verblijfsduur in maag van belang voor snelheid resorptie
o GM worden voornamelijk in dunne darm geresorbeerd
E 2) Sublinguale toediening
o Korte verblijfsduur
N o GM lost op in speeksel, legt men onder tong
o Gaat doorheen mondslijmvlies in algemene circulatie
T o GM goed moet goed oplosbaar zijn
R 3) Rectale toediening
A o Voorbeeld: suppo/ clysma
o Voor lokale/ systematische aandoeningen
A o Via rectum → rectum opgelost → doorheen darmwand →
bloedvaten (snel verloop)
L NADEEL VIA RECTUM
o Kleinere resorptie-oppervlak
o Slecht voorspelbare biologische beschikbaarheid
o Moeilijk bij verstoord gastro-intestinaal stelsel
4) Intraveneuze toediening
o Geen resorptie, GM rechtstreeks in venen en bloedbaan
o Gebruikt voor snelle toediening, snel effect
o Toedieningssnelheid kan aangepast worden
P NADEEL
o Risico op complicaties
A
5) Intramusculaire toediening
R o Bijvoorbeeld vaccinaties
o Resorptie afhankelijk van
E ▪ Doorbloeding spierweefsel
▪ Volume spier
N ▪ Viscositeit (stroperigheid) farmacon
▪ pH farmacon
T ▪ Buffercapaciteit van farmacon
o Verhoogde doorbloeding → resorptie toe
R o Waterige oplossing → 10 à 30 min geresorbeerd
o Onoplosbare stoffen en olieachtige oplossing → depot spierweefsel
A → trage resorptie → depot-preparaten
A
L
2