Strafprocesrecht..................................................................................................... 2
College 1................................................................................................................ 2
Het legaliteitsbeginsel......................................................................................... 2
Interpretatiemethoden........................................................................................ 2
Rechtsmacht....................................................................................................... 3
College 1 vragen.............................................................................................. 4
College 2................................................................................................................ 7
De structuur van een strafbepaling.....................................................................7
Strafuitsluitingsgronden:..................................................................................... 9
College 3.............................................................................................................. 12
Subjectieve bestanddelen, opzet en schuld (culpa)..........................................12
College 4.............................................................................................................. 18
Strafuitsluitingsgronden.................................................................................... 18
College 5.............................................................................................................. 27
Beraadslaging en uitspraak............................................................................... 27
College 6.............................................................................................................. 31
Sancties, inclusief voeging ad informandum.....................................................31
1
,Strafprocesrecht
College 1
Het legaliteitsbeginsel
- Art. 1 Sr
- Lid 1: Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane
wettelijke strafbepaling.
o Strafbaarheid moet zijn gebaseerd op strafbepalingen; lex scripta-
beginsel
Dus ook apv
- Lid 2: Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit
begaan is, worden de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast.
o Verbod van terugwerkende kracht van strafbepalingen
- Verbod op analogie
o Je mag de wet niet te ver oprekken, zodat opeens alles er onder valt.
- De wetgever mag geen onduidelijke bepalingen maken; lex certa-beginsel
o Dan weet je als burger niet waar je aan toe bent, wat je niet mag
Arrest: Onbehoorlijk gedrag, NJ 1985, 769.
o In het reglement van een station stond dat je geen ‘onbehoorlijk
gedrag’ mocht vertonen. Dit vond de verdachte veel te vaag, maar
omdat het op een specifieke plek in het reglement stond vond de
Hoge Raad dit niet vaag.
Interpretatiemethoden
- Grammaticale interpretatie
o De betekenis van de woorden
- Wetshistorische interpretatie
o In de wetsgeschiedenis
Memorie van Toelichting
- Rechtshistorische interpretatie
o De ontwikkeling door de jaren heen
- Teleologische interpretatie
o Je kijkt naar het doel van de wet
Voorkomen van diefstal bijvoorbeeld
Dan ook in de virtuele wereld
- Systematische interpretatie
o Je kijkt naar het systeem van de wet
De plaats van de wet
Volgorde
Structuur
o Bijvoorbeeld het woord goed in privaatrecht en strafrecht, dit bekijk
je anders
2
,Rechtsmacht
- Art. 2-8 Strafrecht
- Hoofdregel 2 Sr: Het territorialiteitsbeginsel:
Welk land heeft de bevoegdheid om te vervolgen
o Als je in Nederland bent en een strafbaar feit pleegt, kun je door een
Nederlandse strafrechter worden vervolgd.
Andere landen hebben evt. ook bevoegdheid om te vervolgen.
o Geldt voor iedereen
o Ten aanzien van elk strafbaar feit
o Op Nederlands territoir.
Artikel 2 krijgt een ruimer bereik door 2 arresten:
Azewijnse Paard, NJ 1915, 427
o In Nederland stond een paard, in Duitsland stond een man, precies
daartussen liep de grens, de man trok met een touw het paard de
grens over richting Duitsland.
Vraag: Heeft Nederland rechtsmacht?
De leer van het instrument (het touw): ook Nederland
had rechtsmacht over deze man, omdat het instrument
zijn werking had in Nederland.
o Duitsland had ook rechtsmacht.
Singapore, NJ 1954, 368
Artikel 3 Sr, het vlagbeginsel: uitbreiding van artikel 2 Sr
- De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten
Nederland aan boord van een Nederlands vaartuig of
luchtvaartuig aan enig strafbaar feit schuldig maakt.
o Ten aanzien van elk strafbaar feit
o Buiten Nederlands territoir
o Aan boord van een Nederlands vliegtuig of vaartuig
Artikel 4 Sr, het beschermingsbeginsel (eerste deel)
Bescherming van ons land (Nederland)
- De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich
buiten Nederland schuldig maakt
o Gepleegd door een ieder
o Buiten Nederlands territoir
o Een van de delicten genoemd in 4 Sr, (o.a.) sub 1 t/m 5, 15 en 16
Bijvoorbeeld:
Art. 92, misdrijven tegen de veiligheid van de staat, een
aanslag op de koning
aan enig misdrijf ten opzichte van muntspeciën, munt- of
bankbiljetten, van rijkswege uitgegeven zegels of rijksmerken
(sub 3)
3
, Artikel 4 Sr, het universaliteitsbeginsel (tweede deel)
ter bescherming van universele belangen
- Gepleegd door een ander
- Buiten Nederlands territoir
- Een van de delicten genoemd in 4 Sr, sub 7, 8, 13 en 14
o Bijvoorbeeld:
o aan het misdrijf omschreven in artikel 421 en het feit is gericht
tegen een Nederlander, dan wel de verdachte zich in Nederland
bevindt (sub 14)
Artikel 5 Sr, het actief nationaliteitsbeginsel
- Nederlanders buiten Nederland
- Óf beperkt door het vereiste van dubbele strafbaarheid, 5 lid 1 sub 2 Sr
o aan een feit hetwelk door de Nederlandse strafwet als misdrijf
wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het
begaan is, straf is gesteld.
- Óf onbeperkt, strafbaarheid in het land van plegen is niet vereist, 5 lid 1,
sub 1, 3 en 4
o Bigamie
Meerdere vrouwen trouwen
o Als het niet strafbaar is in het land van plegen, kun je daar toch voor
worden vervolgd in Nederland, ook al mag het daar wel
Artikel 5a Sr, het actief domiciliebeginsel
In Nederland wonende/verblijvende vreemdeling
- Vreemdeling met vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
o Dus niet Nederlanders
- Zie delicten genoemd in 5a Sr
4