Financieel Management 4 OT1
Welk van de onderstaande beweringen is ONJUIST?
A. Door een privéopname uit de kas door de eigenaar wordt de winst lager.
B. De aflossing op een lening vormt geen kostenpost.
C. Het eigen vermogen is het verschil tussen de waarde van de activa en het vreemde
vermogen.
D. Bij een faillissement komen eerst de vreemd vermogensverschaffers voor te betaling in
aanmerking en dan pas de eigen vermogensverschaffers.
Welke van de onderstaande posten vinden we zowel op de exploitatierekening als op het
liquiditeitsoverzicht? (H2)
A. Afschrijvingen.
B. Aflossingen.
C. Te betalen huren.
D. Te betalen B.T.W.
Welk van de volgende posten vinden we nooit terug op een investeringsbegroting? (H2)
A. Te vorderen B.T.W.
B. Aanloopkosten.
C. Kasgeld.
D. Borgstelling.
Als we de toename van de totale kosten verdelen over de extra geproduceerde producten krijgen we
de … (H4)
A. Directe kosten.
B. Indirecte kosten.
C. Differentiële kosten.
D. Indifferente kosten.
Welke kostensoort is NIET VERBONDEN aan duurzame activa? (H4)
A. Rentekosten.
B. Afschrijvingskosten.
C. Comparatieve kosten.
D. Complementaire kosten.
Welke methode is geschikt voor de productie van één soort product dat verschilt in lengte, gewicht
of inhoud? (H8)
A. De kostenplaatsenmethode.
B. De equivalentiecijfermethode.
C. De activity based costing methode.
D. De verfijnde opslagmethode.
Welke van de volgende uitspraken is ONJUIST? (H8)
A. Zowel de hulpkostenplaatsen als bij hoofdkostenplaatsen worden uitsluitend indirecte
kosten opgenomen.
B. Hulpkostenplaatsen vinden we niet, maar hoofdkostenplaatsen vinden we wel terug op een
kostenverdeel- en dekkingstaat.
C. Bij de faculteit FBSV is de afdeling ICT een zelfstandige kostenplaats.
D. Bij de faculteit FBSV is de ALO een hoofdkostenplaats.
, Verschillen tussen voor- en nacalculatie kunnen ontstaan door… (H9)
A. Prijs en efficiency.
B. Prijs, efficiency en bezetting.
C. Prijs, efficiency, bezetting en uitval.
D. Prijs, efficiency, bezetting, uitval en afval.
We spreken van uitval… (H9)
A. Wanneer aan het einde van het productieproces blijkt dat een product niet goed genoeg is
om te verkopen.
B. Wanneer grondstoffen worden verspild.
C. Wanner personele inzet de beperkende factor is in het productieproces.
D. Wanneer er personeelsverzuim is veroorzaakt door inefficiënte productieplanning.
Een eigenschap van een machinekostenbudget is NIET: (H11)
A. Het is een gemengd budget.
B. Variabele kosten worden niet geleidelijk over de kwartalen verdeeld, maar gecorrigeerd voor
het seizoen.
C. Vaste kosten worden verdeeld op basis van de normale productieomvang.
D. Door seizoencorrectie past het machinekostenbudget beter bij het kwartaal.
Het productiebudget voor een bepaalde periode is gelijk aan de gebudgetteerde afzet… (H11)
A. Vermeerderd met de geplande voorraadtoename.
B. Vermeerderd met de gewenste eindvoorraadtoename.
C. Verminderd met de geplande voorraadtoename.
D. Verminderd met de aanwezige beginvoorraad.
Welk van de onderstaande alternatieven is geen reden om interest te berekenen? (H14)
A. De contante waarde.
B. De inflatie.
C. Het feit dat je niet meer over je geld kan beschikken.
D. Het risico.
Hoe bereken je de interne rentevoet? (H15)
A. De vermogenskostenvoet die berekend is door de Europese bank.
B. De vermogenskostenvoet zoals die is bepaald vanuit de branche.
C. De vermogenskostenvoet die bij wet is bepaald en dient om te voorkomen dat er
woekerrentes worden gevraagd voor risicovolle leningen.
D. De waardebepaling voor de vermogensvoet die leidt tot een nette contante waarde van 0
euro aan het einde van de investeringsperiode.
Welke van de volgende methoden is geen selectiemethode bij de beoordeling van
investeringsprojecten? (H15)
A. Kapitalisatiemethode.
B. Interne rentevoet.
C. Annuiteitenmethode.
D. Gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit.
Welk van de onderstaande beweringen is ONJUIST?
A. Door een privéopname uit de kas door de eigenaar wordt de winst lager.
B. De aflossing op een lening vormt geen kostenpost.
C. Het eigen vermogen is het verschil tussen de waarde van de activa en het vreemde
vermogen.
D. Bij een faillissement komen eerst de vreemd vermogensverschaffers voor te betaling in
aanmerking en dan pas de eigen vermogensverschaffers.
Welke van de onderstaande posten vinden we zowel op de exploitatierekening als op het
liquiditeitsoverzicht? (H2)
A. Afschrijvingen.
B. Aflossingen.
C. Te betalen huren.
D. Te betalen B.T.W.
Welk van de volgende posten vinden we nooit terug op een investeringsbegroting? (H2)
A. Te vorderen B.T.W.
B. Aanloopkosten.
C. Kasgeld.
D. Borgstelling.
Als we de toename van de totale kosten verdelen over de extra geproduceerde producten krijgen we
de … (H4)
A. Directe kosten.
B. Indirecte kosten.
C. Differentiële kosten.
D. Indifferente kosten.
Welke kostensoort is NIET VERBONDEN aan duurzame activa? (H4)
A. Rentekosten.
B. Afschrijvingskosten.
C. Comparatieve kosten.
D. Complementaire kosten.
Welke methode is geschikt voor de productie van één soort product dat verschilt in lengte, gewicht
of inhoud? (H8)
A. De kostenplaatsenmethode.
B. De equivalentiecijfermethode.
C. De activity based costing methode.
D. De verfijnde opslagmethode.
Welke van de volgende uitspraken is ONJUIST? (H8)
A. Zowel de hulpkostenplaatsen als bij hoofdkostenplaatsen worden uitsluitend indirecte
kosten opgenomen.
B. Hulpkostenplaatsen vinden we niet, maar hoofdkostenplaatsen vinden we wel terug op een
kostenverdeel- en dekkingstaat.
C. Bij de faculteit FBSV is de afdeling ICT een zelfstandige kostenplaats.
D. Bij de faculteit FBSV is de ALO een hoofdkostenplaats.
, Verschillen tussen voor- en nacalculatie kunnen ontstaan door… (H9)
A. Prijs en efficiency.
B. Prijs, efficiency en bezetting.
C. Prijs, efficiency, bezetting en uitval.
D. Prijs, efficiency, bezetting, uitval en afval.
We spreken van uitval… (H9)
A. Wanneer aan het einde van het productieproces blijkt dat een product niet goed genoeg is
om te verkopen.
B. Wanneer grondstoffen worden verspild.
C. Wanner personele inzet de beperkende factor is in het productieproces.
D. Wanneer er personeelsverzuim is veroorzaakt door inefficiënte productieplanning.
Een eigenschap van een machinekostenbudget is NIET: (H11)
A. Het is een gemengd budget.
B. Variabele kosten worden niet geleidelijk over de kwartalen verdeeld, maar gecorrigeerd voor
het seizoen.
C. Vaste kosten worden verdeeld op basis van de normale productieomvang.
D. Door seizoencorrectie past het machinekostenbudget beter bij het kwartaal.
Het productiebudget voor een bepaalde periode is gelijk aan de gebudgetteerde afzet… (H11)
A. Vermeerderd met de geplande voorraadtoename.
B. Vermeerderd met de gewenste eindvoorraadtoename.
C. Verminderd met de geplande voorraadtoename.
D. Verminderd met de aanwezige beginvoorraad.
Welk van de onderstaande alternatieven is geen reden om interest te berekenen? (H14)
A. De contante waarde.
B. De inflatie.
C. Het feit dat je niet meer over je geld kan beschikken.
D. Het risico.
Hoe bereken je de interne rentevoet? (H15)
A. De vermogenskostenvoet die berekend is door de Europese bank.
B. De vermogenskostenvoet zoals die is bepaald vanuit de branche.
C. De vermogenskostenvoet die bij wet is bepaald en dient om te voorkomen dat er
woekerrentes worden gevraagd voor risicovolle leningen.
D. De waardebepaling voor de vermogensvoet die leidt tot een nette contante waarde van 0
euro aan het einde van de investeringsperiode.
Welke van de volgende methoden is geen selectiemethode bij de beoordeling van
investeringsprojecten? (H15)
A. Kapitalisatiemethode.
B. Interne rentevoet.
C. Annuiteitenmethode.
D. Gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit.