Groepsdynamica
De term groepsdynamica wordt gebruikt om processen te beschrijven die plaats vinden als er interactie in
een groep is. Interactie is altijd aanwezig.
Het kunnen observeren en begrijpen van deze processen zal helpen om teams effectief te laten
functioneren.
Taak en proces zijn altijd aanwezig:
Taak: wat moet je doen of wat wordt er verwacht
Proces: hoe ga je dat doen/uitvoeren.
Cohesie
Letterlijk: de samenhang tussen. Er zijn losse onderdelen die met elkaar samenhangen. Belangrijk is:
Voldoende onderling vertrouwen (veiligheid)
Overeenkomsten (bv hartfalen)
Aanvaardingscohesie (het gevoel bij de groep te horen)
Taakcohesie (aantrekkelijkheid van doel en taak)
Holding cohesie (veiligheid en duidelijke structuur)
Omgevingsfactoren Leiderschapsfactoren
Nabijheid, onderscheid, grootte Beslissingsstijl, relatie met de groep
Cohesie in sportteams
Teamfactoren Persoonlijke factoren
(in)formele rollen, normen, groepsprocessen Tevredenheid, faalangst, social loafing
Omgevingsfactoren
Nabijheid: lichamelijke nabijheid zorgt voor cohesie. Bijvoorbeeld tijdens het heel dicht bij elkaar
zitten in de kleedkamer, wat zorgt voor een beter groepsgevoel. Ook zo bij nabijheid bij patiënten.
Onderscheid: wat onderscheid jouw groep van mijn groep. Hoe zie je het verschil tussen
verschillende groepen. Bij sportgroepen zie je dat bijvoorbeeld aan de verschillen tussen logo’s of
shirtjes. Als je allemaal hetzelfde teamshirt aantrekt zorgt dat voor een groepsgevoel.
Grootte: er is een bepaalde groepsgrootte nodig om je veilig te kunnen uitten. Bij therapie- en
behandelgroepen ligt dat aantal tussen de 10 en 14 personen. Een te kleine of te grote groep kan
voor een onveilig gevoel zorgen.
, Persoonlijk
Tevredenheid: ben je tevreden over de positie die jij inneemt in de groep? Heb je het idee dat je
meedoet en dat je betrokken wordt in de groep.
Faalangst: prestatiedruk. Als je te veel druk voelt om te presteren tegenover anderen. Persoonlijk
factoren spelen hier ook in mee, ben je gevoelig voor druk of juist niet?
Social loafing: de afname van individuele inspanningen die uitgeoefend worden wanneer mensen in
groepen werken. Mensen krijgen het gevoel dat als er meer mensen bij zijn dat anderen het wel
doen. Bijvoorbeeld als iemand valt, als er meer mensen bij zijn wacht je eerder af omdat je verwacht
dat anderen wel gaan helpen terwijl als je alleen was geweest je direct was gaan helpen.
Teamfactoren
Groepsrollen:
- Rolgedrag (charmeur, clown, co-therapeut, zondebok, veelprater, theatraal etc.)
- Overdreven of gefixeerd, rolgedrag remmen
- Persoonlijkheid (type ABCD)
- Emoties die gekoppeld zijn aan gedrag (o.a. angst)
Normen: wat zijn de normen die we hanteren?
Processen: hoe gaan we dingen uitvoeren om de norm te behalen?
Leiderschapsfactoren
Beslissingsstijl
Relatie met de groep
Acceptatie
Belangrijke aspecten bij leiderschap zijn:
- Affiniteit met de groep
- Van afstand naar groep kijken en focus wisselen bijvoorbeeld naar details
- Met grilligheid en onvoorspelbaarheid van groep kunnen omgaan
- Kan onzekerheid, onduidelijkheid en angst verdragen
- Kan met gevoelens omgaan
- Begrenzen en stoppen
- Kan zich ook terughouden of juist ondersteunen
- Transparantie van groepsleider
Groepsprocessen
Voor de ontwikkeling van groepen worden er verschillende processen doorlopen:
1. Vorming. Groepen die voor het eerst samenkomen moeten nog vormen. Mensen zijn in het begin erg
op zichzelf gericht, onzeker en kijken eerst naar de anderen.
2. Storming. Er vindt een soort gevecht plaats over de rollen in de groep; wie is de leukste, wie is
favoriet of wie is de leider? Een onrustige fase waarin het erg lawaaierig is in de groep.
3. Norming. Groepsrollen worden aangenomen en er ontstaan sub-groepjes. Er ontstaat een
overeenstemming over wat er gaat gebeuren en hoe dat gedaan gaat worden. De groepsnormen
komen in deze fase vast te liggen.