Samenvatting Ontwikkelingspsychologie
Ho: 8.2, 9, 11.1, 12, 15.1 en 15.2
Hogeschool iPabo Amsterdam
Robert S. Feldman – Ontwikkelingspsychologie 7 e druk
Door: Julia Dekker
8.2 Motorische ontwikkeling
8.2.1 De grove motoriek
3 jaar: vaardigheden als rennen, trede voor trede de trap op, springen met 2 voeten tegelijk.
4e en 5e jaar: vaardigheden verder verbetert -> meer controle over de spieren.
5 jarigen hebben een betere coördinatie en daardoor kunnen ze hun motorische activiteiten verder
ontwikkelen.
Activiteitniveau
De voortgang op het gebied van grove motoriek houdt wellicht verband met de ontwikkeling van de
hersenen en met de myelinevorming rond neuronen in gebieden van de hersenen die te maken
hebben met evenwicht en coördinatie. Ook doordat ze veel oefenen -> altijd in beweging, 3 jaar is
het hoogtepunt van activiteit. Ook neemt algemene fysieke behendigheid van kleuters toe naarmate
ze ouder worden.
Maar ook verschillen:
- Aangeboren temperament: wel of niet rustig als baby? Zet door in peuter en kleutertijd.
- Genen van een kind: activiteit van een monozygotische (eeneiig) tweeling komt meer
overeen dan die van een dizygotische (twee-eiig) tweeling.
- Omgevingsfactoren: opvoedstijl, cultuur, wel en niet gepast gedrag.
Uiteindelijk bepalen deze factoren hoe actief een kind zal worden.
Genderverschillen in grove motorische vaardigheden
Ontwikkeling grove motoriek verschilt tussen jongens en meisjes:
- Zijn grotendeels resultaat van dat jongens sterker zijn dan meisjes.
- Meisjes zijn beter in activiteiten waarvoor de coördinatie van armen en benen nodig is.
- Sociale factoren: gender wordt steeds bepalender voor het soort activiteiten. Als spellen
voor jongens meer een beroep doen op grove motoriek, ontwikkelen ze die meer en
andersom.
- Veel verbeteringen voor jongens en meisjes. Als ze 5 zijn kunnen ze gemakkelijk op ladders
klimmen, tikkertje spelen en skate-boarden.
8.2.2 De fijne motoriek
De fijne motoriek ontwikkelt verder: subtielere lichaamsbewegingen.
3 jaar: kleren verwijderen bij toiletbezoek
4 jaar: papier in driehoeken vouwen en hun naam met een kleurkrijtje schrijven.
5 jaar: een dun potlood juist vasthouden en gebruiken.
8.2.3 Zindelijk worden: wanneer en hoe?
Wanneer je kind zindelijk maken?
- Volgens sommigen moeten ouders flexibel met zindelijkheidstraining omgaan -> als het kind
er klaar voor is.
- Anderen: een hardere aanpak
Nederlands Centrum Jeugdgezondheid:
1
, - Er is geen vast tijdsstip
- Pas beginnen als het kind aangeeft er klaar voor te zijn.
Universitair Ziekenhuis Antwerpen: checklist met verschillende rijppingssignalen zoals: interesse voor
het potje, vermogen om duidelijk te maken om te plassen, signalen die wijzen op grote
blaascapaciteit.
Het kind mag hierbij niet onder druk worden gezet en moet willen meewerken: als kinderen zich
verzetten, moet je de training uitstellen.
Als kinderen overdag zindelijk zijn, kan het nog lang duren voordat dat ’s nachts ook zo is. meestal
vanaf 5 jaar genoeg controle over ingewanden en blaas.
Methoden waarbij het kind wordt beloond als ze droog blijven is belangrijk, of plaswekker.
8.2.4 Links- of rechtshandigheid
Einde kleutertijd: kinderen vertonen een duidelijk voorkeur voor de ene of andere hand: links- of
rechtshandigheid. Eerst wisselt het nog erg, maar rond 5 jaar manifesteert hij. 90% heeft voorkeur
voor rechts, 10% voor links. Meer jongens zijn linkshandig.
Vroeger dwongen leerkrachten linkshandige kinderen om hun rechterhand te gebruiken. Dat is nu
niet meer zo, maar toch zijn veel alledaagse objecten afgestemd op rechtshandigen.
8.2.5 De tekening als graadmeter van ontwikkeling
Op het meest basale niveau betekent het maken van een kindertekening: oefenen met kwasten,
krijtjes, potloden en viltstiften. Hierdoor verwerven ze motorische vaardigheden.
Howard Gardner: de ruwe, ondoordachte tekening van peuters en kleuters is te vergelijken met het
brabbelen bij baby’s. De willekeurige strepen en vormen van jonge peuters en kleuters bevatten alle
bouwstenen voor complexere creaties die later worden geproduceerd.
Stadia van de tekeningen:
- Krabbelstadium: lijkt op wat lijnen op papier, maar er zijn veel categorieën als horizontale
lijnen etc.
- Vormstadium: rond 3 jaar: verschijnen van vormen als vierkanten en cirkels.
- Ontwerpstadium: vermogen om één eenvoudige vorm te combineren tot een complexere
vorm.
- Picturale stadium: vierde – vijfde levensjaar: tekeningen beginnen op herkenbare objecten
te lijken.
Hoofdstuk 9 De cognitieve ontwikkeling in de peuter- en kleutertijd
9.1 De intellectuele ontwikkeling
9.1.1 Piagets stadium van preoperationeel denken
Jean Piaget: stadiatheorie van cognitieve ontwikkeling -> kleuter en peutertijd als tijd van stabiliteit
als grote verandering.
Preoperationeel stadium: het stadium dat duurt van het tweede tot het zevende jaar en waarin het
gebruik van symbolisch denken groeit, het vermogen om te redeneren ontstaat en het gebruik van
begrippen toeneemt.
Kinderen tonen representaties van mensen. Nog niet voldoende beschikking over cognitieve
denkoperaties: georganiseerde, formele, logische mentale processen. (fantasieën als werkelijkheid)
Belangrijk aspect: symboolgebruik: het vermogen om een mentaal symbool, een woord of een
object te gebruiken om iets wat niet fysiek aanwezig is weer te geven of te vervangen. Hierdoor geen
2
, directe ervaring te hebben met fysieke object om het doel of gebruik ervan in grote lijnen te
begrijpen.
Pictogram: symbool of afbeelding dat de plaats inneemt van een tekst
Relatie tussen taal en gedachten
Symboolgebruik vormt de kern van een van de grote vorderingen die kinderen maken in de
preoperationele periode: hun steeds complexere taalgebruik.
Piaget: taal en denken zijn onlosmakelijk van elkaar verbonden en tijdens peuter- en kleuterjaren
brengt het verschillende verbeteringen op t.o.v. de sensomotorische periode.
Symbolisch denken stelt peuters en kleuters in staat om acties symbolisch weer te geven, waardoor
denken sneller gaat. Gebruik van taal van kinderen zorgt ervoor dat ze kunnen nadenken over de
toekomst.
Piaget: taal vloeit voort uit cognitieve vooruitgang, niet andersom. Taalontwikkeling is gebaseerd op
complexere denkwijzen en niet andersom.
Centratie: wat je ziet, is wat je denkt
Centratie: het onvermogen van jonge kinderen om zich op meer dan één aspect van een stimulus te
concentreren. Het visuele beeld domineert hun denken, richten op uiterlijke verschijning.
Conservatie: leren dat uiterlijke schijn bedriegt
Conservatie: het inzicht dat kwantiteit niet gerelateerd is aan de opstelling en de uiterlijke
verschijningsvorm. (vloeistof in glazen)
Het gebrek aan conservatie manifesteert zich ook in het ruimtelijk inzicht van kinderen, zoals Piagets
probleem van het koe in het veld.
Hoe kan dit? Waarschijnlijk door de neiging tot centratie kinderen ervan weerhoudt om zich te
concentreren op de relevante kenmerken van een situatie. Het tussenliggende proces tussen begin-
en eindstand niet zien.
Onvolledig begrip van transformatie
Piaget: transformatie: het proces waarbij de ene toestand verandert in de andere. Potlood die valt:
alleen begin en einde. Volwassenen: er zijn tussenstadia.
Egocentrisme: het onvermogen om zich in anderen te verplaatsen
Egocentrisme: het onvermogen om zich in een ander te verplaatsen. 2 vormen:
- Gebrek aan besef dat anderen dingen vanuit een ander fysiek perspectief zien
- Het onvermogen dat anderen gedachten, gevoelens en standpunten hebben die anders zijn
dan die van jezelf.
Hierdoor geen zorgen maken over non-verbale gedrag. Denken dat als zij jou niet ziet, jij haar ook
niet ziet.
Het ontstaan van intuïtief denken
Preoperationele periode is actief. Cognitieve ontwikkeling vordert gestaag en ontwikkelen nieuwe
vermogens, zoals intuïtief denken.
Intuïtief denken: een vorm van denken waarbij peuters en kleuters gretig kennis over de wereld
verwerven en primitief redeneren (waardoor ze vaak niet-kloppende verklaringen hebben over alles
wat ze waarnemen). Hoogtepunt tussen 4-7 jaar. denken dat ze deskundigen zijn, maar als je
doorvraagt geen verklaring hebben.
De late stadia van de preoperationele periode bereidt kinderen voor op geavanceerde vormen van
redeneren. Aan het einde kunnen ze het begrip functionaliteit begrijpen: dat acties, gebeurtenissen
en resultaten volgens vaste patronen aan elkaar gerelateerd zijn. Fiets gaat sneller als je harder trapt.
3
Ho: 8.2, 9, 11.1, 12, 15.1 en 15.2
Hogeschool iPabo Amsterdam
Robert S. Feldman – Ontwikkelingspsychologie 7 e druk
Door: Julia Dekker
8.2 Motorische ontwikkeling
8.2.1 De grove motoriek
3 jaar: vaardigheden als rennen, trede voor trede de trap op, springen met 2 voeten tegelijk.
4e en 5e jaar: vaardigheden verder verbetert -> meer controle over de spieren.
5 jarigen hebben een betere coördinatie en daardoor kunnen ze hun motorische activiteiten verder
ontwikkelen.
Activiteitniveau
De voortgang op het gebied van grove motoriek houdt wellicht verband met de ontwikkeling van de
hersenen en met de myelinevorming rond neuronen in gebieden van de hersenen die te maken
hebben met evenwicht en coördinatie. Ook doordat ze veel oefenen -> altijd in beweging, 3 jaar is
het hoogtepunt van activiteit. Ook neemt algemene fysieke behendigheid van kleuters toe naarmate
ze ouder worden.
Maar ook verschillen:
- Aangeboren temperament: wel of niet rustig als baby? Zet door in peuter en kleutertijd.
- Genen van een kind: activiteit van een monozygotische (eeneiig) tweeling komt meer
overeen dan die van een dizygotische (twee-eiig) tweeling.
- Omgevingsfactoren: opvoedstijl, cultuur, wel en niet gepast gedrag.
Uiteindelijk bepalen deze factoren hoe actief een kind zal worden.
Genderverschillen in grove motorische vaardigheden
Ontwikkeling grove motoriek verschilt tussen jongens en meisjes:
- Zijn grotendeels resultaat van dat jongens sterker zijn dan meisjes.
- Meisjes zijn beter in activiteiten waarvoor de coördinatie van armen en benen nodig is.
- Sociale factoren: gender wordt steeds bepalender voor het soort activiteiten. Als spellen
voor jongens meer een beroep doen op grove motoriek, ontwikkelen ze die meer en
andersom.
- Veel verbeteringen voor jongens en meisjes. Als ze 5 zijn kunnen ze gemakkelijk op ladders
klimmen, tikkertje spelen en skate-boarden.
8.2.2 De fijne motoriek
De fijne motoriek ontwikkelt verder: subtielere lichaamsbewegingen.
3 jaar: kleren verwijderen bij toiletbezoek
4 jaar: papier in driehoeken vouwen en hun naam met een kleurkrijtje schrijven.
5 jaar: een dun potlood juist vasthouden en gebruiken.
8.2.3 Zindelijk worden: wanneer en hoe?
Wanneer je kind zindelijk maken?
- Volgens sommigen moeten ouders flexibel met zindelijkheidstraining omgaan -> als het kind
er klaar voor is.
- Anderen: een hardere aanpak
Nederlands Centrum Jeugdgezondheid:
1
, - Er is geen vast tijdsstip
- Pas beginnen als het kind aangeeft er klaar voor te zijn.
Universitair Ziekenhuis Antwerpen: checklist met verschillende rijppingssignalen zoals: interesse voor
het potje, vermogen om duidelijk te maken om te plassen, signalen die wijzen op grote
blaascapaciteit.
Het kind mag hierbij niet onder druk worden gezet en moet willen meewerken: als kinderen zich
verzetten, moet je de training uitstellen.
Als kinderen overdag zindelijk zijn, kan het nog lang duren voordat dat ’s nachts ook zo is. meestal
vanaf 5 jaar genoeg controle over ingewanden en blaas.
Methoden waarbij het kind wordt beloond als ze droog blijven is belangrijk, of plaswekker.
8.2.4 Links- of rechtshandigheid
Einde kleutertijd: kinderen vertonen een duidelijk voorkeur voor de ene of andere hand: links- of
rechtshandigheid. Eerst wisselt het nog erg, maar rond 5 jaar manifesteert hij. 90% heeft voorkeur
voor rechts, 10% voor links. Meer jongens zijn linkshandig.
Vroeger dwongen leerkrachten linkshandige kinderen om hun rechterhand te gebruiken. Dat is nu
niet meer zo, maar toch zijn veel alledaagse objecten afgestemd op rechtshandigen.
8.2.5 De tekening als graadmeter van ontwikkeling
Op het meest basale niveau betekent het maken van een kindertekening: oefenen met kwasten,
krijtjes, potloden en viltstiften. Hierdoor verwerven ze motorische vaardigheden.
Howard Gardner: de ruwe, ondoordachte tekening van peuters en kleuters is te vergelijken met het
brabbelen bij baby’s. De willekeurige strepen en vormen van jonge peuters en kleuters bevatten alle
bouwstenen voor complexere creaties die later worden geproduceerd.
Stadia van de tekeningen:
- Krabbelstadium: lijkt op wat lijnen op papier, maar er zijn veel categorieën als horizontale
lijnen etc.
- Vormstadium: rond 3 jaar: verschijnen van vormen als vierkanten en cirkels.
- Ontwerpstadium: vermogen om één eenvoudige vorm te combineren tot een complexere
vorm.
- Picturale stadium: vierde – vijfde levensjaar: tekeningen beginnen op herkenbare objecten
te lijken.
Hoofdstuk 9 De cognitieve ontwikkeling in de peuter- en kleutertijd
9.1 De intellectuele ontwikkeling
9.1.1 Piagets stadium van preoperationeel denken
Jean Piaget: stadiatheorie van cognitieve ontwikkeling -> kleuter en peutertijd als tijd van stabiliteit
als grote verandering.
Preoperationeel stadium: het stadium dat duurt van het tweede tot het zevende jaar en waarin het
gebruik van symbolisch denken groeit, het vermogen om te redeneren ontstaat en het gebruik van
begrippen toeneemt.
Kinderen tonen representaties van mensen. Nog niet voldoende beschikking over cognitieve
denkoperaties: georganiseerde, formele, logische mentale processen. (fantasieën als werkelijkheid)
Belangrijk aspect: symboolgebruik: het vermogen om een mentaal symbool, een woord of een
object te gebruiken om iets wat niet fysiek aanwezig is weer te geven of te vervangen. Hierdoor geen
2
, directe ervaring te hebben met fysieke object om het doel of gebruik ervan in grote lijnen te
begrijpen.
Pictogram: symbool of afbeelding dat de plaats inneemt van een tekst
Relatie tussen taal en gedachten
Symboolgebruik vormt de kern van een van de grote vorderingen die kinderen maken in de
preoperationele periode: hun steeds complexere taalgebruik.
Piaget: taal en denken zijn onlosmakelijk van elkaar verbonden en tijdens peuter- en kleuterjaren
brengt het verschillende verbeteringen op t.o.v. de sensomotorische periode.
Symbolisch denken stelt peuters en kleuters in staat om acties symbolisch weer te geven, waardoor
denken sneller gaat. Gebruik van taal van kinderen zorgt ervoor dat ze kunnen nadenken over de
toekomst.
Piaget: taal vloeit voort uit cognitieve vooruitgang, niet andersom. Taalontwikkeling is gebaseerd op
complexere denkwijzen en niet andersom.
Centratie: wat je ziet, is wat je denkt
Centratie: het onvermogen van jonge kinderen om zich op meer dan één aspect van een stimulus te
concentreren. Het visuele beeld domineert hun denken, richten op uiterlijke verschijning.
Conservatie: leren dat uiterlijke schijn bedriegt
Conservatie: het inzicht dat kwantiteit niet gerelateerd is aan de opstelling en de uiterlijke
verschijningsvorm. (vloeistof in glazen)
Het gebrek aan conservatie manifesteert zich ook in het ruimtelijk inzicht van kinderen, zoals Piagets
probleem van het koe in het veld.
Hoe kan dit? Waarschijnlijk door de neiging tot centratie kinderen ervan weerhoudt om zich te
concentreren op de relevante kenmerken van een situatie. Het tussenliggende proces tussen begin-
en eindstand niet zien.
Onvolledig begrip van transformatie
Piaget: transformatie: het proces waarbij de ene toestand verandert in de andere. Potlood die valt:
alleen begin en einde. Volwassenen: er zijn tussenstadia.
Egocentrisme: het onvermogen om zich in anderen te verplaatsen
Egocentrisme: het onvermogen om zich in een ander te verplaatsen. 2 vormen:
- Gebrek aan besef dat anderen dingen vanuit een ander fysiek perspectief zien
- Het onvermogen dat anderen gedachten, gevoelens en standpunten hebben die anders zijn
dan die van jezelf.
Hierdoor geen zorgen maken over non-verbale gedrag. Denken dat als zij jou niet ziet, jij haar ook
niet ziet.
Het ontstaan van intuïtief denken
Preoperationele periode is actief. Cognitieve ontwikkeling vordert gestaag en ontwikkelen nieuwe
vermogens, zoals intuïtief denken.
Intuïtief denken: een vorm van denken waarbij peuters en kleuters gretig kennis over de wereld
verwerven en primitief redeneren (waardoor ze vaak niet-kloppende verklaringen hebben over alles
wat ze waarnemen). Hoogtepunt tussen 4-7 jaar. denken dat ze deskundigen zijn, maar als je
doorvraagt geen verklaring hebben.
De late stadia van de preoperationele periode bereidt kinderen voor op geavanceerde vormen van
redeneren. Aan het einde kunnen ze het begrip functionaliteit begrijpen: dat acties, gebeurtenissen
en resultaten volgens vaste patronen aan elkaar gerelateerd zijn. Fiets gaat sneller als je harder trapt.
3