Samenvatting inleiding goederenrecht
Kan de plaats van het goederenrecht binnen het (privaat)recht
verklaren;
privaatrecht
personen- en
vermogensrecht familierecht
verbintenissenrecht
goederenrecht
(persoon - persoon)
(persoon - goed)
Het goederenrecht en het verbintenissenrecht vormen samen het
vermogensrecht. Het vermogensrecht regelt de verhouding tussen burgers
onderling die op geld waardeerbaar zijn.
Kan de basisbegrippen (vermogensrecht, relatief recht, zaak,
onroerende zaak, goed, registergoed, absoluut recht, roerende
zaak, beperkt recht, volledig recht, genotsrecht/gebruiksrecht,
zekerheidsrecht, pandrecht, hypotheekrecht, zakelijk recht,
vorderingsrecht) van het goederenrecht omschrijven en in
voorbeelden herkennen;
Goed: goederen zijn alle zaken en alle vermogensrechten.
Vermogensrecht: Een recht met vermogenswaarde. Een recht met een
bepaalde waarde die in geld is uit te drukken. Voorwaarde;
o Rechten die afzonderlijk of tezamen met een ander recht
overdraagbaar zijn of. Rechten kunnen overgedragen worden, dit
kan zelfstandig plaatsvinden of tezamen. De eigenaar van een
bepaald recht mag dit recht aan een ander overgeven. Bijvoorbeeld
eigendomsrecht of vorderingsrecht.
o Rechten die ertoe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te
verschaffen of. De eigenaar van het recht materieel voordeel
verstrekken. Bijvoorbeeld het recht op smartengeld of het recht van
gebruik.
o Rechten die verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht
gesteld stoffelijk voordeel. Een afspraak dat iemand iets doet en
daar dan een vergoeding voor krijgt bijvoorbeeld. Het doen is het
recht en het stoffelijk voordeel is de vergoeding.
Zaak: De voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten. Er moet
dus aan twee voorwaarden worden voldaan; (huis, boek, stuk grond)
o Voor menselijke beheersing vatbaar zijn. We kunnen het vastpakken
en er macht of controle over uitoefenen.
o Een stoffelijk object. Een voorwerp dat uit een bepaald materiaal,
een bepaalde stof bepaalde stof bestaat.
, Onroerende zaak: zaken die niet verplaatsbaar zijn;
o De grond.
o Delfstoffen die nog niet zijn gewonnen. Gesteenten en mineralen
met een bepaalde gebruikswaarde, die uit de grond worden
gewonnen.
o Beplantingen die met de grond zijn verenigd.
o Gebouwen die duurzaam met de grond zijn verenigd.
o Werken die duurzaam met de grond zijn verenigd.
o Gebouwen en werken die door vereniging met andere gebouwen of
werken duurzaam met de grond zijn verenigd.
Roerende zaak: alle zaken die niet onroerend zijn. Zaken die verplaatsbaar
zijn.
Roerende zaken
art. 3:3 lid 2 BW
Zaken
art. 3:2 BW
goederen Onroerende zaken
art. 3:1 BW art. 3:3 lid 1 BW
vermogensrechten
art. 3:6 BW
Registergoed: art. 3:10 BW. Goederen voor welke overdracht of vestiging
inschrijving in de daar toe bestemde register verplicht is. Dus; alle
onroerende zaken, te boek gestelde schepen en vliegtuigen en beperkte
rechten gevestigd op een registergoed.
Zakelijk recht: de houder van een zaak heeft er aanspraak op.
Vorderingsrecht: het recht van een crediteur tegenover een debiteur.
Burgerlijke vrucht: Dit zijn rechten die volgens verkeersopvatting als
vruchten van goederen worden aangemerkt. 2 vereisten voor het begrip
burgerlijke vrucht;
1. Het zijn rechten
Rechten: Worden in dit geval vermogensrechten bedoeld.
Vermogensrechten: Rechten die op geld waardeerbaar zijn en die
kunnen worden overgedragen.
2. Deze rechten worden volgens verkeersopvatting als vruchten van
goederen aangemerkt.
Verkeersopvatting: Het maatschappelijke verkeer
Geen goede trouw: art. 3:11 BW
1. Wanneer iemand de feiten of het recht waarop zijn goede trouw
betrekking heeft kenden. Weten: In dit geval betreft het een
persoon die weet dat er iets niet in orde is, maar met die
wetenschap niets doet.
2. Wanneer iemand de feiten of het recht waarop zijn goede trouw
betrekking heeft behoorde te kennen. Had moeten weten: Het gaat
Kan de plaats van het goederenrecht binnen het (privaat)recht
verklaren;
privaatrecht
personen- en
vermogensrecht familierecht
verbintenissenrecht
goederenrecht
(persoon - persoon)
(persoon - goed)
Het goederenrecht en het verbintenissenrecht vormen samen het
vermogensrecht. Het vermogensrecht regelt de verhouding tussen burgers
onderling die op geld waardeerbaar zijn.
Kan de basisbegrippen (vermogensrecht, relatief recht, zaak,
onroerende zaak, goed, registergoed, absoluut recht, roerende
zaak, beperkt recht, volledig recht, genotsrecht/gebruiksrecht,
zekerheidsrecht, pandrecht, hypotheekrecht, zakelijk recht,
vorderingsrecht) van het goederenrecht omschrijven en in
voorbeelden herkennen;
Goed: goederen zijn alle zaken en alle vermogensrechten.
Vermogensrecht: Een recht met vermogenswaarde. Een recht met een
bepaalde waarde die in geld is uit te drukken. Voorwaarde;
o Rechten die afzonderlijk of tezamen met een ander recht
overdraagbaar zijn of. Rechten kunnen overgedragen worden, dit
kan zelfstandig plaatsvinden of tezamen. De eigenaar van een
bepaald recht mag dit recht aan een ander overgeven. Bijvoorbeeld
eigendomsrecht of vorderingsrecht.
o Rechten die ertoe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te
verschaffen of. De eigenaar van het recht materieel voordeel
verstrekken. Bijvoorbeeld het recht op smartengeld of het recht van
gebruik.
o Rechten die verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht
gesteld stoffelijk voordeel. Een afspraak dat iemand iets doet en
daar dan een vergoeding voor krijgt bijvoorbeeld. Het doen is het
recht en het stoffelijk voordeel is de vergoeding.
Zaak: De voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten. Er moet
dus aan twee voorwaarden worden voldaan; (huis, boek, stuk grond)
o Voor menselijke beheersing vatbaar zijn. We kunnen het vastpakken
en er macht of controle over uitoefenen.
o Een stoffelijk object. Een voorwerp dat uit een bepaald materiaal,
een bepaalde stof bepaalde stof bestaat.
, Onroerende zaak: zaken die niet verplaatsbaar zijn;
o De grond.
o Delfstoffen die nog niet zijn gewonnen. Gesteenten en mineralen
met een bepaalde gebruikswaarde, die uit de grond worden
gewonnen.
o Beplantingen die met de grond zijn verenigd.
o Gebouwen die duurzaam met de grond zijn verenigd.
o Werken die duurzaam met de grond zijn verenigd.
o Gebouwen en werken die door vereniging met andere gebouwen of
werken duurzaam met de grond zijn verenigd.
Roerende zaak: alle zaken die niet onroerend zijn. Zaken die verplaatsbaar
zijn.
Roerende zaken
art. 3:3 lid 2 BW
Zaken
art. 3:2 BW
goederen Onroerende zaken
art. 3:1 BW art. 3:3 lid 1 BW
vermogensrechten
art. 3:6 BW
Registergoed: art. 3:10 BW. Goederen voor welke overdracht of vestiging
inschrijving in de daar toe bestemde register verplicht is. Dus; alle
onroerende zaken, te boek gestelde schepen en vliegtuigen en beperkte
rechten gevestigd op een registergoed.
Zakelijk recht: de houder van een zaak heeft er aanspraak op.
Vorderingsrecht: het recht van een crediteur tegenover een debiteur.
Burgerlijke vrucht: Dit zijn rechten die volgens verkeersopvatting als
vruchten van goederen worden aangemerkt. 2 vereisten voor het begrip
burgerlijke vrucht;
1. Het zijn rechten
Rechten: Worden in dit geval vermogensrechten bedoeld.
Vermogensrechten: Rechten die op geld waardeerbaar zijn en die
kunnen worden overgedragen.
2. Deze rechten worden volgens verkeersopvatting als vruchten van
goederen aangemerkt.
Verkeersopvatting: Het maatschappelijke verkeer
Geen goede trouw: art. 3:11 BW
1. Wanneer iemand de feiten of het recht waarop zijn goede trouw
betrekking heeft kenden. Weten: In dit geval betreft het een
persoon die weet dat er iets niet in orde is, maar met die
wetenschap niets doet.
2. Wanneer iemand de feiten of het recht waarop zijn goede trouw
betrekking heeft behoorde te kennen. Had moeten weten: Het gaat