Inleiding recht H1
Eigenrichting: In een geschil je gelijk halen door zelf geweld te gebruiken.
Dit is verboden, alleen de overheid mag geweld gebruiken.
Juridisch probleem wordt eerst door een lagere rechter in
een van de 11 rechtbanken bekekene en beoordeeld. De
rechtbank is het 1e gerecht.
Niet eens met het vonnis? -> Naar hogere rechter, een van
de 4 gerechtshoven.
Rechtbank met meervoudige kamers en 3 rechtsprekende rechters.
Rechtbank met enkelvoudige kamer en 1 rechtsprekende rechter. Kantonrechters of politierechter.
Raadsheren: Rechters bij het gerechtshof of de Hoge Raad.
Hoge raad: Hoogste gerechtshof. Spreekt recht met 5 raadsheren.
In cassatie gaan: Probleem bij de Hoge Raad aankaarten. Wordt alleen nog een keer gekeken of de
rechter het recht goed heeft toegepast. Zo niet, dan moet de lagere rechter opnieuw uitspraak doen.
In hoger beroep gaan: Probleem bij het gerechtshof aankaarten. Alle feiten worden nog een keer
nagekeken en of de rechter het recht goed heeft toegepast.
Vonnis: Uitspraak van de rechter.
Arrest: Uitspraak van het gerechtshof.
Objectief recht: Omvat de rechtsregels die door de overheid zijn vastgesteld of erkend met het doel
de samenleving te ordenen en die – in beginsel door sancties – gehandhaafd kunnen worden.
Positief recht/geldend recht
Subjectief recht: De bevoegdheid of de plicht. BV het recht hebben op een studiebeurs. Natuurlijke-
en rechtspersonen zijn subjectieve rechten dragers.
Privaatrecht: Regelt de rechtsverhouding tussen burgers onderling, terwijl het individuele belang
centraal staat. Burgerlijk recht
Publiekrecht: Regelt de verhouding tussen de overheid en de burgers, terwijl het algemene belang
centraal staat. Alleen als deze taak de overheid kan uitvoeren.
Natuurlijke persoon: De mens.
Rechtspersoon: Een organisatievorm die voor veel handelingen net als natuurlijke personen aan het
rechtsverkeer mag deelnemen. BV stichting, NV, BV, vereniging.
Rechtssubjecten: De dragers van subjectieve rechten.
Rechtsobjecten: Dieren.
Materiel recht: Bevat regels die rechten verlenen en verplichtingen opleggen tussen burgers
onderling en tussen burgers en overheid, maar ook tussen overheden onderling.
Formeel recht: Procesrecht.
Het wetboek van burgerlijke rechtsvordering: Geeft regels voor de manier waarop de regels van het
materiele privaat recht gehandhaafd kunnen worden, dus regels hoe iemand zijn privaatrechtelijke
rechten kan afdwingen tegen over anderen.
Het wetboek van strafvordering: Geeft regels voor de wijze waarop de regels van het materiele
strafrecht gehandhaafd kunnen worden; het betreft regels die aangeven hoe de overheid de
verplichtingen uit bv het wetboek van strafrecht kan afdwingen.
Eigenrichting: In een geschil je gelijk halen door zelf geweld te gebruiken.
Dit is verboden, alleen de overheid mag geweld gebruiken.
Juridisch probleem wordt eerst door een lagere rechter in
een van de 11 rechtbanken bekekene en beoordeeld. De
rechtbank is het 1e gerecht.
Niet eens met het vonnis? -> Naar hogere rechter, een van
de 4 gerechtshoven.
Rechtbank met meervoudige kamers en 3 rechtsprekende rechters.
Rechtbank met enkelvoudige kamer en 1 rechtsprekende rechter. Kantonrechters of politierechter.
Raadsheren: Rechters bij het gerechtshof of de Hoge Raad.
Hoge raad: Hoogste gerechtshof. Spreekt recht met 5 raadsheren.
In cassatie gaan: Probleem bij de Hoge Raad aankaarten. Wordt alleen nog een keer gekeken of de
rechter het recht goed heeft toegepast. Zo niet, dan moet de lagere rechter opnieuw uitspraak doen.
In hoger beroep gaan: Probleem bij het gerechtshof aankaarten. Alle feiten worden nog een keer
nagekeken en of de rechter het recht goed heeft toegepast.
Vonnis: Uitspraak van de rechter.
Arrest: Uitspraak van het gerechtshof.
Objectief recht: Omvat de rechtsregels die door de overheid zijn vastgesteld of erkend met het doel
de samenleving te ordenen en die – in beginsel door sancties – gehandhaafd kunnen worden.
Positief recht/geldend recht
Subjectief recht: De bevoegdheid of de plicht. BV het recht hebben op een studiebeurs. Natuurlijke-
en rechtspersonen zijn subjectieve rechten dragers.
Privaatrecht: Regelt de rechtsverhouding tussen burgers onderling, terwijl het individuele belang
centraal staat. Burgerlijk recht
Publiekrecht: Regelt de verhouding tussen de overheid en de burgers, terwijl het algemene belang
centraal staat. Alleen als deze taak de overheid kan uitvoeren.
Natuurlijke persoon: De mens.
Rechtspersoon: Een organisatievorm die voor veel handelingen net als natuurlijke personen aan het
rechtsverkeer mag deelnemen. BV stichting, NV, BV, vereniging.
Rechtssubjecten: De dragers van subjectieve rechten.
Rechtsobjecten: Dieren.
Materiel recht: Bevat regels die rechten verlenen en verplichtingen opleggen tussen burgers
onderling en tussen burgers en overheid, maar ook tussen overheden onderling.
Formeel recht: Procesrecht.
Het wetboek van burgerlijke rechtsvordering: Geeft regels voor de manier waarop de regels van het
materiele privaat recht gehandhaafd kunnen worden, dus regels hoe iemand zijn privaatrechtelijke
rechten kan afdwingen tegen over anderen.
Het wetboek van strafvordering: Geeft regels voor de wijze waarop de regels van het materiele
strafrecht gehandhaafd kunnen worden; het betreft regels die aangeven hoe de overheid de
verplichtingen uit bv het wetboek van strafrecht kan afdwingen.