Farma
1: Farmacologie diagnostische middelen
Farmacodynamiek:
Wat de stof doet met het lichaam
Bindingsplaatsen farmacodynamiek:
1. Enzymen: insuline receptor
2. Carrier eiwitten (G-proteïne): A en B receptoren, muscarine receptoren, histamine
receptoren
3. Ion kanalen: nicotine receptoren
4. Receptoren: Estrogeen, glucocorticoïd
Drug receptor interactie:
Agonist: drug bindt zich aan de receptor en activeert de receptor
Antagonist: drug blokkeert de binding voor de receptor
Farmacokinetiek:
- Wat het lichaam doet met de stof
- Hoe snel wordt het middel in het lichaam opgenomen, en hoe snel wordt het afgebroken
- Je wil het gedrag van de werkzame stof onderzoeken
- Inzicht hebben in werking
- Voorspelbaarheid: dosis en toedieningsvorm
1. Resorptie
2. Distributie
3. Eliminatie
Resorptie:
Mede in relatie tot toedieningswegen en –vormen van geneesmiddelen
- Opname in de circulatie
- Snelheid van opname
- Mate van opname
, Distributie:
Met o.a. eiwitbinding, bloed-hersenbarrière en placentapassage
- Verdeling in het bloed
- Binding
- Diffusie naar weefsel
Eliminatie:
- Lever: chemische verandering aan de moleculen
- Nieren: uitscheiding van vooral wateroplosbare medicijnen
Uitscheiding:
In urine, gal, speeksel en moedermelk
Verblijfsduur werkzame stof:
- Plasma eliminatiehalfwaardetijd
- Tijd die nodig is om de plasmaspiegel te halveren
- Deze waarde is specifiek voor de stof en de eliminatiesysteem
- Bij levercirrosis kan de lever niet genoeg medicijn eruit halen
Duur van inname:
- Tolerantie (geen klachten meer na bepaalde tijd van inname
- Accumulatie (klachten kunnen pas ontstaan na bepaalde tijd van inname
Patiënten verschillen:
- Leeftijd
- Sekse
- Gewicht
- Algemene gezondheid: zwangerschap, functiestoornissen en ziekten
- Oogheelkundige staat van de ogen
- Concurrerende medicatie (ijzerionen met doxyciline zorgt ervoor dat de pil niet meer goed
werkt, grapefruitsap en zuurgraad)
- Contactlensgebruik
Therapeutisch index:
- Bij mensen wordt de bovengrens bepaald door te kijken naar de bijwerkingen als hoofdpijn,
duizeligheid, vermoeidheid, enz.
- De ondergrens echter, net als bij dieren wordt bepaald door de minimale concentratie die
nodig is voor een therapeutisch effect
1: Farmacologie diagnostische middelen
Farmacodynamiek:
Wat de stof doet met het lichaam
Bindingsplaatsen farmacodynamiek:
1. Enzymen: insuline receptor
2. Carrier eiwitten (G-proteïne): A en B receptoren, muscarine receptoren, histamine
receptoren
3. Ion kanalen: nicotine receptoren
4. Receptoren: Estrogeen, glucocorticoïd
Drug receptor interactie:
Agonist: drug bindt zich aan de receptor en activeert de receptor
Antagonist: drug blokkeert de binding voor de receptor
Farmacokinetiek:
- Wat het lichaam doet met de stof
- Hoe snel wordt het middel in het lichaam opgenomen, en hoe snel wordt het afgebroken
- Je wil het gedrag van de werkzame stof onderzoeken
- Inzicht hebben in werking
- Voorspelbaarheid: dosis en toedieningsvorm
1. Resorptie
2. Distributie
3. Eliminatie
Resorptie:
Mede in relatie tot toedieningswegen en –vormen van geneesmiddelen
- Opname in de circulatie
- Snelheid van opname
- Mate van opname
, Distributie:
Met o.a. eiwitbinding, bloed-hersenbarrière en placentapassage
- Verdeling in het bloed
- Binding
- Diffusie naar weefsel
Eliminatie:
- Lever: chemische verandering aan de moleculen
- Nieren: uitscheiding van vooral wateroplosbare medicijnen
Uitscheiding:
In urine, gal, speeksel en moedermelk
Verblijfsduur werkzame stof:
- Plasma eliminatiehalfwaardetijd
- Tijd die nodig is om de plasmaspiegel te halveren
- Deze waarde is specifiek voor de stof en de eliminatiesysteem
- Bij levercirrosis kan de lever niet genoeg medicijn eruit halen
Duur van inname:
- Tolerantie (geen klachten meer na bepaalde tijd van inname
- Accumulatie (klachten kunnen pas ontstaan na bepaalde tijd van inname
Patiënten verschillen:
- Leeftijd
- Sekse
- Gewicht
- Algemene gezondheid: zwangerschap, functiestoornissen en ziekten
- Oogheelkundige staat van de ogen
- Concurrerende medicatie (ijzerionen met doxyciline zorgt ervoor dat de pil niet meer goed
werkt, grapefruitsap en zuurgraad)
- Contactlensgebruik
Therapeutisch index:
- Bij mensen wordt de bovengrens bepaald door te kijken naar de bijwerkingen als hoofdpijn,
duizeligheid, vermoeidheid, enz.
- De ondergrens echter, net als bij dieren wordt bepaald door de minimale concentratie die
nodig is voor een therapeutisch effect