100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.2 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting toets 2.2.2 handelingsgerichte diagnostiek (psychopathologie én veerkracht)

Rating
-
Sold
1
Pages
36
Uploaded on
01-11-2021
Written in
2019/2020

Uitgebreide samenvatting voor deeltoets 2 van veerkracht en psychopathologie. - Psychopathologie: H6,8 en 14 uit Nevid. - Veerkracht: H4 en H5 van Naar het hart van empowerment van Boumans (2016), H8 t/m paragraaf 8.6 uit Weerman (2016), paragraaf 3 van Verbindend werken in de hulpverlening: bouwsteen voor een veerkrachtige samenleving van Van Regenmortel en Peeters (2010), H3 van de lectorale rede, Opzoek naar houvast, van Linders (2019), hoofdstuk Social Ecologies and Their Contribution to resilience van Ungar (2012), het essay Tijdig en doordacht van Janssens (2018), paragraaf 3.1 van Polarisatie en radicalisering van Lub, Groot en Schaafsma (2011) en ten slotte stap 2 (analyse) van de handreiking Van polarisatie naar verbinding in buurten.

Show more Read less
Institution
Course











Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Connected book

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Summarized whole book?
No
Which chapters are summarized?
8, 6, 14
Uploaded on
November 1, 2021
Number of pages
36
Written in
2019/2020
Type
Summary

Subjects

Content preview

Samenvatting deeltoets 2
Psychopathologie (4,5,6)
Bijeenkomst 4: omgaan met verslaving (H8)
H8 Middelgerelateerde en verslavingsstoornissen
Veel jonge mensen beginnen middelen te gebruiken onder invloed van groepsgenoten,
algemene beschikbaarheid; uiting van rebellie of juist conformeren. Vaak zijn het diverse
factoren bij elkaar die de stap van experimenteren naar werkelijk verslaafd zijn veroorzaken.
In de dsm-5 worden twee categorieën van middel gerelateerde stoornissen gehanteerd:
1. stoornissen die door middelen teweeggebracht worden  afwijkende
gedragspatronen als gevolg van het gebruik aan psychoactieve middelen. Twee
belangrijke typen hiervan zijn intoxicatie en het onttrekkingssyndroom.
Intoxicatie= een toestand waarin de hersens zo zijn beïnvloed door het middel dat ze niet
meer adequaat kunnen functioneren. In bepaalde gevallen kan dit tot de dood leiden.
De specifieke kenmerken zijn afhankelijk van het gebruikte middel, dosis, biologisch
bepaalde kwetsbaarheid van de gebruiker en tot op zekere hoogte van de verwachtingen
van de gebruiker. Tekenen van intoxicatie zijn verwarring, strijdlustigheid, belemmerd
beoordelingsvermogen, concentratieverlies en belemmering van motorische en ruimtelijke
vaardigheden.
Onttrekkingssyndroom= groep symptomen die zich voordoen wanneer een afhankelijk
persoon na zwaar, langdurig gebruik van een bepaalde stof plotseling stopt met gebruiken.
Het herhaald gebruiken van een middel leidt tot een verandering van de fysiologische
reacties, die tolerantie en een duidelijk omschreven onttrekkingssyndroom tot gevolg kunnen
hebben. Tolerantie= lichamelijke gewenning aan een middel zodanig dat hij regelmatig
gebruik, hogere doses nodig zijn om dezelfde effecten te bereiken. Onttrekkingssymptomen
verschillen per middel. Bij alcohol transpireren, snelle pols, tremoren van de hand,
voorbijgaande hallucinaties of illusies, slapeloosheid, misselijkheid, braken, gejaagdheid,
angst en mogelijk bewustzijnverlies. Bij cafeïneonttrekking hoofdpijn, somberheid,
concentratieproblemen, grieperig, misselijkheid en spierstijfheid of -pijn.
Verslavingsstoornissen = aandoeningen die worden gekenmerkt door inadequaat gebruik
van psychoactieve stoffen (bijvoorbeeld afhankelijkheid van drugs).
Fysiologische afhankelijkheid = een situatie waarin het lichaam van de druggebruiker
afhankelijk wordt van een voortdurende toevoer van de stof.
Psychologische afhankelijkheid = dwangmatig gebruik van een stof om in een
psychologische behoefte te voorzien.
Psychoactieve middelen die tot onttrekkingssyndroom kunnen leiden zijn o.a. alcohol,
opiaten (zoals heroïne en morfine), stimulantia (zoals cocaïne en amfetamine), kalmerings-
en slaapmiddelen, marihuana en tabak.
2. stoornissen in het gebruik van middelen (verslavingsstoornissen)
Deze term is een algemene diagnostische classificatie, maar de specifieke diagnose, zoals
stoornis in alcoholgebruik, geeft aan om welk middel het gaat. Dit soort diagnoses vereisen

,een beperkt functioneren, persoonlijk lijden en twee of meer specifieke kenmerken/
symptomen die zich in het aan de diagnose voorafgaande jaar moeten hebben voorgedaan.
Deze kenmerken en symptomen verschillen per middel. Stoornis in alcoholgebruik wordt
bijvoorbeeld gekenmerkt door min 2 van de volgende kenmerken of symptomen:

- Een buitensporige hoeveelheid tijd besteden aan het verkrijgen en gebruiken van
alcohol of het herstellen na overmatig gebruik ervan.
- Aanhoudende problemen hebben met minderen of het beheersen van alcoholgebruik,
ondanks de wens daartoe.
- Buitensporig veel meer drinken dan de bedoeling is.
- Als gevolg van het gebruik moeite hebben met het vervullen van de normale taken
als student, werknemer of gezinslid.
- Doorgaan met het gebruiken van alcohol ondanks de sociale, interpersoonlijke,
psychologische of medische problemen die dat tot gevolg hebben.
- Het ontwikkelen van tolerantie en onttrekkingssyndroom dat samengaat met het
gebruik van alcohol.
- Alcohol gebruiken in situaties waarin dat een risico met zich meebrengt voor de
persoonlijke veiligheid of die van anderen, zoals rijden onder invloed.
- Een sterk, aanhoudend verlangen hebben naar alcohol.
- Niet deelnemen aan activiteiten vanwege het alcoholgebruik.

In vorige versie van de dsm werd onderscheid gemaakt tussen twee typen stoornissen in
gebruik van middelen, een gematigde (misbruik) en een ernstige (afhankelijkheid). Grenzen
tussen beide vormen waren niet duidelijk, daarom zijn de twee typen samengevoegd. Clinici
kunnen bepalen of er sprake is van een lichte, matige of ernstige vorm.
Waar eindigt gebruik en begint misbruik? De dsm-5 legt de grens daar waar het gebruik een
aanzienlijke belemmering in het dagelijks functioneren op een bepaald terrein oplevert.
Voorbeelden: problemen bij nakomen van de verantwoordelijkheden die men heeft als
student/ werknemer/ gezinslid of bijvoorbeeld riskant gedrag in fysieke zin, zoals autorijden
onder invloed.
Gegevens in Nederland:

- Ongeveer 30% van de mannen en 7,5% van de vrouwen is op een bepaald moment
in zijn of haar leven verslaafd aan alcohol. Alcoholafhankelijkheid komt voor bij 8,9%
van de mannen en 1,9% bij de vrouwen.
- Drugsstoornissen, verslaving aan canabis, hallucinogene middelen, opiaten, cocaïne,
amfetamine en andere drugs treffen in totaal 3,7% van de mannen en 2,5% van de
vrouwen. afhankelijkheid van drugs komt 2,1% bij de mannen voor en 1,5% bij de
vrouwen.
Er is een algemene route, drie stadia:
1. Experimenteren  tijdens de experimenteerfase krijgen de gebruikers een goed,
zelfs euforisch gevoel van het middel. Ze denken dat ze controle hebben en geloven
dat ze op ieder moment kunnen stoppen met gebruiken.
2. Regelmatig gebruik  mensen beginnen hun leven vorm te geven rond het
verkrijgen en gebruiken van drugs. Ontkenning speelt een belangrijke rol. Zijn/ haar
waarden veranderen. Naarmate het regelmatige gebruik doorgaat, stapelen de
problemen zich op. Er wordt steeds meer geld aan drugs uitgegeven. Liegen en
manipuleren worden een manier van leven om het drugsgebruik te verbergen.

, 3. Verslaving of afhankelijkheid  regelmatig gebruik wordt verslaving of
afhankelijkheid als gebruikers het gevoel hebben geen weerstand meer te kunnen
bieden aan middelen, omdat zij de effecten willen ervaren of omdat ze de gevolgen
van onthouding willen vermijden. In deze fase is er niets anders meer van belang dan
het middelengebruik.
- Verslaving= patroon van herhaald gebruik dat schadelijke gevolgen heeft.

In de dsm-5 is een nieuwe diagnostische categorie opgenomen  middelgerelateerde en
verslavingsstoornissen. Hieronder vallen zowel stoornissen gerelateerd aan het gebruik van
middelen als gokstoornis vallen.
Deze nieuwe classificatie komt voort uit het inzicht dat bepaalde dwangmatige of
verslavingspatronen belangrijke overeenkomsten vertonen met aan middelen gerelateerde
problemen. Dwangmatig gokken, seks, winkelen, gamen en internetten hebben belangrijke
kenmerken gemeen met verslaving aan of afhankelijkheid van drugs, zoals beperkte controle
over het gedrag en onttrekkingsverschijnselen zoals angst en depressie. Hierbij is er sprake
van een niet- middelgerelateerde stoornis.
Drugsmisbruik= het voortdurende gebruik van een psychoactief middel ondanks de
wetenschap dat dit een sociaal, beroepsmatig, psychologisch of lichamelijk probleem
veroorzaakt.
Afhankelijkheid= verminderde controle over het gebruik van een psychoactief middel; vaak
gekenmerkt door fysiologische afhankelijkheid. Het lichaam wordt ‘afhankelijk’ van het middel
dat je gebruikt. Dit kan leiden dat er een grotere hoeveelheid nodig is van het middel om
dezelfde effecten te bereiken. Het abrupt staken van het gebruik leidt tot
onttrekkingsverschijnselen. Er is dan volgens de dsm-5 sprake van een middelgerelateerde
stoornis.
Drugs worden in drie grote groepen ingedeeld: dempende middelen, stimulantia en
hallucinogene middelen.
1. Dempende middelen
Een dempend middel= een stof die de activiteit van het centraal zenuwstelsel vertraagt of
afremt en daarmee emoties van spanning en angst vermindert, bewegingen vertraagt en
cognitieve processen afremt.

- Alcohol

Alcoholistische dranken bevatten een dempende stof die ethanol wordt genoemd. De
concentratie is afhankelijk van het type drank. Alcohol wordt bij dempende middelen
ingedeeld, omdat het biochemische effecten heeft die lijken op die van benzodiazepinen,
waartoe de bekende middelen valium en librium behoren.
Alcoholisme= afhankelijkheid van of verslaving aan alcohol die leidt tot ernstige
persoonlijke, sociale, beroepsmatige of gezondheidsproblemen.
Risicofactoren voor alcoholisme:

- Geslacht  mannen hebben meer dan 2x zo grote kans als vrouwen om afhankelijk
te raken van alcohol. De hoeveelheid enzym dat alcohol afbreekt in de maag is bij
vrouwen kleiner dan bij mannen.
- Leeftijd  de meeste alcoholverslavingen ontstaan tijdens de jonge volwassenheid,
meestal voor de 40.

, - Antisociale persoonlijkheidsstoornis  antisociaal gedrag tijdens de adolescentie
of de volwassenheid vergroot het risico op alcoholisme.
- Familiegeschiedenis  gezinsleden die drinken kunnen als rolmodel werken.
Mensen met alcoholproblemen hebben een erfelijke kwetsbaarheid, waardoor de
kans groter is dat zij zelf ook alcoholproblemen zullen krijgen.
- Sociaal-demografische factoren  alcoholverslaving komt meer voor bij mensen
met een lager inkomen en minder opleiding en onder mensen die alleen wonen.
Barbituraten= kalmerende middelen die worden gebruikt om angst te verlichten of slaap op
te wekken en die zeer verslavend werken.
Opiaten  brengen euforie teweeg, een intens gevoel van genot. Het bewustzijn van de
persoonlijke problemen worden verdoofd.
Narcotica= geneesmiddelen die worden gebruikt voor pijnbestrijding en behandeling van
slapeloosheid en die sterk verslavend is (dit zijn opiaten zoals heroïne, codeïne, morfine).

- Endorfinen= natuurlijke stoffen in de hersenen die als neurotransmitters werken met
een effect dat lijkt op dat van morfine.
- Heroïne= een bewustzijnsverlagend middel dat uit morfine wordt bereid en dat sterk
verslavende eigenschappen heeft.
- Morfine= een sterk verslavend, bewustzijnsverlagend middel dat uit de
opiumpapaver wordt bereid; het middel verlicht pijn en veroorzaakt gevoelens van
welbehagen.
Stimulantia= psychoactieve stoffen die de activiteit van het zenuwstelsel verhogen.

- Amfetaminen= typen stimulantia zoals benzedrine of dexedrine (speed, uppers,
meth)
- Ecstasy= een synthetisch harddrug, verwant aan amfetamine, die een lichte euforie
en hallucinaties veroorzaakt.
- Cocaïne= een natuurlijk stimulerend middel dat wordt geëxtraheerd uit de bladeren
van de cocaplant, meestal in poedervorm gesnoven.
- Crack= een vaste vorm van cocaïne, die meestal gerookt wordt soms meer dan 75%
zuiver is.
Zie op blz 265 een tabel over de gezondheidsrisico’s van cocaïnegebruik.
Hallucinogene middelen= stoffen die hallucinaties veroorzaken.

- Lsd is een synthethisbewustzijnsveranderd middel en is vooral tijdens de jaren 70
populair geworden. Brengt levendige kleuren en visuele vertekeningen teweeg. De
effecten zijn onvoorspelbaar en afhankelijk van de gebruikte hoeveelheid,
verwachtingen, persoonlijkheid, stemming en omgeving van de gebruiker.
- Pcp, ook wel angst dust genoemd, werd rond 1950 als anestheticum ontwikkeld. pcp
veroorzaakt hallucinaties, maar ook verhoging hartslag, bloeddruk, transpireren en
verdoofd gevoel.
- Marihuana= een hallucinogeen middel dat wordt bereid uit de bladeren en stengels
van de plant cannabis sativa.


Theoretische perspectieven
1. Biologische perspectieven

Get to know the seller

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
Julajj Hogeschool InHolland
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
26
Member since
5 year
Number of followers
26
Documents
7
Last sold
2 year ago

3.3

4 reviews

5
0
4
3
3
0
2
0
1
1

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions