Psychologie blok 1
Werkcollege 1
Chronische ziekte: ziekte met een langdurig, slepend verloop. Psychologische
aspecten die bij chronisch ziek zijn komen kijken;
- Emotionele crisis; heftige gevoelens van angst en woede wisselen af met
depressieve stemmingen die zich kenmerken door lusteloosheid en apathie
- Adaptieve opgave; de situaties en omstandigheden die door chronisch
zieken als belastend worden ervaren en die een beroep doen op hun
aanpassingsvermogen
- 30% chronisch zieken ervaren psychologische en/of psychiatrische
problematiek
Horowitz, drie fasen in het aanpassingsproces bij traumatische gebeurtenissen:
Fase 1: emotie onderdrukking en ontkenning in de eerste dagen. Hierdoor raken
mensen niet overweldigd door heftige emoties
Fase 2: na enkele dagen dringt het door wat er is gebeurt en is er een periode
van emotionele onrust.
Fase 3: na 2 weken start adaptatie, ze pakken hun activiteiten weer op.
Weisman, vier fasen van het psychologische aanpassingsproces:
Existentiële crisis: in deze periode staat het leven in het teken van de ziekte. Het
gewone dagelijkse leven is ontregeld en wordt gedomineerd door bezoeken aan
artsen en ziekenhuis. De stemming van patiënten is in deze fase heeft erg grote
schommelingen, hierbij wisselen pessimisme en optimisme elkaar af. De
overheersende houding is van vertrouwen en optimisme.
Accommodatie: begint meestal na enkele weken en in deze fase staat de
medische behandeling primair in het teken van consolidatie van de toestand. Er
is meer rust, de zorgen over leven en dood zijn minder actueel. De meeste
mensen slagen er goed in om zich aan te passen aan de nieuwe situatie. Men
onderkent de problemen en pakt ze actief aan.
Verslechtering van de toestand: als de ziekte terugkomt of verslechtering
optreedt. In deze fase neemt de kwaliteit van leven af en verergeren de
symptomen en beperkingen. In deze fase herleven ze de existentiële crisis, er
zijn vergelijkbare emotionele reacties en onzekerheden over leven en dood. Het
aanvankelijke optimisme maakt plaats voor pessimisme. Ontkenning wordt
afgewisseld met realisme en bezorgdheid.
Terminale fase: deze fase gaat in als duidelijk is dat genezing en uitstel niet meer
mogelijk zijn. De patiënt nadert gestaag het einde. De kwaliteit van leven is
drastisch verminderd. Ontkenning komt zelden voor en men heeft een passieve
houding.
Locus of control: de mate waarin we de gebeurtenissen in ons leven in de hand
denken te hebben. Als je bijv. gelooft dat hard studeren tot goede cijfers leidt,
heb je een interne locus of control. De doorslaggevende invloed op je gedrag
bevindt zich binnenin je. Iemand die het gevoel heeft dat zijn lot bepaald wordt
door een toevallige bevlieging of geluk, heeft daarentegen een externe locus of
control.
Reacties bij jonge kinderen tijdens/na een ziekenhuisopname:
- Verlating; het kind is los van zijn vertrouwde omgeving die normaal
veiligheid biedt.
1
, - Verlies; het kind verlies zijn zelfstandigheid en kan niet meer voor zichzelf
zorgen.
- Angst; verlies of verandering van bewustzijn door narcose of medicijnen
kan angst oproepen. De ingrepen op het lichaam kunnen ervaren worden
als aantasting van het lichaam. Het kind kan het idee hebben dat zijn
lichaam hem in de steek laat.
- Machteloosheid; een opname overkomt een kind en verliest de controle
over zijn leven.
- Verraad; de gevoelens van verlating kunnen leiden tot het gevoel van
verraad, de ouders worden niet meer betrouwbaar gezien. Dit kan weer
leiden tot eenzaamheid.
- Schuldgevoel; jonge kinderen denken vaak dat ze naar het ziekenhuis
moeten, omdat ze stout zijn geweest.
Zuigelingen 0-1 jaar: rond de 8-9 maanden is er een risico bij het
hechtingsproces.
Peuters & kleuters 1-5 jaar: angst, lastig als ze een eigen wil krijgen, denken dat
ze stout zijn geweest => zijn lief in het ziekenhuis. Angst voor beschadiging van
eigen lichaam, zelfstandigheid terugval. Regressie <-> veiligheid verdwijnt.
Schoolkinderen 6-12 jaar: sociale omgeving, kinderen nemen sneller dingen van
elkaar op. Angst voor beschadiging lichaam, alleen bij pijn.
Voorbereiden op ziekenhuisopname: boekjes met plaatjes lezen/bekijken,
spelenderwijs met dokters koffertje, kind alvast de afdeling laten zien.
Als je kinderen iets nieuws vertelt, kan je dat aan iets bekends koppelen, dan
snappen ze het beter. Dominant denkproces is assimilatie: het opnemen van
nieuwe informatie zodanig dat het past in zijn denken, bijv. blaasontsteking =>
iets met blazen.
Adolescent 12+: kinderen gaan niet goed met ziekte om, samen kijken hoe op te
lossen.
Voorbereiden op ziekenhuisopname: uitleggen door middel van taal.
Rond de 11 jaar kan je in volwassen taal iets vertellen, de ziekte projecteren op
een knuffel dat mee is.
Werkcollege 2
Symptomen dementie:
- Stoornissen in het geheugen
- Emotionele uitbarstingen
- Verandering in de persoonlijkheid
- Decorumverlies; verliest de goede manieren uit het oog
- Desoriëntatie in tijd en plaats
- Desoriëntatie in persoon
- Afasie; niet goed meer kunnen spreken en/of gesproken taal niet goed
meer kunnen begrijpen
- Agnosie; voorwerpen niet meer kunnen herkennen
- Apraxie; handelingen niet meer goed kunnen verrichten
Oorzaken dementie:
- Ziekte van alzheimer
- Multi-infarct dementie; de dementie wordt door een aantal kleine beroertes
in de hersenen veroorzaakt.
- Combinatie van alzheimer en Multi-infarct dementie
- Ziekte van Parkinson
- Ziekte van Pick
- Ziekte van Creutzfeldt-Jacob
2
, - Infectieziekten, bijv. aids
- Depressie (tijdelijk)
Realiteits-oriëntatietrainingen: patiënten met beginnende dementie op de
realiteit te laten oriënteren, de mogelijkheid waarover de patiënt beschikt in
stand houden, bijv. door de krant te lezen. Deze training heeft zin als de patiënt
in de desoriëntatie in tijd en plaats fase zit.
Factoren van invloed op dementeringsproces:
- Sociale omstandigheden: contact met familie, stress volle situaties,
leefklimaat, plotselinge veranderingen in omgeving
- Lichamelijke omstandigheden: ziektes
- Persoonlijkheid: optimistisch/pessimistisch, aanpassing
Communicatieregels bij dementiepatiënten:
- Heb geduld
- Probeer de patiënt op de realiteit te oriënteren
- Patiënten geestelijk niet te zwaar belasten
- Praat nooit over de patiënt in zijn aanwezigheid
- Als verbale communicatie moeilijk is, probeer anders te communiceren
- Treed de patiënt altijd met volste respect tegemoet
Depressiviteit: gemoedstoestand die gekenmerkt wordt door onprettige,
negatieve gevoelens over de eigen persoon en/of het leven en/of de toekomst.
Dit hebben we allemaal wel eens.
Depressiviteit als symptoom: wanneer de stemmingsdaling te lang duurt of te
heftig is. Ook als de depressie blijft terwijl de oorzaak al weg is.
Depressie als syndroom: cluster van symptomen dat verantwoordelijk is voor een
psychisch lijden, terwijl het dagelijkse functioneren steeds moeilijker wordt.
Depressieve stemmingsstoornis: persoon voelt zich voor minstens twee weken
depressief en ongeïnteresseerd.
Vormen van depressie;
Geagiteerde depressie: persoon is erg druk en opgewonden.
Reactieve depressie: als gevolg van bepaalde gebeurtenis.
Endogene depressie: als gevolg van factoren van binnenuit.
Exogene depressie: als gevolg van factoren van buitenaf.
Postnatale depressie: vlak na de bevalling. Opvallend is de radeloze rusteloosheid
van de moeder.
Climacterische depressie: tijdens de overgang kan deze optreden bij vrouwen.
Midlifecrisis: personen hebben het gevoel dat ze het niet gemaakt hebben, kan
voorkomen bij mannen en vrouwen.
Pre-, peri-, en postmenstruele depressie: vlak voor, tijdens of na de menstruatie.
Misschien spelen hormonale veranderingen hier een rol, maar aangetoond is dit
niet.
Pathologisch rouwproces: rouw blijft lang en intens voortduren, langer dan een
jaar.
Manisch-depressief: periodes extreem goed en extreem slecht.
Symptomen van een depressie:
- Slechte eetlust
- Slecht slapen
- Verlies van energie
- Apathie; gebrek aan motivatie en emoties
- Gevoelens van lusteloosheid en waardeloosheid
- Gedachten aan de dood
- Besluiteloosheid
- Depressie stemming
3
Werkcollege 1
Chronische ziekte: ziekte met een langdurig, slepend verloop. Psychologische
aspecten die bij chronisch ziek zijn komen kijken;
- Emotionele crisis; heftige gevoelens van angst en woede wisselen af met
depressieve stemmingen die zich kenmerken door lusteloosheid en apathie
- Adaptieve opgave; de situaties en omstandigheden die door chronisch
zieken als belastend worden ervaren en die een beroep doen op hun
aanpassingsvermogen
- 30% chronisch zieken ervaren psychologische en/of psychiatrische
problematiek
Horowitz, drie fasen in het aanpassingsproces bij traumatische gebeurtenissen:
Fase 1: emotie onderdrukking en ontkenning in de eerste dagen. Hierdoor raken
mensen niet overweldigd door heftige emoties
Fase 2: na enkele dagen dringt het door wat er is gebeurt en is er een periode
van emotionele onrust.
Fase 3: na 2 weken start adaptatie, ze pakken hun activiteiten weer op.
Weisman, vier fasen van het psychologische aanpassingsproces:
Existentiële crisis: in deze periode staat het leven in het teken van de ziekte. Het
gewone dagelijkse leven is ontregeld en wordt gedomineerd door bezoeken aan
artsen en ziekenhuis. De stemming van patiënten is in deze fase heeft erg grote
schommelingen, hierbij wisselen pessimisme en optimisme elkaar af. De
overheersende houding is van vertrouwen en optimisme.
Accommodatie: begint meestal na enkele weken en in deze fase staat de
medische behandeling primair in het teken van consolidatie van de toestand. Er
is meer rust, de zorgen over leven en dood zijn minder actueel. De meeste
mensen slagen er goed in om zich aan te passen aan de nieuwe situatie. Men
onderkent de problemen en pakt ze actief aan.
Verslechtering van de toestand: als de ziekte terugkomt of verslechtering
optreedt. In deze fase neemt de kwaliteit van leven af en verergeren de
symptomen en beperkingen. In deze fase herleven ze de existentiële crisis, er
zijn vergelijkbare emotionele reacties en onzekerheden over leven en dood. Het
aanvankelijke optimisme maakt plaats voor pessimisme. Ontkenning wordt
afgewisseld met realisme en bezorgdheid.
Terminale fase: deze fase gaat in als duidelijk is dat genezing en uitstel niet meer
mogelijk zijn. De patiënt nadert gestaag het einde. De kwaliteit van leven is
drastisch verminderd. Ontkenning komt zelden voor en men heeft een passieve
houding.
Locus of control: de mate waarin we de gebeurtenissen in ons leven in de hand
denken te hebben. Als je bijv. gelooft dat hard studeren tot goede cijfers leidt,
heb je een interne locus of control. De doorslaggevende invloed op je gedrag
bevindt zich binnenin je. Iemand die het gevoel heeft dat zijn lot bepaald wordt
door een toevallige bevlieging of geluk, heeft daarentegen een externe locus of
control.
Reacties bij jonge kinderen tijdens/na een ziekenhuisopname:
- Verlating; het kind is los van zijn vertrouwde omgeving die normaal
veiligheid biedt.
1
, - Verlies; het kind verlies zijn zelfstandigheid en kan niet meer voor zichzelf
zorgen.
- Angst; verlies of verandering van bewustzijn door narcose of medicijnen
kan angst oproepen. De ingrepen op het lichaam kunnen ervaren worden
als aantasting van het lichaam. Het kind kan het idee hebben dat zijn
lichaam hem in de steek laat.
- Machteloosheid; een opname overkomt een kind en verliest de controle
over zijn leven.
- Verraad; de gevoelens van verlating kunnen leiden tot het gevoel van
verraad, de ouders worden niet meer betrouwbaar gezien. Dit kan weer
leiden tot eenzaamheid.
- Schuldgevoel; jonge kinderen denken vaak dat ze naar het ziekenhuis
moeten, omdat ze stout zijn geweest.
Zuigelingen 0-1 jaar: rond de 8-9 maanden is er een risico bij het
hechtingsproces.
Peuters & kleuters 1-5 jaar: angst, lastig als ze een eigen wil krijgen, denken dat
ze stout zijn geweest => zijn lief in het ziekenhuis. Angst voor beschadiging van
eigen lichaam, zelfstandigheid terugval. Regressie <-> veiligheid verdwijnt.
Schoolkinderen 6-12 jaar: sociale omgeving, kinderen nemen sneller dingen van
elkaar op. Angst voor beschadiging lichaam, alleen bij pijn.
Voorbereiden op ziekenhuisopname: boekjes met plaatjes lezen/bekijken,
spelenderwijs met dokters koffertje, kind alvast de afdeling laten zien.
Als je kinderen iets nieuws vertelt, kan je dat aan iets bekends koppelen, dan
snappen ze het beter. Dominant denkproces is assimilatie: het opnemen van
nieuwe informatie zodanig dat het past in zijn denken, bijv. blaasontsteking =>
iets met blazen.
Adolescent 12+: kinderen gaan niet goed met ziekte om, samen kijken hoe op te
lossen.
Voorbereiden op ziekenhuisopname: uitleggen door middel van taal.
Rond de 11 jaar kan je in volwassen taal iets vertellen, de ziekte projecteren op
een knuffel dat mee is.
Werkcollege 2
Symptomen dementie:
- Stoornissen in het geheugen
- Emotionele uitbarstingen
- Verandering in de persoonlijkheid
- Decorumverlies; verliest de goede manieren uit het oog
- Desoriëntatie in tijd en plaats
- Desoriëntatie in persoon
- Afasie; niet goed meer kunnen spreken en/of gesproken taal niet goed
meer kunnen begrijpen
- Agnosie; voorwerpen niet meer kunnen herkennen
- Apraxie; handelingen niet meer goed kunnen verrichten
Oorzaken dementie:
- Ziekte van alzheimer
- Multi-infarct dementie; de dementie wordt door een aantal kleine beroertes
in de hersenen veroorzaakt.
- Combinatie van alzheimer en Multi-infarct dementie
- Ziekte van Parkinson
- Ziekte van Pick
- Ziekte van Creutzfeldt-Jacob
2
, - Infectieziekten, bijv. aids
- Depressie (tijdelijk)
Realiteits-oriëntatietrainingen: patiënten met beginnende dementie op de
realiteit te laten oriënteren, de mogelijkheid waarover de patiënt beschikt in
stand houden, bijv. door de krant te lezen. Deze training heeft zin als de patiënt
in de desoriëntatie in tijd en plaats fase zit.
Factoren van invloed op dementeringsproces:
- Sociale omstandigheden: contact met familie, stress volle situaties,
leefklimaat, plotselinge veranderingen in omgeving
- Lichamelijke omstandigheden: ziektes
- Persoonlijkheid: optimistisch/pessimistisch, aanpassing
Communicatieregels bij dementiepatiënten:
- Heb geduld
- Probeer de patiënt op de realiteit te oriënteren
- Patiënten geestelijk niet te zwaar belasten
- Praat nooit over de patiënt in zijn aanwezigheid
- Als verbale communicatie moeilijk is, probeer anders te communiceren
- Treed de patiënt altijd met volste respect tegemoet
Depressiviteit: gemoedstoestand die gekenmerkt wordt door onprettige,
negatieve gevoelens over de eigen persoon en/of het leven en/of de toekomst.
Dit hebben we allemaal wel eens.
Depressiviteit als symptoom: wanneer de stemmingsdaling te lang duurt of te
heftig is. Ook als de depressie blijft terwijl de oorzaak al weg is.
Depressie als syndroom: cluster van symptomen dat verantwoordelijk is voor een
psychisch lijden, terwijl het dagelijkse functioneren steeds moeilijker wordt.
Depressieve stemmingsstoornis: persoon voelt zich voor minstens twee weken
depressief en ongeïnteresseerd.
Vormen van depressie;
Geagiteerde depressie: persoon is erg druk en opgewonden.
Reactieve depressie: als gevolg van bepaalde gebeurtenis.
Endogene depressie: als gevolg van factoren van binnenuit.
Exogene depressie: als gevolg van factoren van buitenaf.
Postnatale depressie: vlak na de bevalling. Opvallend is de radeloze rusteloosheid
van de moeder.
Climacterische depressie: tijdens de overgang kan deze optreden bij vrouwen.
Midlifecrisis: personen hebben het gevoel dat ze het niet gemaakt hebben, kan
voorkomen bij mannen en vrouwen.
Pre-, peri-, en postmenstruele depressie: vlak voor, tijdens of na de menstruatie.
Misschien spelen hormonale veranderingen hier een rol, maar aangetoond is dit
niet.
Pathologisch rouwproces: rouw blijft lang en intens voortduren, langer dan een
jaar.
Manisch-depressief: periodes extreem goed en extreem slecht.
Symptomen van een depressie:
- Slechte eetlust
- Slecht slapen
- Verlies van energie
- Apathie; gebrek aan motivatie en emoties
- Gevoelens van lusteloosheid en waardeloosheid
- Gedachten aan de dood
- Besluiteloosheid
- Depressie stemming
3