Strafrecht stof
Week 1a
Het legaliteitsbeginsel leeft vermoedelijk inderdaad als algemene notie dat voor
strafrechtelijke aansprakelijkheid in de eerste plaats een wettelijke basis is vereist en dat in
de tweede plaats terugwerkende kracht van strafbaarstellingen of van regels over
strafhoogte en strafsoort niet geoorloofd is.
Op welke overwegingen is het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel gebaseerd? Belangrijk is het
schuldgezichtspunt op basis waarvan niemand mag worden bestraft indien hij niet wist of
kon weten dat zijn gedrag verboden was.
Bovendien is vooral de rechtsstaatgedachte van actueel belang: iedere machtsuitoefening
door of namens de overheid behoort te zijn gebaseerd op tijdig uitgevaardigde rechtsregels
van goede kwaliteit. In die zin is het legaliteitsbeginsel niet in materiële zin.
Zowel voor de wetgever als voor de strafrechter is het verbod van terugwerkende kracht van
strafwetgeving een fundamentele consequentie van het legaliteitsbeginsel. De Hoge Raad
benadrukt ook dat art. 16 GW en art. 1 lid 1 Sr in dit opzicht 'een ongeclausuleerd verbod'
bevatten. Op de keper beschouwd is alleen dit aspect van het beginsel met zoveel woorden
in art. 1 lid 1 Sr neergelegd, zoals ook in 1886 in de sobere toelichting naar voren kwam. Het
verbod van terugwerkende kracht vloeit rechtstreeks voort uit de klassieke grondslagen van
het legaliteitsbeginsel: de rechtszekerheid, de preventie en het schuldgezichtspunt
impliceren dat strafwetgeving geen terugwerkende kracht mag hebben, voor zover dat
althans in het nadeel van de verdachte is.
Ook los hiervan moet de wetgever echter op grond van het legaliteitsbeginsel de kwaliteit
van de strafwetgeving bewaken in het licht van maatschappelijke ontwikkelingen,
hedendaagse opvattingen en nieuwe rechtspraak. Volledig in onbruik geraakte normen
verdienen dan eveneens aandacht, zoals de wetgever in 2005 terecht onder ogen zag.
Daarom moet strafwetgeving af en toe opnieuw tegen het licht worden gehouden (waarbij de
meeste regels vermoedelijk in grote lijnen in stand kunnen blijven).
Zo’n heroverweging bevordert de legitimatie en de technische kwaliteit van de wetgeving.
Op welke onderdelen van de strafwetgeving heeft het verbod van terugwerkende kracht
betrekking? Nieuwe strafbaarstellingen en veranderingen in bijvoorbeeld
delictsomschrijvingen (tenzij deze veranderingen tot een beperking van de aansprakelijkheid
leiden) mogen in ieder geval niet op reeds gepleegde feiten van toepassing worden
verklaard. Hetzelfde geldt voor een verandering in de wettelijke regeling van een algemeen
leerstuk die tot een uitbreiding van de strafrechtelijke aansprakelijkheid leidt, zoals bij de
strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen.
Wijzigingen in de jurisprudentie verdienen aparte aandacht. Het komt regelmatig voor dat na
het plegen van het feit, maar voor de berechting een verruimende interpretatie van de
delictsomschrijving in de rechtspraak wordt aanvaard en als het ware direct ingaat en wordt
toegepast. Zulke extensieve interpretatie levert een (doorgaans) aanvaardbaar geachte
relativering van het verbod van terugwerkende kracht op. Veelal gaat het om geleidelijke
ontwikkelingen waarvan de kenbaarheid en voorspelbaarheid redelijk zijn gewaarborgd.
Week 1a
Het legaliteitsbeginsel leeft vermoedelijk inderdaad als algemene notie dat voor
strafrechtelijke aansprakelijkheid in de eerste plaats een wettelijke basis is vereist en dat in
de tweede plaats terugwerkende kracht van strafbaarstellingen of van regels over
strafhoogte en strafsoort niet geoorloofd is.
Op welke overwegingen is het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel gebaseerd? Belangrijk is het
schuldgezichtspunt op basis waarvan niemand mag worden bestraft indien hij niet wist of
kon weten dat zijn gedrag verboden was.
Bovendien is vooral de rechtsstaatgedachte van actueel belang: iedere machtsuitoefening
door of namens de overheid behoort te zijn gebaseerd op tijdig uitgevaardigde rechtsregels
van goede kwaliteit. In die zin is het legaliteitsbeginsel niet in materiële zin.
Zowel voor de wetgever als voor de strafrechter is het verbod van terugwerkende kracht van
strafwetgeving een fundamentele consequentie van het legaliteitsbeginsel. De Hoge Raad
benadrukt ook dat art. 16 GW en art. 1 lid 1 Sr in dit opzicht 'een ongeclausuleerd verbod'
bevatten. Op de keper beschouwd is alleen dit aspect van het beginsel met zoveel woorden
in art. 1 lid 1 Sr neergelegd, zoals ook in 1886 in de sobere toelichting naar voren kwam. Het
verbod van terugwerkende kracht vloeit rechtstreeks voort uit de klassieke grondslagen van
het legaliteitsbeginsel: de rechtszekerheid, de preventie en het schuldgezichtspunt
impliceren dat strafwetgeving geen terugwerkende kracht mag hebben, voor zover dat
althans in het nadeel van de verdachte is.
Ook los hiervan moet de wetgever echter op grond van het legaliteitsbeginsel de kwaliteit
van de strafwetgeving bewaken in het licht van maatschappelijke ontwikkelingen,
hedendaagse opvattingen en nieuwe rechtspraak. Volledig in onbruik geraakte normen
verdienen dan eveneens aandacht, zoals de wetgever in 2005 terecht onder ogen zag.
Daarom moet strafwetgeving af en toe opnieuw tegen het licht worden gehouden (waarbij de
meeste regels vermoedelijk in grote lijnen in stand kunnen blijven).
Zo’n heroverweging bevordert de legitimatie en de technische kwaliteit van de wetgeving.
Op welke onderdelen van de strafwetgeving heeft het verbod van terugwerkende kracht
betrekking? Nieuwe strafbaarstellingen en veranderingen in bijvoorbeeld
delictsomschrijvingen (tenzij deze veranderingen tot een beperking van de aansprakelijkheid
leiden) mogen in ieder geval niet op reeds gepleegde feiten van toepassing worden
verklaard. Hetzelfde geldt voor een verandering in de wettelijke regeling van een algemeen
leerstuk die tot een uitbreiding van de strafrechtelijke aansprakelijkheid leidt, zoals bij de
strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen.
Wijzigingen in de jurisprudentie verdienen aparte aandacht. Het komt regelmatig voor dat na
het plegen van het feit, maar voor de berechting een verruimende interpretatie van de
delictsomschrijving in de rechtspraak wordt aanvaard en als het ware direct ingaat en wordt
toegepast. Zulke extensieve interpretatie levert een (doorgaans) aanvaardbaar geachte
relativering van het verbod van terugwerkende kracht op. Veelal gaat het om geleidelijke
ontwikkelingen waarvan de kenbaarheid en voorspelbaarheid redelijk zijn gewaarborgd.