Sociologie bestudeert interactie.
!Wat is interactie?
Gedrag van mensen tegenover elkaar.
!5 basisvormen van sociale interactie
1. Uitwisseling of sociale ruil.
a. = iets doen vanuit het idee dat je er iets voor terug krijgt.
b. Vb: de peter zorgt voor de suikerbonen en de meter voor een geschenkje voor de
kinderen.
2. Samenwerking
a. = met 2 naar hetzelfde doel toewerken.
b. Vb: Greet en haar partner verwachten een kind. Terwijl hij een bedje timmert,
klasseert zij gekregen kleedjes op maat .
3. Conflict
a. = ik heb een doel, jij hebt een doel, die 2 zijn moeilijk samen te brengen.
b. Vb: De peter en meter raakten het moeilijk eens over de suikerbonen; wie betaalt,
welke doosjes, wel of geen bonen met amandelnoot.
4. Conformiteit
a. = iedereen past zich een beetje aan aan de doelen die verwacht worden.
b. Vb: Greet en haar partner besluiten het kind na de geboorte te laten dopen. Niet
zozeer omwille van hun geloof. Wel omdat de familie dit verwacht.
5. Machtsuitoefening
a. = ik leg mijn doelen op aan jou.
1 VV in het gezin: sociologie les 1
b. Vb: De zwangerschap loopt goed, ze laten zich voornamelijk begeleiden door de
huisarts, maar soms gaan ze naar de gynaecoloog. Deze is, in hun ogen, erg bekwaam
maar ‘kort van stof’. Hij gebruikt medische termen die echt chinees zijn voor hen.
Was het echt wel nodig om een vruchtwaterpunctie te laten uitvoeren?
Sociologische invulling van het woord sociaal.
Je bent altijd sociaal want je bent altijd wel deel van een bepaald netwerk.
Waarom kan de sociologie vroedvrouwen helpen bij de uitoefening van hun beroep?
Om het verschil en relaties tussen mensen te begrijpen.
Sociale structuur
!Sociale positie:
Toegewezen: zelf niet gekozen, niet naartoe gewerkt.
o Vb: zus in het gezin, vrouw van in het gezin.
Verworven: zelf gekozen, naartoe gewerkt.
o Vb: vroedvrouw in het ziekenhuis, klant bij de bakker.
!Sociale status:
= De waardering die je krijgt voor je positie.
!Wat is interactie?
Gedrag van mensen tegenover elkaar.
!5 basisvormen van sociale interactie
1. Uitwisseling of sociale ruil.
a. = iets doen vanuit het idee dat je er iets voor terug krijgt.
b. Vb: de peter zorgt voor de suikerbonen en de meter voor een geschenkje voor de
kinderen.
2. Samenwerking
a. = met 2 naar hetzelfde doel toewerken.
b. Vb: Greet en haar partner verwachten een kind. Terwijl hij een bedje timmert,
klasseert zij gekregen kleedjes op maat .
3. Conflict
a. = ik heb een doel, jij hebt een doel, die 2 zijn moeilijk samen te brengen.
b. Vb: De peter en meter raakten het moeilijk eens over de suikerbonen; wie betaalt,
welke doosjes, wel of geen bonen met amandelnoot.
4. Conformiteit
a. = iedereen past zich een beetje aan aan de doelen die verwacht worden.
b. Vb: Greet en haar partner besluiten het kind na de geboorte te laten dopen. Niet
zozeer omwille van hun geloof. Wel omdat de familie dit verwacht.
5. Machtsuitoefening
a. = ik leg mijn doelen op aan jou.
1 VV in het gezin: sociologie les 1
b. Vb: De zwangerschap loopt goed, ze laten zich voornamelijk begeleiden door de
huisarts, maar soms gaan ze naar de gynaecoloog. Deze is, in hun ogen, erg bekwaam
maar ‘kort van stof’. Hij gebruikt medische termen die echt chinees zijn voor hen.
Was het echt wel nodig om een vruchtwaterpunctie te laten uitvoeren?
Sociologische invulling van het woord sociaal.
Je bent altijd sociaal want je bent altijd wel deel van een bepaald netwerk.
Waarom kan de sociologie vroedvrouwen helpen bij de uitoefening van hun beroep?
Om het verschil en relaties tussen mensen te begrijpen.
Sociale structuur
!Sociale positie:
Toegewezen: zelf niet gekozen, niet naartoe gewerkt.
o Vb: zus in het gezin, vrouw van in het gezin.
Verworven: zelf gekozen, naartoe gewerkt.
o Vb: vroedvrouw in het ziekenhuis, klant bij de bakker.
!Sociale status:
= De waardering die je krijgt voor je positie.