Zorg op maat: dagelijkse zorg
Anatomie en fysiologie
Inleiding
Anatomie= de bouw van het lichaam
Fysiologie= hoe lichaamsfuncties werken
Zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden
Anatomie en fysiologie komt met een eigen taal: Terminologia Anatomica
Menselijk lichaam:
o 11 orgaanstelsels
o Onderling afhankelijk van elkaar – samenwerkend met elkaar
o Streven naar een veilige stabiele werking van deze orgaanstelsels
▪ homeostase (stabiel intern milieu)
▪ Homeostatische regulering: aanpassen van de fysiologische processen die
moeten zorgen voor het handhaven van de homeostase
❖ receptor (gevoelig voor verandering of prikkel → besturingscentrum)
4. Weefsels
Hoofdstuk 4, pagina 111 in het boek
→ kennis en inzicht verwerven in de leerstof
→ toepassing naar de verpleegkunde kunnen verklaren en toepassen
4.1. De vier weefseltypen zijn epitheel, bindweefsel, spierweefsel en zenuwweefsel
Differentiatie van cellen
Geen enkele cel is in staat alle functies van het menselijk lichaam te verrichten. In plaats
daarvan is elke cel door differentiatie zodanig gespecialiseerd, dat deze een betrekkelijk
beperkte reeks functies kan uitvoeren
Uitschakelen van een gen zorgt voor specialisatie van de cel (differentiatie)
Samenwerking van cellen met eenzelfde specialisatie – cluster van cellen met
eenzelfde specialisatie = weefsel
Hoewel er triljoenen afzonderlijke cellen in het menselijke lichaam zijn, zijn er slechts circa
200 verschillende celtypen. Deze celtypen zijn tot weefsels gegroepeerd
= verzamelingen gespecialiseerde cellen en celproducten die een beperkt aantal functies
verrichten
De histologie (histos, weefsel) is het bestuderen van weefsels. Histologen onderscheiden vier
basale weefseltypen
Vier basisweefseltypen: Weefsels zijn groepen cellen en extra-cellulaire stoffen die
o Dekweefsels een specifieke, maar beperkte reeks functies vervullen, er zijn
o Bindweefsels 4 weefseltypen; alle structuren in het menselijk lichaam zijn
o Spierweefsels uit verschillende combinaties van deze 4 weefsels
o Zenuwweefsels opgebouwd. De 4 weefseltypen staan hiernaast
,4.2. Epitheel bekleedt lichaamsoppervlakten, holten en buisvormige structuren en
vervult belangrijke functies
Epitheel bestaat uit lagen cellen die in- of uitwendige oppervlakten bekleden + uit klieren
Klieren bestaan uit cellen die producten afscheiden (bv. zweetklieren die temperatuur op
peil houden en dan zweet gaan afgeven)
Kenmerken van epitheel:
o Structuur: cellen dicht opeengepakt – bij andere weefseltypen liggen de celen soms
ver uiteen en zijn ze door extracellulaire stoffen gescheiden
o Ze hebben een vrij (apicaal) oppervlak dat aan de omgeving, of aan een inwendig
compartiment, of inwendige transportbuis, is blootgesteld
o Basaalmembraan: verbindt de weefsels met onderliggende structuren
o Avasculair: afwezigheid bloedvaten (weefsel krijgt geen bloed), hierdoor moeten ze
hun voedingsstoffen vanuit dieper gelegen weefsels opnemen
o Regeneratie: constante vervanging cellen (die aan het blootgestelde oppervlak
beschadigd raken of verloren gaan)
,4.2.1. functies van epitheel
Functies:
o Fysieke bescherming bieden
▪ Bescherming tegen externe invloeden en schadelijke stoffen (bv. schaven,
beschermen tegen het zuur in de maag want dit is te zuur, bacteriën, …)
o Doorlaatbaarheid reguleren
▪ Alle stoffen die het lichaam in – uit gaan moeten doorheen een epitheel
▪ Sommige epithelia zijn goed doorlaatbaar (kunnen grote moleculen zoals
eiwitten doorlaten), andere quasi ondoorlaatbaar
o Zintuigfunctie
▪ Nemen veranderingen waar in de omgeving
▪ Geven informatie door aan het zenuwstelsel
o Vorming gespecialiseerde klierproducten
Epitheelcellen die klierproducten vormen, worden kliercellen genoemd,
afzonderlijke kliercellen liggen meestal verspreid tussen andere celtypen in
het epitheel.
In een klierepitheel produceren de meeste of alle cellen actief bepaalde
klierproducten. Deze worden ingedeeld aan de hand van de plaats waar ze
worden afgegeven:
▪ Exocriene → afgeven klierproduct aan externa oppervlak epitheel/
dekweefsel (bv. enzymen)
▪ Endocriene → afgeven klierproduct aan omringend weefselvocht of
bloed = hormonen
4.2.2. /
, 4.2.3. Het epitheeloppervlak
Apicaal oppervlak van epitheel:
o Is blootgesteld aan een interne of externe omgeving
o Heel gespecialiseerde structuren
o Veel soorten epitheel die inwendige transportbuizen bekleden, hebben microvilli op
hun buitenste oppervlak
→ Het aantal kan uiteenlopen van slechts enkele tot een dermate grote
hoeveelheid zodat ze het hele oppervlak bedekken
→ Vooral op epitheeloppervlakten, waar opname en afgifte plaatsvinden = veel
microvilli (voorbeelden van plaatsen: spijsverteringskanaal/ urinewegen)
▪ Deze epithelia zijn gespecialiseerd in actief en passief transport van
stoffen door het plasmamembraan
Het oppervlak van een cel met microvilli is minstens 20 keer zo
groot als dat van een cel die geen microvilli heeft: hoe groter
het oppervlak van een plasmamembraan, hoe meer
transporteiwitten aan het milieu buiten de cel zijn blootgesteld
o Enkele soorten epitheel hebben trilharen op hun uitwendig oppervlak
→ De meesten cellen in trilhaarepitheel hebben ongeveer 250 trilharen die op
gecoördineerde wijze bewegen om stoffen te verplaatsen
4.2.4. Het basale membraan
o Ligt tussen het epitheel en de onderliggende bindweefsels
o Stevige binding tussen dekweefsel en onderliggende bindweefsels (zo zijn de
epitheelcellen dus ook stevig verbonden aan het lichaam)
o Bestaat uit netwerk van eiwitvezels – bevat geen cellen
Functies:
o Stevigheid en weerstand tegen vervuiling
o Barriére tegen verplaatsing eiwitten en andere moleculen vanuit bindweefsels
richting dekweefsels
4.2.5. Vernieuwing en herstel van epitheel
Zoals gezegd zijn ze avascuair en doen aan regeneratie → dus permannate vernieuwing
nodig van dekweefsel
o Een epitheel moet zichzelf voortdurend herstellen en vernieuwen. Sommige
epitheelcellen blijven slechts 1-2 dagen in leven, doordat ze verloren gaan of worden
beschadigd door blootstelling aan schadelijke enzymen, giftige stoffen,
ziekteverwekkende MO of mechanische slijtage.
o De enige manier waarop epitheel zijn structuur in de loop van de tijd kan handhaven,
is door de voortdurende deling van ongedifferentieerde celen (zogenaamde
stamcellen of kiemcellen).
Deze zijn te vinden in de diepste laag van het epitheel, vlakbij het basale membraan
Anatomie en fysiologie
Inleiding
Anatomie= de bouw van het lichaam
Fysiologie= hoe lichaamsfuncties werken
Zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden
Anatomie en fysiologie komt met een eigen taal: Terminologia Anatomica
Menselijk lichaam:
o 11 orgaanstelsels
o Onderling afhankelijk van elkaar – samenwerkend met elkaar
o Streven naar een veilige stabiele werking van deze orgaanstelsels
▪ homeostase (stabiel intern milieu)
▪ Homeostatische regulering: aanpassen van de fysiologische processen die
moeten zorgen voor het handhaven van de homeostase
❖ receptor (gevoelig voor verandering of prikkel → besturingscentrum)
4. Weefsels
Hoofdstuk 4, pagina 111 in het boek
→ kennis en inzicht verwerven in de leerstof
→ toepassing naar de verpleegkunde kunnen verklaren en toepassen
4.1. De vier weefseltypen zijn epitheel, bindweefsel, spierweefsel en zenuwweefsel
Differentiatie van cellen
Geen enkele cel is in staat alle functies van het menselijk lichaam te verrichten. In plaats
daarvan is elke cel door differentiatie zodanig gespecialiseerd, dat deze een betrekkelijk
beperkte reeks functies kan uitvoeren
Uitschakelen van een gen zorgt voor specialisatie van de cel (differentiatie)
Samenwerking van cellen met eenzelfde specialisatie – cluster van cellen met
eenzelfde specialisatie = weefsel
Hoewel er triljoenen afzonderlijke cellen in het menselijke lichaam zijn, zijn er slechts circa
200 verschillende celtypen. Deze celtypen zijn tot weefsels gegroepeerd
= verzamelingen gespecialiseerde cellen en celproducten die een beperkt aantal functies
verrichten
De histologie (histos, weefsel) is het bestuderen van weefsels. Histologen onderscheiden vier
basale weefseltypen
Vier basisweefseltypen: Weefsels zijn groepen cellen en extra-cellulaire stoffen die
o Dekweefsels een specifieke, maar beperkte reeks functies vervullen, er zijn
o Bindweefsels 4 weefseltypen; alle structuren in het menselijk lichaam zijn
o Spierweefsels uit verschillende combinaties van deze 4 weefsels
o Zenuwweefsels opgebouwd. De 4 weefseltypen staan hiernaast
,4.2. Epitheel bekleedt lichaamsoppervlakten, holten en buisvormige structuren en
vervult belangrijke functies
Epitheel bestaat uit lagen cellen die in- of uitwendige oppervlakten bekleden + uit klieren
Klieren bestaan uit cellen die producten afscheiden (bv. zweetklieren die temperatuur op
peil houden en dan zweet gaan afgeven)
Kenmerken van epitheel:
o Structuur: cellen dicht opeengepakt – bij andere weefseltypen liggen de celen soms
ver uiteen en zijn ze door extracellulaire stoffen gescheiden
o Ze hebben een vrij (apicaal) oppervlak dat aan de omgeving, of aan een inwendig
compartiment, of inwendige transportbuis, is blootgesteld
o Basaalmembraan: verbindt de weefsels met onderliggende structuren
o Avasculair: afwezigheid bloedvaten (weefsel krijgt geen bloed), hierdoor moeten ze
hun voedingsstoffen vanuit dieper gelegen weefsels opnemen
o Regeneratie: constante vervanging cellen (die aan het blootgestelde oppervlak
beschadigd raken of verloren gaan)
,4.2.1. functies van epitheel
Functies:
o Fysieke bescherming bieden
▪ Bescherming tegen externe invloeden en schadelijke stoffen (bv. schaven,
beschermen tegen het zuur in de maag want dit is te zuur, bacteriën, …)
o Doorlaatbaarheid reguleren
▪ Alle stoffen die het lichaam in – uit gaan moeten doorheen een epitheel
▪ Sommige epithelia zijn goed doorlaatbaar (kunnen grote moleculen zoals
eiwitten doorlaten), andere quasi ondoorlaatbaar
o Zintuigfunctie
▪ Nemen veranderingen waar in de omgeving
▪ Geven informatie door aan het zenuwstelsel
o Vorming gespecialiseerde klierproducten
Epitheelcellen die klierproducten vormen, worden kliercellen genoemd,
afzonderlijke kliercellen liggen meestal verspreid tussen andere celtypen in
het epitheel.
In een klierepitheel produceren de meeste of alle cellen actief bepaalde
klierproducten. Deze worden ingedeeld aan de hand van de plaats waar ze
worden afgegeven:
▪ Exocriene → afgeven klierproduct aan externa oppervlak epitheel/
dekweefsel (bv. enzymen)
▪ Endocriene → afgeven klierproduct aan omringend weefselvocht of
bloed = hormonen
4.2.2. /
, 4.2.3. Het epitheeloppervlak
Apicaal oppervlak van epitheel:
o Is blootgesteld aan een interne of externe omgeving
o Heel gespecialiseerde structuren
o Veel soorten epitheel die inwendige transportbuizen bekleden, hebben microvilli op
hun buitenste oppervlak
→ Het aantal kan uiteenlopen van slechts enkele tot een dermate grote
hoeveelheid zodat ze het hele oppervlak bedekken
→ Vooral op epitheeloppervlakten, waar opname en afgifte plaatsvinden = veel
microvilli (voorbeelden van plaatsen: spijsverteringskanaal/ urinewegen)
▪ Deze epithelia zijn gespecialiseerd in actief en passief transport van
stoffen door het plasmamembraan
Het oppervlak van een cel met microvilli is minstens 20 keer zo
groot als dat van een cel die geen microvilli heeft: hoe groter
het oppervlak van een plasmamembraan, hoe meer
transporteiwitten aan het milieu buiten de cel zijn blootgesteld
o Enkele soorten epitheel hebben trilharen op hun uitwendig oppervlak
→ De meesten cellen in trilhaarepitheel hebben ongeveer 250 trilharen die op
gecoördineerde wijze bewegen om stoffen te verplaatsen
4.2.4. Het basale membraan
o Ligt tussen het epitheel en de onderliggende bindweefsels
o Stevige binding tussen dekweefsel en onderliggende bindweefsels (zo zijn de
epitheelcellen dus ook stevig verbonden aan het lichaam)
o Bestaat uit netwerk van eiwitvezels – bevat geen cellen
Functies:
o Stevigheid en weerstand tegen vervuiling
o Barriére tegen verplaatsing eiwitten en andere moleculen vanuit bindweefsels
richting dekweefsels
4.2.5. Vernieuwing en herstel van epitheel
Zoals gezegd zijn ze avascuair en doen aan regeneratie → dus permannate vernieuwing
nodig van dekweefsel
o Een epitheel moet zichzelf voortdurend herstellen en vernieuwen. Sommige
epitheelcellen blijven slechts 1-2 dagen in leven, doordat ze verloren gaan of worden
beschadigd door blootstelling aan schadelijke enzymen, giftige stoffen,
ziekteverwekkende MO of mechanische slijtage.
o De enige manier waarop epitheel zijn structuur in de loop van de tijd kan handhaven,
is door de voortdurende deling van ongedifferentieerde celen (zogenaamde
stamcellen of kiemcellen).
Deze zijn te vinden in de diepste laag van het epitheel, vlakbij het basale membraan