Ontstaan bloemen
Bloemen→voortplanting plant = nieuwe planten.
1. Bloembodem: zitten andere delen van de bloem vast.
2. Kelkbladeren: groene blaadjes → beschermd bloem tegen kou, uitdroging,
beschadiging voor knop.
3. Nectarkliertjes: kliertjes onder in bloem, maken nectar aan. Nectar = zoete vloeistof,
dat insecten eten.
4. Kroonbladeren: gekleurde bloemblaadjes, dat insecten lokt.
5. Stamper: midden in bloem = voor voortplanting.
6. Meeldraden: voor voortplanting, rondom stamper.
Meeldraad onderdelen
● Helmknop →ontstaan stuifmeelkorrels.
● Helmdraad → onderste deel van meeldraad.
● Stuifmeelkorrels →mannelijke voortplantingscellen van plant, gemaakt in helmknop.
● Voortplantingscellen → stuifmeel = nieuwe plant.
Stamper onderdelen
● Stempel →bovenste deel van stamper, bij bestuiving blijft stuifmeel plakken.
● Stijl → middelste deel van stamper.
● Vruchtbeginsel → onderste deel van stamper, waar zaadbeginsels met eicellen zit,
na bevruchting wordt vrucht.
● Zaadbeginsels →zitten in een vruchtbeginsel, na bevruchting wordt zaad.
● Eicel →vrouwelijk voortplantingscel, ligt bij planten in een zaadbeginsel.
De stuifmeelkorrels + de eicellen= voortplantingscellen van een plant. Als een
stuifmeelkorrel + een eicel = een zaadje → kan later ontkiemen, uitgroeien tot nieuwe plant.
Bestuiving
Voortplanting
a. Bestuiving: Stuifmeel van meeldraden → stamper (dezelfde plant).
b. Op andere soort plant terecht (twee verschillende planten): kruisbestuiving.
c. Op ‘zichzelf’: zelfbestuiving.
Gebeurt door:
a. Insecten
Bloemen die door insecten worden bestoven, heten insectenbloemen.
Gelokte insecten zorgen voor bestuiving. Ze zoeken naar nectar, om dat te vinden:
1. Kruipt onder in de bloem.
2. Raakt meeldraden aan.
3. Komt stuifmeel op z’n lichaam
4. Gaat naar andere bloem.
5. Raakt stempel aan.
Bloemen→voortplanting plant = nieuwe planten.
1. Bloembodem: zitten andere delen van de bloem vast.
2. Kelkbladeren: groene blaadjes → beschermd bloem tegen kou, uitdroging,
beschadiging voor knop.
3. Nectarkliertjes: kliertjes onder in bloem, maken nectar aan. Nectar = zoete vloeistof,
dat insecten eten.
4. Kroonbladeren: gekleurde bloemblaadjes, dat insecten lokt.
5. Stamper: midden in bloem = voor voortplanting.
6. Meeldraden: voor voortplanting, rondom stamper.
Meeldraad onderdelen
● Helmknop →ontstaan stuifmeelkorrels.
● Helmdraad → onderste deel van meeldraad.
● Stuifmeelkorrels →mannelijke voortplantingscellen van plant, gemaakt in helmknop.
● Voortplantingscellen → stuifmeel = nieuwe plant.
Stamper onderdelen
● Stempel →bovenste deel van stamper, bij bestuiving blijft stuifmeel plakken.
● Stijl → middelste deel van stamper.
● Vruchtbeginsel → onderste deel van stamper, waar zaadbeginsels met eicellen zit,
na bevruchting wordt vrucht.
● Zaadbeginsels →zitten in een vruchtbeginsel, na bevruchting wordt zaad.
● Eicel →vrouwelijk voortplantingscel, ligt bij planten in een zaadbeginsel.
De stuifmeelkorrels + de eicellen= voortplantingscellen van een plant. Als een
stuifmeelkorrel + een eicel = een zaadje → kan later ontkiemen, uitgroeien tot nieuwe plant.
Bestuiving
Voortplanting
a. Bestuiving: Stuifmeel van meeldraden → stamper (dezelfde plant).
b. Op andere soort plant terecht (twee verschillende planten): kruisbestuiving.
c. Op ‘zichzelf’: zelfbestuiving.
Gebeurt door:
a. Insecten
Bloemen die door insecten worden bestoven, heten insectenbloemen.
Gelokte insecten zorgen voor bestuiving. Ze zoeken naar nectar, om dat te vinden:
1. Kruipt onder in de bloem.
2. Raakt meeldraden aan.
3. Komt stuifmeel op z’n lichaam
4. Gaat naar andere bloem.
5. Raakt stempel aan.