werkwoorden + -ING FORM werkwoorden +INFINITIVE
voorbeelden voorbeelden
1) woorden als zelfstandig nw gebruiken 1) would + infinitief
Smoking is bad (= het roken) I would like to help you
Studying is necessary I would like to bring you home
2) met "dislike, enjoy, look 2) reden/doel "waarom" je iets doet
forward to, avoid, miss, can't
stane
I enjoy seeing her again after all these years I'm taking a year off to travel round the world
I miss talking to him I'm reading this book to learn something more
about animals
I'm looking forward to seeing him again
3) werkwoorden met een voorzetsel verbonden 3) met "agree, arrange, expect,
hope, manage, offer, plan, prepare,
promise, refuse, afford, want, would
like"
I'm keen on travelling We agreed to meet next next week
I'm worried about taking so many days of holiday We arranged to meet next week
ook ... We expected to meet next week
to listen to ; to lean on ; to talk about ; to think about,... We hope to meet next week
We will manage to meet next week
..... to meet next week
4) verschillende betekenis 4) verschillende betekenis
stop I stopped reading a book (= ik ben ermee gestopt) stop I stopped to read a book (= ik ben gestopt om
een boek te kunnen lezen)
remember I remember seeing Ken (= ik herinner het mij dat ik heb remember I remembered to see Ken (= ik ben naar hem
gezien heb) toe gegaan, ik heb eraan gedacht)
forget I forgot buying a present for him (= ik ben vergeten dat ik forget I forgot to buy a present (= ik ben vergeten om
dat vroeger heb gedaan) dat te doen)
go on He goes on teasing me go on He goes on to tease me
regret I regret saying those words (= ik heb spijt dat ik die regret I regret to say that (= het spijt me dat ...)
woorden heb gezegd).
voorbeelden voorbeelden
1) woorden als zelfstandig nw gebruiken 1) would + infinitief
Smoking is bad (= het roken) I would like to help you
Studying is necessary I would like to bring you home
2) met "dislike, enjoy, look 2) reden/doel "waarom" je iets doet
forward to, avoid, miss, can't
stane
I enjoy seeing her again after all these years I'm taking a year off to travel round the world
I miss talking to him I'm reading this book to learn something more
about animals
I'm looking forward to seeing him again
3) werkwoorden met een voorzetsel verbonden 3) met "agree, arrange, expect,
hope, manage, offer, plan, prepare,
promise, refuse, afford, want, would
like"
I'm keen on travelling We agreed to meet next next week
I'm worried about taking so many days of holiday We arranged to meet next week
ook ... We expected to meet next week
to listen to ; to lean on ; to talk about ; to think about,... We hope to meet next week
We will manage to meet next week
..... to meet next week
4) verschillende betekenis 4) verschillende betekenis
stop I stopped reading a book (= ik ben ermee gestopt) stop I stopped to read a book (= ik ben gestopt om
een boek te kunnen lezen)
remember I remember seeing Ken (= ik herinner het mij dat ik heb remember I remembered to see Ken (= ik ben naar hem
gezien heb) toe gegaan, ik heb eraan gedacht)
forget I forgot buying a present for him (= ik ben vergeten dat ik forget I forgot to buy a present (= ik ben vergeten om
dat vroeger heb gedaan) dat te doen)
go on He goes on teasing me go on He goes on to tease me
regret I regret saying those words (= ik heb spijt dat ik die regret I regret to say that (= het spijt me dat ...)
woorden heb gezegd).