1. Inleiding
FILOSOFIE
= Philo: die houdt van Sophia: wijsheid
= radicaal en fundamenteel nadenken vanuit de ervaring v verwondering.
het vermogen tot bewustzijn v zichzelf
= epochaal = het gegeven dat filosofie zich afspeelt dicht bij het concrete leven
(Socrates)
= wetenschappelijk streven naar kennis om de tijd en wereld te doorgronden
1.1. Radicaal en fundamenteel nadenken
‘An sich versus fur mich’ = de werkelijkheid zoals ze is VS de werkelijkheid zoals wij
ze zien.
Filosofie benadert de werkelijkheid in haar geheel
o Radicaal= graaft naar wortels vd werkelijkheid
o Fundamenteel= dringt door tot de fundamenten vd werkelijkheid
2.2. Radicaal en fundamenteel denken vanuit de ervaring en verwondering
Verwondering kracht die mensen in de richting v filosoferen stuwt, de bron v
filosofie.
= de nieuwe ervaring die niet/moeilijk in het systeem past dat je
gevormd hebt
= wonder /=/ mirakel
= mythen wonderlijke voorvallen
= spontaan getroffen, een zekere wonde, bewondering en fascinatie
2. Hoofdstuk 1: veranderd mens- en wereldbeeld
2.1. Filosofie vd westerse cultuur
het wereldbeeld vormt een fundamenteel vd cultuur
alle levensdomeinen
premoderniteit – moderniteit – postmoderniteit
van theemutscultuur naar walkman-ego
, 2.1. Premoderniteit/traditionele wereld (500-1500 nC)
= samenleving en heelal als hierarchsich en organisch geheel
heersend beeld in de westerse maatschappij tijdens de christelijke middeleeuwen
o De werkelijkheid = als levend organisme: hiërarchisch en organisch geheel
o De mens = afhankelijk, niet autonoom
o God(en) = vanzelfsprekend
o De tijd = cyclisch
o De moraal = voorgegeven door de Schepper
o Het leven = platteland & dorpscultuur
Achtergronden:
Germaanse religiositeit
= polythetisch: goden v licht/duisternis/leven/dood/liefde/haat
= hierarchie
= niet relationeel
Onderscheid in primitieve religiositeit
o Animisme
= alles is bezield (indianen, aboriginals)
o Mythologie
= symbolische verhalen, poging om h onzichtbare te verwoorden,
dubbele vooruitgang (personificatie – taal)
Christelijke godsdienst
o Monotheisme
= verbondsgod, actieve god
o Transcendent
= Der ganz Andere
o Openbaring v Godswege
= ontmoeting