Scheikunde 5 vwo Chemie
Overal samenvatting – H8 t/m
H14
Inhoud
Hoofdstuk 8: Zuren.................................................................................................................................2
Hoofdstuk 9: Basen.................................................................................................................................4
Hoofdstuk 10: Analysetechnieken en onderzoek...................................................................................6
Hoofdstuk 11: Redoxreacties..................................................................................................................8
Hoofdstuk 12: Molecuulbouw en stofeigenschappen............................................................................9
Hoofdstuk 13: Kunststoffen..................................................................................................................13
Hoofdstuk 14: Chemie van het leven....................................................................................................15
1
,Hoofdstuk 8: Zuren
Indicatoren = stoffen die in een zure oplossing een andere kleur hebben dan in een oplossing die niet
zuur is. Lakmoes lakmoespapier, wordt rood in zure oplossing / wordt blauw in basische
oplossing. Kunt de pH niet nauwkeurig bepalen, is alleen voor bepalen of opl zuur of basisch is
Universeel indicatorpapier kleurenpapier met bijbehorende pH-waardes
Oplossingen heeft omslagtrajecten kijk binas 52A.
Oplossing kan zuur (pH < 7), basisch (pH>7) of neutraal (pH=7) zijn. Hoe lager pH, hoe zuurder de
oplossing
Zure oplossingen geleiden stroom en bevatten oxoniumionen (H3O+). Het staat
een H+ ion af.
Sterke zuren = splitsen volledig in ionen. Aflopende reactie met één pijl. In een
reactievergelijking met een sterk zuur schrijf je de ionen op. H3O+ (aq) + Z- (aq)
Zwakke zuren = splitsen niet volledig in ionen. Evenwichtsreactie met twee
pijlen. In een reactievergelijking met zwak zuur schrijf je het zuur zelf op, dus
NIET de losse ionen. HZ (aq)
Organische zuren = zuren met koolstofskelet
Enkelwaardig zuur = zuur kan één H+-ion afstaan
Meerwaardig zuur = zuur met meerdere zuurgroepen die meerdere H+-ionen
af kan staan
Zuurrestion = het negatieve geladen ion dat ontstaat naast het oxoniumion. (-
oaat)
Anorganische zuren = zuren zonder koolstofskelet (HCl)
Instabiele zuren = koolzuur en zwaveligzuur. Kan twee H+ ionen afstaan, maar
door onstabiliteit staat het er maar één af. Een meerwaardig zwak zuur verliest in
water maar één H+-ion
Bepaalde ionen, die worden opgelost, kunnen vervolgens met water als zuur
reageren:
NH4Cl (s) NH4+ (aq) + Cl- (aq)
NH4+ (aq) + H2O (l) H3O+ (aq) + NH3 (aq)
Check Binas 49 of zuur sterk/zwak is: zuur is sterk als het boven oxoniumion is,
zwak als het eronder staat. Hoe lager het zuur, hoe zwakker het is. Zuren onder
water geven geen reactie.
pH = -log(H3O+)
[H3O+] = 10-pH
Hoe hoger de concentratie H3O+ , hoe lager de pH. Het aantal significante cijfers
in de [H3O+] moet gelijk zijn aan het aantal decimalen in de pH. Dus als [H 3O+] =
2,4 dan is pH= 1,62
Bij een oplossing van een sterk zuur kun je de pH rechtstreeks berekenen uit de
molariteit van de oplossing. Bij een zwak zuur moet je een
evenwichtsvoorwaarde opstellen:
HZ (aq) + H2O (l) H3O+ (aq) + Z- (aq)
Kz = [H3O+][Z-] / [HZ]
In een evenwichtsvoorwaarde zitten alleen (aq) en (g). hoe lager de Kz, hoe
2
, zwakker het zuur.
Verder moet je een tabel maken:
[H3O+] [Z-] [HZ]
b 0 0 0
r -+ -+ -+
e ? ? ?
3
Overal samenvatting – H8 t/m
H14
Inhoud
Hoofdstuk 8: Zuren.................................................................................................................................2
Hoofdstuk 9: Basen.................................................................................................................................4
Hoofdstuk 10: Analysetechnieken en onderzoek...................................................................................6
Hoofdstuk 11: Redoxreacties..................................................................................................................8
Hoofdstuk 12: Molecuulbouw en stofeigenschappen............................................................................9
Hoofdstuk 13: Kunststoffen..................................................................................................................13
Hoofdstuk 14: Chemie van het leven....................................................................................................15
1
,Hoofdstuk 8: Zuren
Indicatoren = stoffen die in een zure oplossing een andere kleur hebben dan in een oplossing die niet
zuur is. Lakmoes lakmoespapier, wordt rood in zure oplossing / wordt blauw in basische
oplossing. Kunt de pH niet nauwkeurig bepalen, is alleen voor bepalen of opl zuur of basisch is
Universeel indicatorpapier kleurenpapier met bijbehorende pH-waardes
Oplossingen heeft omslagtrajecten kijk binas 52A.
Oplossing kan zuur (pH < 7), basisch (pH>7) of neutraal (pH=7) zijn. Hoe lager pH, hoe zuurder de
oplossing
Zure oplossingen geleiden stroom en bevatten oxoniumionen (H3O+). Het staat
een H+ ion af.
Sterke zuren = splitsen volledig in ionen. Aflopende reactie met één pijl. In een
reactievergelijking met een sterk zuur schrijf je de ionen op. H3O+ (aq) + Z- (aq)
Zwakke zuren = splitsen niet volledig in ionen. Evenwichtsreactie met twee
pijlen. In een reactievergelijking met zwak zuur schrijf je het zuur zelf op, dus
NIET de losse ionen. HZ (aq)
Organische zuren = zuren met koolstofskelet
Enkelwaardig zuur = zuur kan één H+-ion afstaan
Meerwaardig zuur = zuur met meerdere zuurgroepen die meerdere H+-ionen
af kan staan
Zuurrestion = het negatieve geladen ion dat ontstaat naast het oxoniumion. (-
oaat)
Anorganische zuren = zuren zonder koolstofskelet (HCl)
Instabiele zuren = koolzuur en zwaveligzuur. Kan twee H+ ionen afstaan, maar
door onstabiliteit staat het er maar één af. Een meerwaardig zwak zuur verliest in
water maar één H+-ion
Bepaalde ionen, die worden opgelost, kunnen vervolgens met water als zuur
reageren:
NH4Cl (s) NH4+ (aq) + Cl- (aq)
NH4+ (aq) + H2O (l) H3O+ (aq) + NH3 (aq)
Check Binas 49 of zuur sterk/zwak is: zuur is sterk als het boven oxoniumion is,
zwak als het eronder staat. Hoe lager het zuur, hoe zwakker het is. Zuren onder
water geven geen reactie.
pH = -log(H3O+)
[H3O+] = 10-pH
Hoe hoger de concentratie H3O+ , hoe lager de pH. Het aantal significante cijfers
in de [H3O+] moet gelijk zijn aan het aantal decimalen in de pH. Dus als [H 3O+] =
2,4 dan is pH= 1,62
Bij een oplossing van een sterk zuur kun je de pH rechtstreeks berekenen uit de
molariteit van de oplossing. Bij een zwak zuur moet je een
evenwichtsvoorwaarde opstellen:
HZ (aq) + H2O (l) H3O+ (aq) + Z- (aq)
Kz = [H3O+][Z-] / [HZ]
In een evenwichtsvoorwaarde zitten alleen (aq) en (g). hoe lager de Kz, hoe
2
, zwakker het zuur.
Verder moet je een tabel maken:
[H3O+] [Z-] [HZ]
b 0 0 0
r -+ -+ -+
e ? ? ?
3