Hoofdstuk 11 – redox
1. Paragraaf 1 - elektronenoverdracht
Een reactie waarbij elektronenoverdracht plaatsvindt, noem je een REDOX-reactie. Deze
reactie vindt plaats tussen een reductor (donor) en oxidator (acceptor). Je kan voor beiden
een halfreactie opstellen. Als je deze twee bij elkaar optelt ontstaat er een totaalreactie.
Je herkent een REDOX-reactie door te kijken of er elektronenoverdracht plaatsvindt. Je moet
goed opletten of het niet gewoon een zout is.
2. Paragraaf 2 – REDOXkoppels
Alle metalen zijn reductoren, ze vormen positieve ionen en staan dus elektronen af. Hoe
zwakker de reductor, hoe edeler.
De geconjugeerde reductor is de ontstane reductor na de reactie van de oxidator. De
geconjugeerde reductor is samen met de geconjugeerde oxidator een REDOX-koppel.
Een reactie is aflopend als de standaardelektrodepotentiaal hoger is dan 0,3V, er ontstaat
evenwicht als het tussen de –0,3V en 0,3V ligt en anders vindt er geen reactie plaats.
Stappenplan:
a. Inventariseer welke deeltjes er zijn
b. Wat is de sterkste oxidator en wat de sterkste reductor?
c. Verloopt de reactie?
d. Stel de halfreacties en de totaalreacties
e. Controle
3. Paragraaf 3 – Redoxreacties in oplossing
Het milieu van de reactie is van belang, want de deeltjes OH - (basisch), H2O en H+ (zuur)
kunnen betrokken zijn bij de halfreacties.
Je kan ook zelf een halfreactie opstellen:
4. Paragraaf 4 – toepassingen
Een alcohol met een OH-groep die niet aan het uiteinde van een keten zit, reageert als
reductor tot een keton, mits dat er aan het C atoom waar de binding van de OH mee is ook
nog een binding met een H atoom heeft. Alcoholen met een OH-groep en een C-atoom waar
geen H-atoom meer zit, kunnen niet als reductor reageren.
Bij een redoxtitratie hebben alle oxidatordeeltjes gereageerd met reductordeeltjes.
1. Paragraaf 1 - elektronenoverdracht
Een reactie waarbij elektronenoverdracht plaatsvindt, noem je een REDOX-reactie. Deze
reactie vindt plaats tussen een reductor (donor) en oxidator (acceptor). Je kan voor beiden
een halfreactie opstellen. Als je deze twee bij elkaar optelt ontstaat er een totaalreactie.
Je herkent een REDOX-reactie door te kijken of er elektronenoverdracht plaatsvindt. Je moet
goed opletten of het niet gewoon een zout is.
2. Paragraaf 2 – REDOXkoppels
Alle metalen zijn reductoren, ze vormen positieve ionen en staan dus elektronen af. Hoe
zwakker de reductor, hoe edeler.
De geconjugeerde reductor is de ontstane reductor na de reactie van de oxidator. De
geconjugeerde reductor is samen met de geconjugeerde oxidator een REDOX-koppel.
Een reactie is aflopend als de standaardelektrodepotentiaal hoger is dan 0,3V, er ontstaat
evenwicht als het tussen de –0,3V en 0,3V ligt en anders vindt er geen reactie plaats.
Stappenplan:
a. Inventariseer welke deeltjes er zijn
b. Wat is de sterkste oxidator en wat de sterkste reductor?
c. Verloopt de reactie?
d. Stel de halfreacties en de totaalreacties
e. Controle
3. Paragraaf 3 – Redoxreacties in oplossing
Het milieu van de reactie is van belang, want de deeltjes OH - (basisch), H2O en H+ (zuur)
kunnen betrokken zijn bij de halfreacties.
Je kan ook zelf een halfreactie opstellen:
4. Paragraaf 4 – toepassingen
Een alcohol met een OH-groep die niet aan het uiteinde van een keten zit, reageert als
reductor tot een keton, mits dat er aan het C atoom waar de binding van de OH mee is ook
nog een binding met een H atoom heeft. Alcoholen met een OH-groep en een C-atoom waar
geen H-atoom meer zit, kunnen niet als reductor reageren.
Bij een redoxtitratie hebben alle oxidatordeeltjes gereageerd met reductordeeltjes.