Theorielijn A.
Clijsen: psychiatrie voor verpleegkundigen
Hoofdstuk 9 blz 347-362
Verslaving
Vanaf het einde van de vorige eeuw wordt verslaving steeds meer biomedisch omschreven als ‘een
chronische hersenziekte met een destructieve leefstijl voor de persoon die het betreft en diens
omgeving’.
De laatste jaren wordt ook in de verslavingszorg steeds meer gebruikgemaakt van het
biopsychosociaal model. Het is een samenhangend theoretisch raamwerk waarin verschillende
denkmodellen zijn samengevoegd, waarbij steeds ook aandacht is voor het moreel-existentieel
perspectief van de patiënt. Het voordeel van het biopsychosociaal model is dat de denkmodellen die
het bevat, elkaar niet tegenspreken maar juist complementair zijn: eerst het biologische evenwicht
herstellen, vervolgens verbetering tot stand brengen bij de patiënt door psychologische interventies
en behandeling gericht op versterking van de gezonde aspecten in de sociale omgeving.
De verslavende middelen kunnen op basis van hun werking worden onderscheiden in drie soorten, te
weten:
- Stimulerend; onder andere koffie, tabak, cocaïne, amfetamine;
- Verdovend; bijv. kalmerende medicijnen, heroïne, methadon;
- Bewustzijnveranderend: onder meer hasj, lsd, psilocybine;
De pathologie bij verslaafde mensen is vaak complex en wordt gekenmerkt door:
Het gelijktijdig voorkomen van somatische stoornissen die een direct of indirect gevolg zijn
van het gebruik van verslavingsmiddelen;
Het gelijktijdig voorkomen van andere psychiatrische stoornissen;
Het veroorzaken van maatschappelijke overlast of crimineel gedrag;
Het veelvuldig gebruik van meerdere stoffen.
Veel patiënten regelen hun welbevinden met behulp van ‘uppers’ (cocaïne) en downers’ (heroïne).
Polydrugsgebruik: meerdere verslavingen te hebben bijv. marihuana en alcoholverslaving.
Men spreekt van een dubbele diagnose wanneer bij een verslaafde patiënt ook nog ten minste een
andere psychiatrische stoornis volgens de criteria van de DMS-IV wordt vastgesteld. Het gaat
bijvoorbeeld om de combinatie van middelengebruik met een psychotische stoornis, een
persoonlijkheidsstoornis, een stemmingsstoornis of een angststoornis.
Chronische verslaafden zijn patiënten met vaak polydrugsgebruik, een dubbele diagnose en gedrag
dat veelal leidt tot maatschappelijke overlast of criminaliteit. Voor deze doelgroep is het belangrijk
de gezondheidsrisico’s te beperken en de kwaliteit van hun leven te verbeteren.
Behandelingsmethoden
Cognitieve gedragstherapie is gebaseerd op de leertheorie. Er wordt van uitgegaan dat de gedachten
van een persoon de gevoelens en het gedrag beïnvloeden. Cognitieve gedragstherapie is een
verzameling van uiteenlopende cognitieve en gedragsmatige interventies zoals
,zelfcontroletechnieken, terugvalpreventie, sociale vaardigheidstraining en contigency management.
Contigency management richt zich op het direct positief belonen van gewenst gedrag en het
negeren van ongewenst gedrag.
Community reinforcement approach (CRA)
De CRA-behandeling is een set van vooral gedragstherapeutisch technieken die zich richt op het
ontwikkelen van een andere leefstijl, die meer belonend is dan middelengebruik. Centraal staat dat
negatief gedrag zo veel mogelijk wordt genegeerd en positief gedrag wordt beloond.
Motiverende gesprekstechnieken
In het transtheoretische model van verandering worden vijf fasen in het veranderingsproces
onderscheiden:
1. Voorbeschouwingfase, waarin de persoon zich niet bewust is van een probleem en niet
overweegt om het gedrag te veranderen (precontemplatie)
2. Overpeinzingsfase, waarin de persoon voor- en nadelen afweegt en overweegt om het
gedrag te veranderen (contemplatie)
3. Voorbereidingsfase, waarin de persoon zich voorneemt om wat aan het gedrag te doen
(preparatie)
4. Actiefase, waarin het nieuwe gedrag in praktijk wordt gebracht (actie)
5. Fase van gedragsbehoud waarin de persoon het nieuwe gedrag volhoudt en zich eigen maakt
(consolidatie)
De verpleegkundige in de verslavingszorg
Bejegening en motivatie
Tips hoe je de professionele aanpak van de problemen en de bejegening van de patiënt kan
verbeteren:
De verpleegkundige gaat ervan uit dat verslaving een ziekte is waar de patiënt niet van kan
genezen, maar wel van kan herstellen.
De verpleegkundige geeft goede ondersteuning bij de pijn en het lijden van de verslaafde,
maar neemt de verantwoordelijkheid voor het gedrag dat het lijden heeft veroorzaakt niet
over.
De verpleegkundige is duidelijk in contact met patiënten, maakt concrete afspraken en legt
deze vast.
De verpleegkundige geeft redenen voor hoop aan de verslaafde, bijv.: ‘Twee jaar na opname
in een kliniek drinkt de helft van de alcoholverslaafden niet meer’.
Verslaafden hebben sterke gevoelens van minderwaardigheid, schaamte en onzekerheid. Patiënten
uiten dergelijke gevoelens moeilijk of compenseren dit met gedrag. Een verpleegkundige kan deze
gevoelens herkennen bij de patiënt en bespreekbaar maken.
, Nuttige interventies voor de verpleegkundige ter voorkoming van terugval
- De patiënt schrijft dagelijks op hoe hij zich voelt, welke gedachten hij heeft, waar en met wie
hij was, of er sprake was van zucht (craving) en of het middel werd gebruikt: waar, hoeveel
en met wie. Deze zelfregistratie leidt tot een eenvoudige functieanalyse waarmee samen
met de patiënt risicosituaties in kaart worden gebracht die leiden tot gebruik.
- In het algemeen schamen patiënten zich voor uitglijders of terugval, waardoor ze moeilijk
hulp zoeken als dat gebeurt. Er bestaat, tijdens de behandeling, een reële kans op terugval.
Door dit vroegtijdig bespreekbaar te maken kan schaamte voor een deel worden voorkomen.
Vervolgens is het belangrijk dat de verpleegkundige een noodplan opstelt waarin concreet
wordt afgesproken welke acties een patiënt kan ondernemen bij een terugval. In het
noodplaan staan ook telefoonnummers van mensen vermeld met wie de patiënt belt als het
niet goed gaat.
- Ten slotte blijkt dat patiënten moeilijk kunnen omgaan met sociale druk wanneer er
middelen worden aangeboden. De verpleegkundige bespreekt en oefent met de patiënt op
welke wijze hij ‘nee’ kan zeggen als er een middel wordt aangeboden. Familie en vrienden
kunnen hierbij ondersteunend zijn.
Verpleegkundige interventies bij detoxificatie van middelen
- De verpleegkundige observeert onthoudingsverschijnselen met behulp van een objectieve en
een subjectieve onthoudingsschaal. Deze schalen omvatten de belangrijkste klachten en
symptomen die zich kunnen voordoen bij de onthouding van psychoactieve stoffen.
- Hij geeft voorlichting aan de patiënt en zijn omgeving over het proces van detoxificatie als de
patiënt hier gezien de inname van middelen toe in staat is.
- Hij motiveert met behulp van motiverende gesprekstechnieken de patiënt voor verdere
behandeling.
Hoofdstuk 11 blz 415 – 421
Onverklaarde lichamelijke klachten
Indeling van somatoforme stoornissen
Een somatisatiestoornis is een chronische ernstige aandoening die al begint voor het dertigste
levensjaar. Mensen hebben last van talloze onverklaarde lichamelijke klachten, zoals hoofdpijn,
misselijkheid, buikpijn, menstruatieklachten, klachten van het bewegingsapparaat etc. DSM: ten
minste vier pijnklachten, twee klachten die het maag-darmstelsel betreffen, 1 seksuele en 1
neurologische klacht.
Veruit het grootste deel van mensen met onverklaarde lichamelijke klachten valt in de categorie
ongedifferentieerde somatoforme stoornis. Hieronder vallen ook de zogenoemde functionele
syndromen, bijv. het chronischevermoeidheidssyndroom (CVS) en ook de mensen die één
onverklaarde klacht persenteren.
Bij een conversiestoornis is er psrake van lichamelijke klachten zonder oorzaak. De meest
voorkomende vormen van conversie zijn verlamming van de ledematen, uitval van zintuigen of
spraak of motorische stoornissen zoals stuipen.
Clijsen: psychiatrie voor verpleegkundigen
Hoofdstuk 9 blz 347-362
Verslaving
Vanaf het einde van de vorige eeuw wordt verslaving steeds meer biomedisch omschreven als ‘een
chronische hersenziekte met een destructieve leefstijl voor de persoon die het betreft en diens
omgeving’.
De laatste jaren wordt ook in de verslavingszorg steeds meer gebruikgemaakt van het
biopsychosociaal model. Het is een samenhangend theoretisch raamwerk waarin verschillende
denkmodellen zijn samengevoegd, waarbij steeds ook aandacht is voor het moreel-existentieel
perspectief van de patiënt. Het voordeel van het biopsychosociaal model is dat de denkmodellen die
het bevat, elkaar niet tegenspreken maar juist complementair zijn: eerst het biologische evenwicht
herstellen, vervolgens verbetering tot stand brengen bij de patiënt door psychologische interventies
en behandeling gericht op versterking van de gezonde aspecten in de sociale omgeving.
De verslavende middelen kunnen op basis van hun werking worden onderscheiden in drie soorten, te
weten:
- Stimulerend; onder andere koffie, tabak, cocaïne, amfetamine;
- Verdovend; bijv. kalmerende medicijnen, heroïne, methadon;
- Bewustzijnveranderend: onder meer hasj, lsd, psilocybine;
De pathologie bij verslaafde mensen is vaak complex en wordt gekenmerkt door:
Het gelijktijdig voorkomen van somatische stoornissen die een direct of indirect gevolg zijn
van het gebruik van verslavingsmiddelen;
Het gelijktijdig voorkomen van andere psychiatrische stoornissen;
Het veroorzaken van maatschappelijke overlast of crimineel gedrag;
Het veelvuldig gebruik van meerdere stoffen.
Veel patiënten regelen hun welbevinden met behulp van ‘uppers’ (cocaïne) en downers’ (heroïne).
Polydrugsgebruik: meerdere verslavingen te hebben bijv. marihuana en alcoholverslaving.
Men spreekt van een dubbele diagnose wanneer bij een verslaafde patiënt ook nog ten minste een
andere psychiatrische stoornis volgens de criteria van de DMS-IV wordt vastgesteld. Het gaat
bijvoorbeeld om de combinatie van middelengebruik met een psychotische stoornis, een
persoonlijkheidsstoornis, een stemmingsstoornis of een angststoornis.
Chronische verslaafden zijn patiënten met vaak polydrugsgebruik, een dubbele diagnose en gedrag
dat veelal leidt tot maatschappelijke overlast of criminaliteit. Voor deze doelgroep is het belangrijk
de gezondheidsrisico’s te beperken en de kwaliteit van hun leven te verbeteren.
Behandelingsmethoden
Cognitieve gedragstherapie is gebaseerd op de leertheorie. Er wordt van uitgegaan dat de gedachten
van een persoon de gevoelens en het gedrag beïnvloeden. Cognitieve gedragstherapie is een
verzameling van uiteenlopende cognitieve en gedragsmatige interventies zoals
,zelfcontroletechnieken, terugvalpreventie, sociale vaardigheidstraining en contigency management.
Contigency management richt zich op het direct positief belonen van gewenst gedrag en het
negeren van ongewenst gedrag.
Community reinforcement approach (CRA)
De CRA-behandeling is een set van vooral gedragstherapeutisch technieken die zich richt op het
ontwikkelen van een andere leefstijl, die meer belonend is dan middelengebruik. Centraal staat dat
negatief gedrag zo veel mogelijk wordt genegeerd en positief gedrag wordt beloond.
Motiverende gesprekstechnieken
In het transtheoretische model van verandering worden vijf fasen in het veranderingsproces
onderscheiden:
1. Voorbeschouwingfase, waarin de persoon zich niet bewust is van een probleem en niet
overweegt om het gedrag te veranderen (precontemplatie)
2. Overpeinzingsfase, waarin de persoon voor- en nadelen afweegt en overweegt om het
gedrag te veranderen (contemplatie)
3. Voorbereidingsfase, waarin de persoon zich voorneemt om wat aan het gedrag te doen
(preparatie)
4. Actiefase, waarin het nieuwe gedrag in praktijk wordt gebracht (actie)
5. Fase van gedragsbehoud waarin de persoon het nieuwe gedrag volhoudt en zich eigen maakt
(consolidatie)
De verpleegkundige in de verslavingszorg
Bejegening en motivatie
Tips hoe je de professionele aanpak van de problemen en de bejegening van de patiënt kan
verbeteren:
De verpleegkundige gaat ervan uit dat verslaving een ziekte is waar de patiënt niet van kan
genezen, maar wel van kan herstellen.
De verpleegkundige geeft goede ondersteuning bij de pijn en het lijden van de verslaafde,
maar neemt de verantwoordelijkheid voor het gedrag dat het lijden heeft veroorzaakt niet
over.
De verpleegkundige is duidelijk in contact met patiënten, maakt concrete afspraken en legt
deze vast.
De verpleegkundige geeft redenen voor hoop aan de verslaafde, bijv.: ‘Twee jaar na opname
in een kliniek drinkt de helft van de alcoholverslaafden niet meer’.
Verslaafden hebben sterke gevoelens van minderwaardigheid, schaamte en onzekerheid. Patiënten
uiten dergelijke gevoelens moeilijk of compenseren dit met gedrag. Een verpleegkundige kan deze
gevoelens herkennen bij de patiënt en bespreekbaar maken.
, Nuttige interventies voor de verpleegkundige ter voorkoming van terugval
- De patiënt schrijft dagelijks op hoe hij zich voelt, welke gedachten hij heeft, waar en met wie
hij was, of er sprake was van zucht (craving) en of het middel werd gebruikt: waar, hoeveel
en met wie. Deze zelfregistratie leidt tot een eenvoudige functieanalyse waarmee samen
met de patiënt risicosituaties in kaart worden gebracht die leiden tot gebruik.
- In het algemeen schamen patiënten zich voor uitglijders of terugval, waardoor ze moeilijk
hulp zoeken als dat gebeurt. Er bestaat, tijdens de behandeling, een reële kans op terugval.
Door dit vroegtijdig bespreekbaar te maken kan schaamte voor een deel worden voorkomen.
Vervolgens is het belangrijk dat de verpleegkundige een noodplan opstelt waarin concreet
wordt afgesproken welke acties een patiënt kan ondernemen bij een terugval. In het
noodplaan staan ook telefoonnummers van mensen vermeld met wie de patiënt belt als het
niet goed gaat.
- Ten slotte blijkt dat patiënten moeilijk kunnen omgaan met sociale druk wanneer er
middelen worden aangeboden. De verpleegkundige bespreekt en oefent met de patiënt op
welke wijze hij ‘nee’ kan zeggen als er een middel wordt aangeboden. Familie en vrienden
kunnen hierbij ondersteunend zijn.
Verpleegkundige interventies bij detoxificatie van middelen
- De verpleegkundige observeert onthoudingsverschijnselen met behulp van een objectieve en
een subjectieve onthoudingsschaal. Deze schalen omvatten de belangrijkste klachten en
symptomen die zich kunnen voordoen bij de onthouding van psychoactieve stoffen.
- Hij geeft voorlichting aan de patiënt en zijn omgeving over het proces van detoxificatie als de
patiënt hier gezien de inname van middelen toe in staat is.
- Hij motiveert met behulp van motiverende gesprekstechnieken de patiënt voor verdere
behandeling.
Hoofdstuk 11 blz 415 – 421
Onverklaarde lichamelijke klachten
Indeling van somatoforme stoornissen
Een somatisatiestoornis is een chronische ernstige aandoening die al begint voor het dertigste
levensjaar. Mensen hebben last van talloze onverklaarde lichamelijke klachten, zoals hoofdpijn,
misselijkheid, buikpijn, menstruatieklachten, klachten van het bewegingsapparaat etc. DSM: ten
minste vier pijnklachten, twee klachten die het maag-darmstelsel betreffen, 1 seksuele en 1
neurologische klacht.
Veruit het grootste deel van mensen met onverklaarde lichamelijke klachten valt in de categorie
ongedifferentieerde somatoforme stoornis. Hieronder vallen ook de zogenoemde functionele
syndromen, bijv. het chronischevermoeidheidssyndroom (CVS) en ook de mensen die één
onverklaarde klacht persenteren.
Bij een conversiestoornis is er psrake van lichamelijke klachten zonder oorzaak. De meest
voorkomende vormen van conversie zijn verlamming van de ledematen, uitval van zintuigen of
spraak of motorische stoornissen zoals stuipen.