Kritisch denken samenvatting
Kritisch denken – de stadia van facione
Twee systemen van denken :
Systeem 1: doet alles zonder na te denken, dus intuïtief. Werkt automatisch en snel, kost
weinig tot geen inspanning. Heeft geen gevoel van controle.
Systeem 2 : Denkt rationeel, vergt mentale inspanning en vraagt concentratie, werkt traag.
Men moet dus echt zich concentreren en goed nadenken wil het dit systeem gebruiken.
Priming is een ander woord voor waarnemen. Vaak gebeurd er wanneer jij overal de kleur paars ziet
en je gaat erna winkelen, dat je dan een paars shirtje koopt.
De rode draad van kritisch denken :
Interpreteren – Betekenis geven
Analyseren – Verbanden leggen
Evalueren – Beoordelen
Gevolgtrekken – Conclusies trekken
Verklaren – Verklaren
Zelf-reguleren – Jezelf sturen
Interpreteren = duiden, opvatten, uitleggen, verklaren, begrijpen. Interpreteren heeft dus te maken
met lezen (en luisteren) en met ervaren (en opvatten).
Wat iemand zegt = verbale communicatie
Hoe iemand iets zegt = intonatie
De gezichtsuitdrukking ebrij = mimiek
Lichaamshouding = non-verbale communicatie
Analyseren = ontleden, oftewel de afzonderlijke delen waaruit iets bestaat op zichzelf en in
betrekking tot elkaar beschouwen, om vervolgens tot een interpretatie te kunnen komen. Dus
onderzoeken.
Evalueren = de waarden, het belang, de betekenis schatten of keuren van iets. Vaststellen wat iets
waard is. (Wat zijn de gegevens waard? Hoe zijn ze verzameld? Zijn ze volledig?)
Gevolgtrekken = concluderen, afleiden, besluiten, vaststellen. De gevolgen van het effect dus
vaststellen.
Verklaren = staat voor uitleggen, de betekenis van iets duidelijk maken, toelichten en ophelderen.
Zelf-reguleren = dit houdt in dat jezelf bewust bent van je eigen denkactiviteiten, zelf je
vooroordelen in een bepaalde situatie analyseert en evalueert.
,Waarschijnlijk vs aannemelijk
Vraag: wat studeert Erik?
Erik zit in het laatste jaar van zijn studie aan de HHS. Rangschik de volgorde van opleidingen op
basis van de kans dat Erik deze studie volgt. Noteer 1 bij de studie met de meeste kans en 7 bij
de studie met de minste kans.
• Accountancy
• Commerciële Economie
• Sportmanagement
• Technische informatica
• HBO-rechten
• Bouwkunde
• Verpleegkunde
Op basis van de harde studentenaantallen die je hiernaast ziet, is de kans het grootst dat Erik
HBO-rechten studeert. De kans daarna is CE.
De wet van kleine getallen
Bij kleine hogescholen in het oosten van het land pakken we minder knikkers dan bij grote
hogenscholen in de randstad (want ze zijn kleiner). Extreme uitkomsten (zeer goede of zeer slechte
resultaten) zullen eerder voorkomen bij hogescholen met minder studenten.
De regressie naar het gemiddelde
Een slechte prestatie wordt meestal gevolgd door een betere en een goede prestatie door een
mindere. Dit is een statistische wet ( als enige mate van toeval een rol speelt). Er is dus lang niet altijd
een causaal verband (maar wel een statistisch verband.)
Kritisch denken en kritisch onderzoek doen
Redenering
We argumenteren allemaal dagelijks om met bepaalde argumenten, standpunten kracht bij te
zetten.
Voorbeeld 1: Die winkel is duur, je kunt beter ergens anders inkopen doen. Hierbij is het argument :
die winkel is duur. En het standpunt is dan : je kunt beter ergens anders inkopen doen.
Voorbeeld 2 : Je moet veel fruit eten, dat is goed voor je gezondheid. Hierbij is het argument : dat is
goed voor je gezondheid. En het standpunt is : je moet veel fruit eten.
Na : Dus, derhalve, daarom, daaruit volgt komt altijd een standpunt
Na: want, omdat, immers, aangezien komt altijd een argument
Een ander woord voor argument is premisse
Een ander woord een standpunt is : conclusie, stelling, mening of een these.
Een redenering wordt ook wel een argumentatie genoemd
, SOORTEN ARGUMENTATIE STRUCTUREN
Stelling: Die jongen deugt niet, want hij sloeg zijn zusje.
In deze redenering is : de jongen deugt niet het standpunt en want hij sloeg zijn zusje het argument.
Als er bij een stelling maar één argument wordt gegeven, is er sprake van een enkelvoudige
argumentatie.
------------------------------------------------------------- ----------------------------------------------------------------
Stelling: Die jongen deugt niet, want hij sloeg zijn zusje en hij schopte haar hondje.
Hierbij zijn hij sloeg zijn zusje en schopte haar hondje allebei onafhankelijke argumenten die het
standpunt kracht bij zetten. Een redenering waarbij meerdere argumenten worden gegeven, heet
een meervoudige argumentatie.
Stelling: Ik wil niet met Piet samenwerken, aangezien ik hem niet vertrouw. Vorige keer liet hij
namelijk zijn partner in de steek.
In deze redenering is : ik wil niet met Piet samenwerken het standpunt, dat ondersteunt wordt door
het argument : ik vertrouw hem niet. Dit argument wordt zelf weer ondersteunt door een ander
argument, namelijk : vorige keer liet hij zijn partner in de steek. Deze vorm van argumentatie wordt
onderschikkende argumentatie genoemd.
Stelling : Ik voel er niets voor vriendschap te sluiten met Jan, want ik vind hem niet sympathiek. Hij
sloeg namelijk zijn zusje en schopte haar hondje.
Een Complexe argumentatie . Hierbij is sprake van een combinatie van onderschikkende en
meervoudige argumentatie. Het standpunt is : Ik voel er niets voor vriendschap te sluiten met Jan. Dit
wordt ondersteund door het argument : ik vind hem niet sympathiek. Dit argument wordt op zijn
beurt meervoudig ondersteund door twee argumenten : Hij sloeg zijn zusje en schopte haar hondje.
Er zijn ook argumenten die een bepaald standpunt juist aanvallen. Bijv:
‘’ Jansen liet zijn partner vorig jaar in de steek. Toch denk ik dat het een goed idee is om met hem
samen te werken. Hij heeft namelijk verstand van zaken doen. ‘’
Het standpunt is : Het is een goed idee om met jansen samen te werken. Er wordt één argument
aangevoerd : Hij heeft verstand van zaken doen. Daarnaast wordt één argument tegen het standpunt
genoemd : Jansen liet vorig jaar zijn partner in de steek.
Een argument tegen een standpunt wordt een tegenargument of contra-argument genoemd
Syllogisme (met rondjes tekenen). Kenmerkend voor een syllogisme is dat er uitspraken over
groepen, klassen, verzamelingen of eigenschappen worden gedaan. (argumenten worden ook wel
premissen genoemd) Bijv.
Alle steden hebben een gemeentebestuur
Deventer is een stad
Dus : Deventer heeft een gemeentebestuur
Kritisch denken – de stadia van facione
Twee systemen van denken :
Systeem 1: doet alles zonder na te denken, dus intuïtief. Werkt automatisch en snel, kost
weinig tot geen inspanning. Heeft geen gevoel van controle.
Systeem 2 : Denkt rationeel, vergt mentale inspanning en vraagt concentratie, werkt traag.
Men moet dus echt zich concentreren en goed nadenken wil het dit systeem gebruiken.
Priming is een ander woord voor waarnemen. Vaak gebeurd er wanneer jij overal de kleur paars ziet
en je gaat erna winkelen, dat je dan een paars shirtje koopt.
De rode draad van kritisch denken :
Interpreteren – Betekenis geven
Analyseren – Verbanden leggen
Evalueren – Beoordelen
Gevolgtrekken – Conclusies trekken
Verklaren – Verklaren
Zelf-reguleren – Jezelf sturen
Interpreteren = duiden, opvatten, uitleggen, verklaren, begrijpen. Interpreteren heeft dus te maken
met lezen (en luisteren) en met ervaren (en opvatten).
Wat iemand zegt = verbale communicatie
Hoe iemand iets zegt = intonatie
De gezichtsuitdrukking ebrij = mimiek
Lichaamshouding = non-verbale communicatie
Analyseren = ontleden, oftewel de afzonderlijke delen waaruit iets bestaat op zichzelf en in
betrekking tot elkaar beschouwen, om vervolgens tot een interpretatie te kunnen komen. Dus
onderzoeken.
Evalueren = de waarden, het belang, de betekenis schatten of keuren van iets. Vaststellen wat iets
waard is. (Wat zijn de gegevens waard? Hoe zijn ze verzameld? Zijn ze volledig?)
Gevolgtrekken = concluderen, afleiden, besluiten, vaststellen. De gevolgen van het effect dus
vaststellen.
Verklaren = staat voor uitleggen, de betekenis van iets duidelijk maken, toelichten en ophelderen.
Zelf-reguleren = dit houdt in dat jezelf bewust bent van je eigen denkactiviteiten, zelf je
vooroordelen in een bepaalde situatie analyseert en evalueert.
,Waarschijnlijk vs aannemelijk
Vraag: wat studeert Erik?
Erik zit in het laatste jaar van zijn studie aan de HHS. Rangschik de volgorde van opleidingen op
basis van de kans dat Erik deze studie volgt. Noteer 1 bij de studie met de meeste kans en 7 bij
de studie met de minste kans.
• Accountancy
• Commerciële Economie
• Sportmanagement
• Technische informatica
• HBO-rechten
• Bouwkunde
• Verpleegkunde
Op basis van de harde studentenaantallen die je hiernaast ziet, is de kans het grootst dat Erik
HBO-rechten studeert. De kans daarna is CE.
De wet van kleine getallen
Bij kleine hogescholen in het oosten van het land pakken we minder knikkers dan bij grote
hogenscholen in de randstad (want ze zijn kleiner). Extreme uitkomsten (zeer goede of zeer slechte
resultaten) zullen eerder voorkomen bij hogescholen met minder studenten.
De regressie naar het gemiddelde
Een slechte prestatie wordt meestal gevolgd door een betere en een goede prestatie door een
mindere. Dit is een statistische wet ( als enige mate van toeval een rol speelt). Er is dus lang niet altijd
een causaal verband (maar wel een statistisch verband.)
Kritisch denken en kritisch onderzoek doen
Redenering
We argumenteren allemaal dagelijks om met bepaalde argumenten, standpunten kracht bij te
zetten.
Voorbeeld 1: Die winkel is duur, je kunt beter ergens anders inkopen doen. Hierbij is het argument :
die winkel is duur. En het standpunt is dan : je kunt beter ergens anders inkopen doen.
Voorbeeld 2 : Je moet veel fruit eten, dat is goed voor je gezondheid. Hierbij is het argument : dat is
goed voor je gezondheid. En het standpunt is : je moet veel fruit eten.
Na : Dus, derhalve, daarom, daaruit volgt komt altijd een standpunt
Na: want, omdat, immers, aangezien komt altijd een argument
Een ander woord voor argument is premisse
Een ander woord een standpunt is : conclusie, stelling, mening of een these.
Een redenering wordt ook wel een argumentatie genoemd
, SOORTEN ARGUMENTATIE STRUCTUREN
Stelling: Die jongen deugt niet, want hij sloeg zijn zusje.
In deze redenering is : de jongen deugt niet het standpunt en want hij sloeg zijn zusje het argument.
Als er bij een stelling maar één argument wordt gegeven, is er sprake van een enkelvoudige
argumentatie.
------------------------------------------------------------- ----------------------------------------------------------------
Stelling: Die jongen deugt niet, want hij sloeg zijn zusje en hij schopte haar hondje.
Hierbij zijn hij sloeg zijn zusje en schopte haar hondje allebei onafhankelijke argumenten die het
standpunt kracht bij zetten. Een redenering waarbij meerdere argumenten worden gegeven, heet
een meervoudige argumentatie.
Stelling: Ik wil niet met Piet samenwerken, aangezien ik hem niet vertrouw. Vorige keer liet hij
namelijk zijn partner in de steek.
In deze redenering is : ik wil niet met Piet samenwerken het standpunt, dat ondersteunt wordt door
het argument : ik vertrouw hem niet. Dit argument wordt zelf weer ondersteunt door een ander
argument, namelijk : vorige keer liet hij zijn partner in de steek. Deze vorm van argumentatie wordt
onderschikkende argumentatie genoemd.
Stelling : Ik voel er niets voor vriendschap te sluiten met Jan, want ik vind hem niet sympathiek. Hij
sloeg namelijk zijn zusje en schopte haar hondje.
Een Complexe argumentatie . Hierbij is sprake van een combinatie van onderschikkende en
meervoudige argumentatie. Het standpunt is : Ik voel er niets voor vriendschap te sluiten met Jan. Dit
wordt ondersteund door het argument : ik vind hem niet sympathiek. Dit argument wordt op zijn
beurt meervoudig ondersteund door twee argumenten : Hij sloeg zijn zusje en schopte haar hondje.
Er zijn ook argumenten die een bepaald standpunt juist aanvallen. Bijv:
‘’ Jansen liet zijn partner vorig jaar in de steek. Toch denk ik dat het een goed idee is om met hem
samen te werken. Hij heeft namelijk verstand van zaken doen. ‘’
Het standpunt is : Het is een goed idee om met jansen samen te werken. Er wordt één argument
aangevoerd : Hij heeft verstand van zaken doen. Daarnaast wordt één argument tegen het standpunt
genoemd : Jansen liet vorig jaar zijn partner in de steek.
Een argument tegen een standpunt wordt een tegenargument of contra-argument genoemd
Syllogisme (met rondjes tekenen). Kenmerkend voor een syllogisme is dat er uitspraken over
groepen, klassen, verzamelingen of eigenschappen worden gedaan. (argumenten worden ook wel
premissen genoemd) Bijv.
Alle steden hebben een gemeentebestuur
Deventer is een stad
Dus : Deventer heeft een gemeentebestuur