100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.6 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting De opvoedbare mens - Jan Bransen

Rating
4.0
(2)
Sold
7
Pages
5
Uploaded on
13-12-2014
Written in
2013/2014

Complete samenvatting van het artikel. Duidelijk en compact beschreven.

Institution
Course










Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
December 13, 2014
Number of pages
5
Written in
2013/2014
Type
Summary

Subjects

Content preview

De opvoedbare mens – Jan Bransen
1. Inleiding: de vraag naar onze menselijke natuur
Wijsgerige antropologie is dat onderdeel van de filosofie waarin de menselijke
zelfinterpretatie centraal staat. Toevallige historische omstandigheden hebben ertoe geleid dat de
wijsgerige antropologie, een filosofische subdiscipline, lange tijd geïdentificeerd werd met de
zoektocht naar het
antropologisch verschil: het wezenlijke kenmerk waarmee de mens zich van een dier zou
onderscheiden.

2. Korte historische achtergrond
De wijsgerige antropologie is als zelfstandige discipline pas ontstaan in de eerste helft van de
20e eeuw, en dan met name in Duitsland. De naam van de discipline is ontleend aan de antropologie,
de menskunde. Als vakwetenschap ging de antropologie uit van de aanname dat mensen dieren zijn
en dus op empirisch-wetenschappelijke wijze kunnen worden bestudeerd. Antropologie zou daarom
een wetenschap zijn die vooral verwant is aan de biologie en de ethologie. Er werden een aantal
ontdekkingen gedaan:
 Mensen zijn minder gespecialiseerd dan andere dieren
 Mensen beschikken over minder instinctieve reacties dan andere dieren
 Mensen zijn in hun voortbestaan langer afhankelijk van hun ouders dan andere
dieren
 Individuele mensen worden gekenmerkt door de historische en culturele context
waarin zij leven.
Filosofen reageerden op deze ontdekking door ze te proberen te verklaren. Zij probeerden in
kaart te brengen welke voorwaarden moesten worden vervuld om de bovenstaande feiten vast te
stellen. Men kon wel zeggen hoe het met de mens in gesteld was, maar de filosofen vonden dat er
geen antwoord werd gegeven op de vraag waardoor dat kwam.
De filosofen gingen individueel aan het werk en ontwikkelden mensbeelden die voor de
empirici niet duidelijk waren. De hoeveelheid wezenstyperingen wekte argwaan en steunde de
gedachte dat filosofen, net zo min als empirici, over de juiste methode beschikten om antwoord te
geven op de vraag naar het waardoor van die feiten over de mens.
Wijsgerig antropologen probeerden invulling te geven aan de term 'wijsgerig' door te
benadrukken dat ze streefden naar kennis van hoogst abstracte principes die een variëteit aan feiten
kunnen systematiseren door ze in samenhang als noodzakelijk te presenteren. Ze maakten alleen
niet duidelijk hoe ze dat deden. Ook de wijsgerig antropologen hadden dus, net als de empirici waar
ze kritiek op hadden, geen systematische aandacht voor de methode. Rond 1950 was het over met
de wijsgerige antropologie.

3. Bewustzijn en vrije wil
De vraag naar het verschil tussen de menselijke en de niet-menselijke natuur werd gesteld
tegen de achtergrond van de moderne natuurwetenschappen. Die natuurwetenschappen hadden al
sinds hun opkomst in de 16e en 17e eeuw een probleem met het Cartesiaanse dualisme van lichaam
en geest. Mensen bestaan, zo luidde in de 19e en 20e eeuw de alledaagse opinie, uit lichaam én
geest. Omdat de natuur in de moderne natuurwetenschap begrepen werd als het totaal van causaal
op elkaar inwerkende fysische objecten, lag het zeer voor de hand dat de eerste wijsgerig
antropologen er vanuit gingen dat de menselijke geest het cruciale kenmerk is waarmee de mens
zich van dieren onderscheidt. In dat uitgangspunt zijn twee hoofdlijnen te onderscheiden. Wie het
feit benadrukt dat wij ons dankzij onze geest bewust zijn van de wereld om ons heen, zal menen dat
het ons bewustzijn is waarmee we ons onderscheiden van dieren. Wie benadrukt dat wij dankzij onze
geest vrij en verantwoordelijk kunnen handelen, zal een vrije wil aanwijzen als bepalend voor het
antropologische verschil.

,3.1 Bewustzijn
Mensen zijn zich bewust van de wereld om hen heen. Datzelfde geldt niet voor de niet-
menselijke natuur. Dergelijke veranderingen in de interne toestand van dingen hebben voor die
dingen niets te betekenen, want betekenis vooronderstelt bewustzijn.
De natuur is, zoals Sartre het zegt, en soi, bij zichzelf, maar zonder zich bewust te zijn van
zichzelf, dus zonder er voor zichzelf te zijn. Alleen mensen zijn, dankzij hun bewustzijn, pour soi: zij
zijn zich van zichzelf bewust. Zowel de levende als de niet-levende natuur kan reageren, ‘reageren’
kan uitsluitend bestaan in een verandering van interne toestand.
Voor Descartes moet het verschil tussen de menselijke en niet-menselijke natuur begrepen
worden in termen van het bewustzijn. Bewustzijn is in de Cartesiaanse traditie vanzelfsprekend
verbonden met het onmiddellijke perspectief van het subject, dat zich op een ervarende en
kennende manier tot de wereld verhoudt. Het bewustzijn is in deze traditie een soort binnenwereld,
die bevolkt wordt door representaties van de buitenwereld. De moeilijkheid is dat we alleen maar
van buitenaf naar andere organismen kunnen kijken en dat je deze binnenwereld vanuit zo’n
buitenperspectief niet kunt zien. Het is daarom niet mogelijk om te zeggen dat het hebben van
bewustzijn het verschil is tussen mensen en andere dieren. Deze moeilijkheid is onder twee namen
bekend:
 Het solipsisme is de leer die stelt dat alleen het eigen bewustzijn met zijn inhouden
bestaat. Alles wat er buiten ons is of lijkt te zijn is niets anders dan verzinsels die zich
in het eigen bewustzijn ophouden.
 Het ‘other minds’-vraagstuk is een sceptische positie over de aanname dat
organismen buiten mijzelf ook een bewustzijn, of 'mind' hebben en omvat twijfel
over de gronden voor die conclusie.
Als we een Cartesiaans bewustzijnsmodel accepteren lijken de beide posities haast
onontkoombaar. Geven we daarentegen de Cartesiaanse interpretatie van het bewustzijn op, dan zal
moeilijk vol te houden zijn dat het bewustzijn datgene is wat het antropologische verschil maakt.
3.2 Vrije wil
Mensen worden doorgaans verantwoordelijk gehouden voor hun handelingen. Dat gegeven
wortelt in de gedachte dat we niet door omstandigheden tot onze handelingen genoodzaakt worden,
maar dat het onze keuze is te handelen zoals we handelen en dat we van de handelingen die we
plegen ook kunnen afzien.
We gaan er vanuit dat we onze kinderen een verantwoordelijkheidsbesef, dus een besef van
hun keuzevrijheid en vrije wil, kunnen bijbrengen. We leren hen hun vrije wil te gebruiken,
verantwoordelijk te zijn. Ze zijn anders dan niet-menselijk dieren, omdat ze een vrije wil hebben. Er
kan alleen maar sprake zijn van vrije wil als er voor de persoon alternatieven bestaan waaruit hij kan
kiezen. Verantwoordelijkheid veronderstelt spontaniteit (de persoon mag niet door een
omstandigheid genoodzaakt zijn te doen wat hij doet) en controle uitoefenen (wat de persoon doet
moet in zijn macht zijn). De eis van spontaniteit garandeert dat er sprake is van meer dan louter een
proces van causale wetmatigheid. Het gedrag van mensen heeft zijn oorzaak niet alleen in de
wetmatigheid van omstandigheden, maar ook in de vrijheid van de geest. Ook als omstandigheden
hetzelfde blijven kan een mens besluiten iets anders te doen dan hij eerder deed. De eis van controle
garandeert vervolgens dat ons spontane handelen geen willekeurig handelen is.
Als we het antropologisch verschil willen duiden in termen van het onderscheid tussen de
passiviteit (natuurwetmatigheid) van het lichaam en de spontaniteit (vrijheid) van de geest, dan
lopen we het risico te moeten accepteren dat de neurofysiologie op termijn zal aantonen dat het
menselijk gedrag even passief is als het gedrag van de niet-menselijke natuur.

4. Zelfbewustzijn en zelfbepaling
Zelfreflectie is de dimensie van bewustzijn en vrije wil waarin er sprake is van een relatie tot
onszelf.
4.1 De reflexieve structuur van de wil

, Frankfurt betoogt dat ‘anders kunnen handelen ’ helemaal geen belangrijk thema is als we
over de vrije wil nadenken. Het belang dat wij hebben in een vrije wil, is volgens hem het belang dat
we hebben in een helder verhaal over verantwoordelijkheid. En verantwoordelijkheid is primair een
morele notie, die maar heel weinig te maken heeft met het idee dat iemand de veroorzaker is van
bepaald gedrag. Omdat we onze morele verantwoordelijkheid doorgaans begrijpen in termen van
onze vrije wil hebben we een andere definitie van het begrip ‘vrije wil’ nodig. Om vrij te zijn hoef je
niet anders te kunnen handelen dan je feitelijk doet, maar moet je achter je eigen gedrag kunnen
staan. Het moet je eigen gedrag zijn. Frankfurt heeft geprobeerd de metafoor van het ‘achter je
eigen gedrag staan’ op een filosofisch acceptabele manier te analyseren. Daartoe spreekt hij over de
hiërarchische structuur van onze wil. Volgens Frankfurt moeten we een onderscheid maken tussen
wat hij noemt ‘verlangens van de eerste orde’ en ‘verlangens van de tweede orde’. Een voorbeeld: Ik
wil een koekje (eerste orde), maar ik wil mij ook beheersen (tweede orde). Het tweede punt is van de
tweede orde, omdat het niet gericht is op een toestand in of van de wereld, maar op een toestand
van mijn eigen wil. Frankfurt wijst op deze interne structuur van de wil: op het vermogen van
mensen zelfreflectief te zijn, het vermogen zich te bekommeren om de wenselijkheid van hun eigen
wensen. Ook betoogt hij dat mensen die uit vrije wil handelen, in feite gemotiveerd worden door
effectieve eerste orde wilstoestanden, die gesteund worden door wilstoestanden van de tweede
orde. Het is volgens Frankfurt deze interne structuur van de menselijke wil die beslissend is voor het
antropologisch verschil. Mensen hebben wel wilstoestanden van de tweede orde en dieren niet.
4.2 Zelfbewustzijn
Het bewustzijn omvat ook een vorm van zelfbewustzijn. Bewustzijn kan worden
onderscheiden in twee soorten: access consciousness en phenomenal consciousness. De eerste vorm
van bewustzijn heeft te maken met onze subjectieve ruwe indrukken, gevoelens en belevingen. De
tweede heeft te maken met het vermogen van mensen om over de inhoud van hun waarnemingen,
gedachten, herinneringen e.d. te kunnen vertellen.
De samenhang tussen bewustzijn en zelfbewustzijn is een thema geweest in een lange
traditie die van Descartes, via Kant, Fichte, en Husserl naar Sartre loopt. Het bewustzijn is bij Sartre
pour soi; het is er voor zich, het wordt gekenmerkt door de reflexiviteit die inhoudt dat wie bewust
is, zich ook altijdvan zichzelf bewust is. Bewust-zijn als werkwoord (als proces), kan eigenlijk niet
goed functioneren zonder het wederkerend voornaamwoord ‘zich’. De vraag is alleen: waar ben je je
dan van bewust als je zelfbewust bent? We komen een stap verder als we de reflexiviteit van het
zelfbewustzijn begrijpen als analoog aan de reflexiviteit van de zichzelf bepalende wil. In Frankfurts
analyse van de vrije wil is de vrije wil een structuur waarin de wil zich tot zichzelf verhoudt.
Er kan gezegd worden dat er zich in organismen twee wilstoestanden op verschillende
niveaus kunnen bevinden, zodanig dat het organisme, dankzij de hiërarchische relatie tussen deze
twee wilstoestanden (eerste en tweede orde), geïdentificeerd wordt als een organisme dat wezenlijk
gemotiveerd wordt door de ‘lagere’ van deze beide wilstoestanden. Doordat deze twee
wilstoestanden er altijd zijn, is er tegelijkertijd een wil die echt de mijne is. Het organisme dat ik als
actor ben heeft een echte of eigen wil vanwege de aanwezigheid van die twee hiërarchisch
gerelateerde wilstoestanden.
Misschien kent het bewustzijn ook zijn eigen interne, hiërarchische structuur. Iemand die zich
van zichzelf bewust is, is niets anders dan een organisme waarin zich twee bewustzijnstoestanden
bevinden, welke zich hiërarchisch tot elkaar verhouden. We kunnen zeggen dat iemand pas echt
bewustzijn heeft, als er twee hiërarchisch gerelateerde bewustzijnstoestanden zijn. Zonder de
bewustzijnstoestand van de tweede orde kan zo’n persoon zich niet bewust zijn van dat waar de
bewustzijnstoestand van de eerste orde op gericht is.
Wanneer we het hebben over zelfbepaling is er in de eerste plaats een belangrijke
dubbelzinnigheid in de relatie tussen de woorddelen ‘zelf’ en ‘bepaling’. Als we over zelfbepaling
spreken kunnen we bedoelen dat er sprake is van een bepaling door het zelf, of een bepaling van het
zelf. Dus als ik me beheers en niet alle speculaasjes opeet, dan ben ik het zelf die bepaalt wat er
gebeurt (mijn gedrag is dus bepaald door mijn zelf), maar tegelijkertijd word ik door dit gedrag ook
zelf bepaald als een beheerst mens die niet zomaar al die speculaasjes eet (mijn gedrag is dus ook

Reviews from verified buyers

Showing all 2 reviews
4 year ago

8 year ago

4.0

2 reviews

5
0
4
2
3
0
2
0
1
0
Trustworthy reviews on Stuvia

All reviews are made by real Stuvia users after verified purchases.

Get to know the seller

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
carlijnvanneijenhof Hogeschool Arnhem en Nijmegen
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
678
Member since
11 year
Number of followers
386
Documents
5
Last sold
1 year ago

3.8

100 reviews

5
16
4
55
3
26
2
1
1
2

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions