Praktische Economie samenvatting module 8
Conjunctuur en economisch beleid
Hoofdstuk 1: De conjunctuurbeweging
Reële economische groei: procentuele verandering van jaar tot jaar van het reële bruto
binnenlands product (bbp). Gecorrigeerd met inflatie.
Volumegroei: groei van het aantal geproduceerde stuks.
Trendmatige groei/lange termijn groeipad: gemiddelde groei over afgelopen tien jaar.
Hoogconjunctuur: als de economie sterker groeit dan de trendmatige groei.
Laagconjunctuur: als de economie minder sterk groeit dan de trendmatige groei.
Hoogconjunctuur:
- Effectieve vraag > normale bezetting productiecapaciteit
- Lange levertijden
- Investeringsbereidheid is groot
- Stijgende rente (door grote kapitaalvraag)
- Belasting omhoog, uitkeringen omlaag en het begrotingstekort ook omlaag.
- Gespannen arbeidsmarkt
- Prijsinflatie
Laagconjunctuur:
- Effectieve vraag < normale bezetting capaciteit
- Conjuncturele werkloosheid
- Onverkochte voorraden
- Weinig investeringen
- Dalende rente
- Belasting omlaag, uitkeringen omhoog en begrotingstekort omhoog
- Minder inflatie of zelfs deflatie.
Recessie: als economie 2 kwartalen achter elkaar krimpt
Depressie: als een economie 3 kwartalen of meer achter elkaar krimpt
Conjunctuurbeweging kenmerken:
- Onregelmatig en niet te voorspellen
- Verloopt tegengesteld aan het aantal werklozen.
Conjunctuurklok
Boventrend
Daling Stijging
Ondertrend
Procyclisch: variabele die een patroon vertoont gelijk met de conjunctuurlijn
, Anticyclisch: variabele die een patroon vertoont tegengesteld aan de conjunctuurlijn.
Hoogconjunctuur vraag naar arbeid stijgt.
Laagconjunctuur werkloosheid stijgt
Inkomensoverdrachten
- Gebaseerd op minimaal inkomen dat nodig is om van rond te kunnen komen
Waardevast: stijgt mee met de inflatie: koopkracht uitkering blijft gelijk.
Welvaartsvast: stijgt mee met de lonen: stijgt mee met stijgend inkomen.
Hoofdstuk 2: De verklaring van de conjunctuurbeweging
Op lange termijn: alle markten in evenwicht
Op korte termijn: niet in evenwicht
Het kost tijd om op iedere markt vraag en aanbod met elkaar in evenwicht te brengen.
Geaggregeerde vraag: wat de bevolking van een land als geheel aan goederen en diensten
vraagt.
Geaggregeerde aanbod: aanbod van alle markten in een land samen
Geaggregeerde aanbod is ook wel het Netto Binnenlands Product
Op korte termijn is er prijsrigideit/prijsstarheid.
- Aanbieders zijn sneller geneigd hun prijzen aan te passen als ze dat goed kunnen
onderbouwen en niet als het door vraagstijging komt.
- Productiekosten kunnen niet snel aangepast worden. (contracten, loon- en
fabricagekosten)
- Moeilijk om te bepalen welke prijs de winst nu maximaliseert
- Geldillusie: verschijnsel dat mensen denken in nominale waarden en niet in reële
waarden.
Als de prijzen niet veranderen op korte termijn, dan loopt de geaggregeerde aanbodlijn
horizontaal. Op korte termijn heeft vraagtoename geen invloed op het prijsniveau.
Lange Termijn:
Het geaggregeerde aanbod wordt bepaald door:
- Stand van de techniek
- Beschikbare productiefactoren
- Manier waarop de productiefactoren worden gebruikt.
Natuurlijke productieomvang:
- De productieomvang waarbij alle productiefactoren in een economie zo goed
mogelijk worden benut.
- Dit kost tijd dus het is op de lange termijn!
Langetermijn-geaggregeerde aanbod is niet afhankelijk van het prijsniveau dus de LTGA-lijn
verloopt verticaal.
Conjunctuur en economisch beleid
Hoofdstuk 1: De conjunctuurbeweging
Reële economische groei: procentuele verandering van jaar tot jaar van het reële bruto
binnenlands product (bbp). Gecorrigeerd met inflatie.
Volumegroei: groei van het aantal geproduceerde stuks.
Trendmatige groei/lange termijn groeipad: gemiddelde groei over afgelopen tien jaar.
Hoogconjunctuur: als de economie sterker groeit dan de trendmatige groei.
Laagconjunctuur: als de economie minder sterk groeit dan de trendmatige groei.
Hoogconjunctuur:
- Effectieve vraag > normale bezetting productiecapaciteit
- Lange levertijden
- Investeringsbereidheid is groot
- Stijgende rente (door grote kapitaalvraag)
- Belasting omhoog, uitkeringen omlaag en het begrotingstekort ook omlaag.
- Gespannen arbeidsmarkt
- Prijsinflatie
Laagconjunctuur:
- Effectieve vraag < normale bezetting capaciteit
- Conjuncturele werkloosheid
- Onverkochte voorraden
- Weinig investeringen
- Dalende rente
- Belasting omlaag, uitkeringen omhoog en begrotingstekort omhoog
- Minder inflatie of zelfs deflatie.
Recessie: als economie 2 kwartalen achter elkaar krimpt
Depressie: als een economie 3 kwartalen of meer achter elkaar krimpt
Conjunctuurbeweging kenmerken:
- Onregelmatig en niet te voorspellen
- Verloopt tegengesteld aan het aantal werklozen.
Conjunctuurklok
Boventrend
Daling Stijging
Ondertrend
Procyclisch: variabele die een patroon vertoont gelijk met de conjunctuurlijn
, Anticyclisch: variabele die een patroon vertoont tegengesteld aan de conjunctuurlijn.
Hoogconjunctuur vraag naar arbeid stijgt.
Laagconjunctuur werkloosheid stijgt
Inkomensoverdrachten
- Gebaseerd op minimaal inkomen dat nodig is om van rond te kunnen komen
Waardevast: stijgt mee met de inflatie: koopkracht uitkering blijft gelijk.
Welvaartsvast: stijgt mee met de lonen: stijgt mee met stijgend inkomen.
Hoofdstuk 2: De verklaring van de conjunctuurbeweging
Op lange termijn: alle markten in evenwicht
Op korte termijn: niet in evenwicht
Het kost tijd om op iedere markt vraag en aanbod met elkaar in evenwicht te brengen.
Geaggregeerde vraag: wat de bevolking van een land als geheel aan goederen en diensten
vraagt.
Geaggregeerde aanbod: aanbod van alle markten in een land samen
Geaggregeerde aanbod is ook wel het Netto Binnenlands Product
Op korte termijn is er prijsrigideit/prijsstarheid.
- Aanbieders zijn sneller geneigd hun prijzen aan te passen als ze dat goed kunnen
onderbouwen en niet als het door vraagstijging komt.
- Productiekosten kunnen niet snel aangepast worden. (contracten, loon- en
fabricagekosten)
- Moeilijk om te bepalen welke prijs de winst nu maximaliseert
- Geldillusie: verschijnsel dat mensen denken in nominale waarden en niet in reële
waarden.
Als de prijzen niet veranderen op korte termijn, dan loopt de geaggregeerde aanbodlijn
horizontaal. Op korte termijn heeft vraagtoename geen invloed op het prijsniveau.
Lange Termijn:
Het geaggregeerde aanbod wordt bepaald door:
- Stand van de techniek
- Beschikbare productiefactoren
- Manier waarop de productiefactoren worden gebruikt.
Natuurlijke productieomvang:
- De productieomvang waarbij alle productiefactoren in een economie zo goed
mogelijk worden benut.
- Dit kost tijd dus het is op de lange termijn!
Langetermijn-geaggregeerde aanbod is niet afhankelijk van het prijsniveau dus de LTGA-lijn
verloopt verticaal.