Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Voorbeeld 6 van de 78 pagina's
Samenvatting

Samenvatting Kwalitatieve methoden en technieken in de criminologie (KMTC) I UGent (16/20)

Document preview thumbnail
Voorbeeld 6 van de 78 pagina's

Dit is een VOLLEDIGE samenvatting van het vak 'Kwalitatieve methoden en technieken in de criminologie'. Alle hoofdstukken die te kennen zijn voor het examen zijn verwerkt (zowel de hoofdstukken van in de les als de zelfstudiehoofdstukken). Ik was geslaagd in eerste zit. Heel veel succes!

Voorbeeld van de inhoud

KWALITATIEVE METHODEN EN TECHNIEKEN
HOOFDSTUK 1: KWALITATIEF ONDERZOEK EN CRIMINOLOGISCHE THEORIE

(1) INLEIDING


CRIMINOLOGIE = “WETENSCHAP”
Criminologie is een wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van crimineel of delinquent gedrag, slachtoffers,
strafrechtsbedeling…Maar je moet eerst wel een begrip hebben over wat nu juist een “wetenschap” is.

− Je kan pas van een wetenschap praten als er aan 3 criteria voldaan is – de 3 basisprincipes van de wetenschap:
o 1) Streven naar kennis(opbouw)
▪ Bij een wetenschap is het altijd de bedoelen om te streven naar het opbouwen van kennis over
een bepaald fenomeen in de werkelijkheid.
▪ Indien men voldoende kennis heeft opgebouwd, gaat dit worden ondergebracht in een theorie
• Theorie: een samenhangend geheel van uitspraken over de werkelijkheid, het moet een
verklaring zijn voor een bepaald fenomeen
o 2) Empirisch karakter
▪ De uitspraken die men doet in een theorie, moeten gebaseerd zijn op een onderzoek dat men
heeft gedaan. We streven naar een empirisch karakter, waarbij men bepaalde
‘wetenschappelijk’ methoden en technieken (kwalitatief of kwantitatief) gaat gebruiken om
zaken die zich in de werkelijkheid voor doen, te gaan meten of observeren
• Onderscheid tussen primaire en secundaire data!
o 3) Systematische benadering
▪ Datgene dat jij als onderzoeker hebt gedaan kan nagebootst worden door andere onderzoekers
▪ Je onderzoek moet toetsbaar of testbaar zijn => je moet dus een thick description geven bij het
rapporteren van je onderzoek (met ALLE stappen en dingen die je gedaan hebt) zodat jouw
theorie nagebootst kan worden


EMPIRISCH KARAKTER
Om een theorie op te bouwen, en dus onderzoek te doen moet
men een keuze maken tussen 2 soorten methode-technieken,
namelijk (1) KWALITATIEF of (2) KWANTITATIEF

− Kwantitatief
o Deductie; van algemeen -> specifiek
▪ Bij kwantitatief onderzoek gaat de
onderzoeker beginnen van een
bepaalde algemene theoretische
stelling of standpunt en deze proberen te toetsen aan de handen van empirie (onderzoek doen).
▪ Meestal is de onderzoeker gestart met een bepaald theoretisch inzicht (van een andere theorie),
dan gaat hij hieruit hypotheses afleiden & uiteindelijk deze gaan toetsen adhv uw onderzoek
(klopt de hypothese of niet)
o Etic of outsider – view (derdepersoonsperspectief)
▪ Etic view houdt in dat onderzoekers een sociaal fenomeen bestuderen met een EXTERN, vaak
meer OBJECTIEVE ANALYSE
 “Vanuit hun bureau” een fenomeen onderzoeken, aan de hand van statistieken (enquêtes,…)
− Kwalitatief
o Inductie; van algemeen -> specifiek
▪ Bij kwalitatief onderzoek begint de onderzoeker NIET van een theoretische stelling. De
onderzoeker begint eigenlijk met zijn eigen empirie-resultaten en gaat hieruit een algemene
theorie opstellen.

, o Emic of insider – view (eerstepersoonsperspectief)
▪ Etic-perspectief
• In het hoofd kruipen van de mensen die je onderzoekt en kijken naar de werkelijkheid
vanuit hun perspectief
• Een emic view (insider-perspectief) houdt in dat onderzoekers een sociaal fenomeen
beschouwen vanuit het perspectief van de mensen die deel uitmaken van die cultuur of
situatie.
• Focus: gericht op de subjectieve ervaringen, betekenissen en interpretaties van de leden
van de cultuur (INTERNE + SUBJECTIEVE ANALYSE)
▪ Verstehen
• Verstehen is een kwalitatieve methodologische benadering binnen de sociale
wetenschappen, vooral geassocieerd met de socioloog Max Weber.
• Het betekent dat de onderzoeker sociale handelingen probeert te begrijpen vanuit het
perspectief van de onderzochte personen zelf.
• De onderzoeker probeert zich dus in hun positie te verplaatsen en inzicht te krijgen in
hun motieven, overtuigingen, intenties & ervaringen
• De onderzoeker kijkt niet alleen naar wat mensen doen, maar vooral ook naar waarom
ze iets doen & welke betekenis ze zelf aan hun handelen geven

Verschil in steekproeven

− Steekproeven in kwantitatief onderzoek: streven naar representativiteit, uw steekproef moet zo representatief
mogelijk zijn zodanig dat je uitspraken kan doen over volledige populatie
o Representatief = een kenmerk of variabele (geslacht, leeftijd…) in de steekproef komt evenveel voor in de
onderzoekspopulatie (de gehele populatie)
o Populatie = de hele groep individuen waar we een uitspraak over willen doen. Natuurlijk is deze groep zo
groot dat we niet elk individu in ons onderzoek kunnen betrekken. Daarom maken we gebruik van een
“steekproef” => een klein deel van de populatie die ook effectief meedoet aan het onderzoek
▪ Deze steekproef moet zo representatief mogelijk zijn, zodat je dat je op basis van uw resultaten
uitspraken kunt doen over de hele populatie (veralgemenen = Inferentiële statistiek)
=> daarom A-selecte steekproef (random)
− Steekproeven in kwalitatief onderzoek: streven naar saturatie (= een punt/moment in de tijd waarop je het
gevoel hebt dat je al uw info hebt verzameld)
o De onderzoeker zal data verzamelen tot hij geen nieuwe informatie meer verkrijgt.

Betrouwbaarheid

− Kwantitatief onderzoek: repliceerbaarheid door anderen (je onderzoek kan opnieuw gedaan worden door een
andere onderzoeker. De bedoeling is dan dat hij of zij tot dezelfde resultaten komt
− Kwalitatief onderzoek: triangulatie, bevestiging van de waarheid/correctheid van uw resultaten door vergelijken
met verschillende andere bronnen (over hetzelfde onderwerp)

Isomorfisme vs. credibiliteit

− Isomorfisme (“interne geldigheid”): staat centraal bij kwantitatief onderzoek
o Hiermee bedoelt men dat je de realiteit zo precies mogelijk moet weergeven alsof het een “spiegel” is
o Hierdoor kan je ook betrouwbaar meten.
− Credibiliteit (“interne logica”): staat centraal in kwalitatief onderzoek
o In een kwalitatief onderzoek mogen er geen contradicties of inconsistenties zijn (als je A zegt & later in uw
studie vermeld je toch dat het toch B is = fout)

,2 MANIEREN/TYPES VAN ONDERZOEK
− Fundamenteel onderzoek = “basisonderzoek”
o Theorie gestuurd
o Je wil een nieuwe theorie opstellen met als uiteindelijke doel kennisvermeerdering
o Je gaat fundamentele onderzoeksvragen die jij jezelf als onderzoeker hebt gevraagd gaan proberen te
beantwoorden
▪ Dat antwoord = kennisvermeerdering
− Praktijkgericht onderzoek = “toegepast onderzoek”
o Vraag gestuurd
o Je gaat een onderzoek doen met als doel om de uiteindelijk conclusie ook toe te kunnen passen in de
praktijk. Je gaat werken in functie van wat nuttig is voor de praktijk: het beleid van de politie, justitie…
o Je krijgt vb. een opdracht van een overheidsinstantie met het doel om jouw werk in de praktijk toe te
passen. (Je gebruikt natuurlijk wel theorieën als basis, maar het uiteindelijke doel ligt altijd bij de praktijk)


ONDERZOEKSVRAGEN – METHODE – THEORIE

STAP 1: PROBLEEMSTELLING + ONDERZOEKSVRAGEN
− Je begint altijd het onderzoek met een bepaalde probleemstelling (= beschrijft het probleem/vraagstuk dat
onderzocht wordt)
− Hieruit ga je een centrale onderzoeksvraag opstellen (hoofdvraag = de centrale vraag dat beantwoordt moet
worden in uw onderzoek
− De probleemstelling is ENORM BELANGRIJK, want de probleemstelling gaat al de rest van uw onderzoek bepalen
o = Richtinggevend voor het verloop van uw onderzoek
o Het is vooral de onderzoeksvraag die bepalend is voor de te hanteren onderzoeksmethode en het
theoretisch kader.
− De probleemstelling beschrijft/schetst een probleem of vraagstuk dat onderzocht moet worden.
− Op het einde van je probleemstelling wordt ook een DOEL- & een VRAAG-stelling geformuleerd
o Dit gaat bepalen of je kwalitatief of kwantitatief te werk zal gaan.

DUS: Probleemstelling = doelstelling + vraagstelling

− Doelstelling: wat wil de criminoloog met zijn onderzoek bereiken
− Vraagstelling: uit de probleemstelling ga je dan ook de centrale onderzoeksvraag (of hoofdvraag) formuleren.
o Deze vraag wil je aan het einde van je onderzoek beantwoord hebben
o Deze algemene onderzoeksvraag, kan worden opgedeeld in deelvragen (soort van tussenstappen, want de
antwoorden op deze deelvragen zullen stap voor stap een antwoord bieden op uw centrale hoofdvraag)

STAP 2: DATAVERZAMELING
Om uitspraken te kunnen doen over de onderzoeksvragen moet er natuurlijk eerst onderzoek gedaan worden

− Er zijn slechts 2 manieren om data te verzamelen, namelijk:
o Kwalitatief = Er wordt gefocust op woorden, ervaringen en betekenissen
▪ Verschillende methode:
• 1: Interview = gesprek waarin open vragen worden gesteld aan respondenten.
• 2: Focusgroepen = groepsdiscussie over een vastgesteld onderwerp om meningen en
ervaringen te verzamelen + focus op de interactie tussen de participanten
• 3: Participerende observatie = de onderzoeker neemt actief deel aan het dagelijkse leven van
de groep/ organisatie terwijl hij tegelijkertijd observeert en gegevens verzamelt.
o Kwantitatief = richt zich op numerieke data (getallen) en statistiek
▪ Verschillende methode:
• 1: Enquête = Lijst van vragen die wordt aangeboden aan participanten (steekproef).
• 2: Experiment = Situatie waarin variabelen/kenmerken worden gecontroleerd en
gemanipuleerd om causale relaties vast te stellen

,STAP 3: DATA-ANALYSE
Als je bijvoorbeeld een interview hebt afgenomen, moet jij eigenlijk dat volledig nog gaan uittypen (= een transcript)
Vervolgens moet je dit transcript nog gaan “coderen”

Coderen = het sorteren en organiseren van puzzelstukjes om een duidelijker beeld te krijgen van wat er in de data zit

− Stap 1: Open Coderen:
o In het begin bekijk je elk puzzelstukje apart. Je kijkt naar de kleuren, vormen en patronen zonder een idee
te hebben van het geheel
o Hiervoor lees je het getranscribeerde interview door en verbind je labels (codes) aan tekstfragmenten
− Stap 2: Axiaal Coderen:
o Nadat je de puzzelstukjes hebt gelabeld, begin je ze te groeperen obv overeenkomsten of patronen. Je
merkt vb. op dat sommige stukjes bij elkaar horen omdat ze dezelfde kleur of vorm hebben
 Je brengt vergelijkbare codes samen en vormt categorieën
 Hierdoor ontstaan belangrijke codes (hoofdcodes) en minder belangrijke codes (subcodes)
− Stap 3: Selectief Coderen:
o Nu je de puzzelstukjes hebt gegroepeerd, richt je je op de belangrijkste groepen. Misschien vind je in een
groep stukjes die een deel van de afbeelding vormen
 Je richt je dus op de meest relevante codes en categorieën
 Hierbij pak je de hoofdcategorieën die je in de vorige stap gevonden hebt en bouw je je theorie op. Dit
doe je door alle gevonden data (of codes) binnen de categorieën onder te brengen en op basis
daarvan relaties en verbindingen te leggen tussen de data...

STAP 4: THEORIE OPBOUWEN
De laatste stap is het uiteindelijk opbouwen van een theorie (= een geheel van coherente/samenhorende uitspraken ter
verklaring van een bepaald fenomeen, obv de verzamelde data)

− Kwalitatief onderzoek: INDUCTIEF
o = starten vanuit de data en daaruit een theorie/verklaring uit bouwen
o Er wordt geanalyseerd zonder vooraf vastgestelde hypothesen of theoretische kaders
o The Grounded Theory is een belangrijke methodologische benadering binnen kwalitatief onderzoek die
deze inductieve aanpak volgt
▪ ‘De theorie van de constante vergelijking’
▪ Ontwikkeld door: Glaser & Strauss (!!!!!!!!!!!!!!!!)
− Kwantitatief onderzoek: DEDUCTIEF
o = starten vanuit een theorie en zo data analyseren

,(2) GESCHIEDENIS


ANTROPOLOGIE

BRONISLAW MALINOWSKI
Een lange tijd waren antropologen “arm-chair antropologist” (= ze deden onderzoek vanuit hun bureaustoel)

Vroeger kregen wij enkel informatie over andere culturen door verhalen van reizigers. Wij wisten enkel wat in de wereld
gebeurde door handelaars, ontdekkingsreizigers… Deze Brachten vaak geschriften, boeken, voorwerpen… mee waardoor
lange tijd antropologische kennis (over andere culturen) bestond door deze verhalen.

MAAR toen kwam Malinowski in beeld. Hij heeft voor een revolutie gezorgd in de data verzameling in de antropologie.

− Hij Kwam toevallig terecht op een eiland (Pupua New Guinea) en bleef daar 2 jaar lang (observeerde daar, leefden
midden tussen die mensen heeft hij die cultuur & gemeenschap goed leren kennen)
− Dit was eigenlijk ongezien, want normaal waren antropologen in die tijd arm-chair antropologist
− Hij was deed eerst een etnografisch onderzoek (leven tss de mensen en
tegelijk dingen bestuderen)
o Typisch aan kwalitatief onderzoek => manier van onderzoek waarbij je
heel dicht contact hebt met de onderzoekssubjecten
o Zijn uitspraak: “Als je wilt weten hoe een leeuw jaagt, ga je niet naar de
dierentuin maar ga je naar de jungle”

HET KETTINGONDERZOEK

Malinowski's kettingenonderzoek draaide om het bestuderen van hoe mensen op de eilanden sieraden en andere
goederen uitwisselden. Denk aan een ruilhandel, maar dan met speciale sieraden genaamd “soulava” (kettingen) &
“mwali” (armbanden).

 Deze uitwisselingen was geen gewone handel; ze waren ceremonieel en hadden veel te maken met sociale status
en respect.

Hij woonde daar enkele jaren om de lokale cultuur echt te begrijpen. Door met de mensen te praten, naar hun verhalen te
luisteren en hun dagelijkse leven te observeren, leerde hij over de betekenissen en rituelen rond deze uitwisselingen.
Door langdurig observeren, heeft men ontdekt dat de kettingen een cirkelbeweging maakten tussen de eilanden (kwamen
uiteindelijk terug). Elke keer voegde een familie op een eiland een schelpje toe aan de ketting en brachten deze dan weer
terug => hierdoor had de ketting een hele familiegeschiedenis


CRIMINOLOGIE
Het gebruik van kwalitatief onderzoek werd in de 20ste eeuw geïntroduceerd in de criminologie door Robert Park

− Hij was lid van de Chicago School en pleitte dat onderzoekers uit hun “bureaustoel” moesten komen en de stap
moesten zetten in de “echte leefwereld” van hun onderzoek.
 Hiermee pleitte hij dus voor de methode van participerende observatie & interviews, die hij onmiskenbaar
achtte om de stedelijke samenleving te bestuderen.
− Dit initiatief heeft verschillende onderzoekers aangezet om effectief de “handen vuil te maken” en in het veld te
trekken
o William Foote Whyte, “streetcorner society” = Hij is in die wijk die hij wou onderzoeken ook gaan leven
om te beschrijven wat daar allemaal gebeurt (achterstaande wijk)
o Clifford Shaw, “Jack-roller” (klassieker) = was een casestudy over één zakkenroller. Hij ging naast de
informatie over het individu (bij politie, parket…) ook gebruikmaken van een interview om echt inzicht te
krijgen op het individu
o Edwin Sutherland, “The profession thief” = dit is een klassiek kwalitatieve studie waarin Sutherland een
beroepsdief (“Chic Conwell”) aan het woord laat. Hij laat hem zijn levensverhaal doen en dat verhaal
werd dan gereconstrueerd in een boek

, (3) CRIMINOLOGISCHE THEORIEËN


VERKLARINGSNIVEAU
Criminologische theorieën hebben bepaalde verklaringsniveau (micro & macro): de ene theorie probeert een probleem of
fenomeen… op maatschappelijk niveau (macro) te verklaren & de andere theorie probeert het fenomeen juist op
individueel (micro) niveau te verklaren.

− Iets dat op macroniveau “waar” is, hoeft dat NIET te zijn op microniveau (en vice versa).
o Zo kan op macroniveau een relatie tussen werkloosheid & criminaliteit gevonden worden, maar dat
betekent nog niet dat op microniveau, IEDEREEN die werkloos is ook effectief
criminaliteit gaat plegen
o Je moet dus ook voordat je effectief begint aan je onderzoek bepalen op welk
niveau je uitspraken gaat doen
− Er zijn 3 soorten aggregatieniveaus (= niveau van de onderzoekseenheden waarop er
uitspraken worden gedaan)
o Uitspraken op Micro-niveau (personen, zoals dader of slachtoffer…)
o Uitspraken op Meso-niveau (straatsegment, buurten, steden..)
o Uitspraken op Macro-niveau (groepen, landen, samenlevingen, …)
 !!! Als je aggregatieniveaus in jouw onderzoek wisselt maak je fouten! (als je besloten hebt om uitspraken te doen
op individueel niveau, moet je niet eens uitspraken beginnen doen op niveau van de stad)


OVERZICHT
Classical Criminology: deze theorie, ontwikkeld door denkers zoals Cesare Beccaria en Jeremy Bentham, stelt dat
criminaliteit het resultaat is van rationele besluitvorming. Mensen wegen de kosten en baten van hun acties af voordat ze
besluiten om een misdaad te plegen.

− Jeremy Bentham staat bekend voor zijn idee over het “Utilitarisme”. Hij ontwikkelde een criminologisch perspectief
dat crimineel gedrag opgevat wordt in een “kosten-baten analyse” (= het menselijk handelen en het maken van keuzes
wordt gebaseerd op een afweging van alle voorspelde kosten (pijn) tegenover alle voordelen (plezier)
 Men gaat voor nutsmaximalisatie (zoveel mogelijk NUT of plezier realiseren)
 Legde de basis van rationele keuze benadering

Positivist Criminology: positivistische theorieën, waaronder de biologische, psychologische en sociologische
benaderingen, suggereren dat crimineel gedrag het resultaat is van biologische, psychologische of sociale factoren die
buiten de controle van het individu liggen.

− Lombroso: had het idee van ‘de aangeboren misdadiger’. Criminelen zijn volgens hem “atavistische wezens”; ze
zijn blijven steken in een vroeger evolutionair stadium, en je kunt ze herkennen aan enkele uiterlijke kenmerken
(doorlopende wenkbrauw, asymmetrisch gezicht…)

Strain Theory (spanningstheorie): ontwikkeld door Robert Merton. Deze theorie stelt dat criminaliteit ontstaat als gevolg
van spanningen tussen de maatschappelijke doelen die individuen nastreven en de legitieme middelen die beschikbaar
zijn om die doelen te bereiken.

− Deze legitieme middelen zijn ongelijk verdeeld in de samenleving, waardoor individuen een soort spanning
ervaren omdat ze de doelen wel willen realiseren, maar ze het niet kunnen omdat ze geen toegang hebben tot
legitieme middelen => oplossing: criminaliteit

Social Learning Theory: ontwikkeld door Albert Bandura. Hij suggereert dat mensen crimineel gedrag leren door
observatie en imitatie van mensen in hun sociale omgeving, zoals familie, vrienden en mediafiguren.

Control Theory: controle-theorieën, waaronder de theorie van Travis Hirschi, stellen dat crimineel gedrag het gevolg is
van het falen van individuen om voldoende banden te hebben met de maatschappij

Gekoppeld boek
 image
Uitgever: augustus 2016 ISBN: 9789462927407 Druk: 3

Documentinformatie

Studie
Heel boek samengevat?
Ja
Geüpload op
19 augustus 2026
Aantal pagina's
78
Geschreven in
2026/2027
Type
Samenvatting
$17.40

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
Verkocht
50
Volgers
2
Items
23
Laatst verkocht
2 dagen geleden


Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen