SAMENVATTING ONTWIKKELINGS- EN GEDRAGSSTOORNISSEN SEMESTER 2
WERKCOLLEGE 1: AUTISMESPECTRUMSTOORNIS
INSTRUMENTEN
Screening
- Heeft dit kind een verhoogde kans op ASS?
- Bij aanmelding: richting ASS?
- Ja? à verder onderzoek nodig
Diagnose
- ASS of niet? à gepaste ondersteuning, gezinsuitbreiding, …
Assessment
- Sterke en minder sterke kanten in kaart brengen in functie van behandelingsplan
- Kapstokken om aan de slag te gaan
o Zaken waarmee je het kind kan helpen in dagelijkse leven
SCREENINGSINSTRUMENTEN
- Screeningsinstrumenten zijn relatief korte vragenlijsten die bij grote groepen
afgenomen kunnen worden.
- Dyade van symptomen
o Sociale wederkerigheid: vb. geen interesse in leeftijdsgenootjes
o Communicatie: vb. vreemde intonatie of geen gebruik van gebaren
o Specifieke interesses/stereotiep gedrag: vb. fladderen
- Predictoren (obv onderzoek)
o Vb. snel gefrustreerd bij verandering, hypoactief als baby
- Bevraging specifieke leeftijden
o Vb. SCQ: 4 – 5 jaar
- Extra informatie (vb. motoriek)
Leeftijd Informant Normen Extra info
Kwaliteitslabel A – goed
SRS-2- Versie 4-18j Ouder - VL normen algemene - Enkel NL normen voor
NL (kindversie) Leerkracht populatie leerkrachten beschikbaar
- VL + NL normen
klinische groep
Kwaliteitslabel B – voldoende
SRS-2- Versie 3j Ouder - alleen NL normen
NL (peuterversie) - alleen normen
algemene populatie
M- 16m-30m Ouders - algemene populatie + - 24m = optimale leeftijd om
CHAT- klinische groep af te nemen
R/F - geen Vlaamse normen
SCQ- Vanaf 2j Ouders - algemene populatie - gebaseerd op ADI-R
NL (ontwikkelingsleeftijd) - VL normen beschikbaar
1
, SAMENVATTING ONTWIKKELINGS- EN GEDRAGSSTOORNISSEN SEMESTER 2
- ‘levensloop’ versie voor
screening
Kwaliteitslabel C – onvoldoende, aanvaardbaar in specifieke gevallen
AVZ-R 2-70j Professioneel - populatie verstandelijke - specifiek voor personen met
ontwikkelingsstoornis verstandelijke
- NL normen ontwikkelingsstoornis
à steeds rekening houden met:
- 1) voor welke beoordelaar (informant) het instrument bedoeld is
- 2) voor welke specifieke doelgroep (leeftijd, evt. bijkomende
stoornis/beperking)
- 3) normering: vergeleken worden met hetzelfde geslacht en leeftijd
o Screeningsinstrumenten genormeerd op:
§ Algemene populatie: differentiatie tussen ASS en algemene
populatie
• Goed bruikbaar in algemene populatie, maken goed
onderscheid tussen typische en verstoorde ontwikkeling
§ Klinische populatie: differentiatie tussen ASS en andere
stoornissen
• Goed onderscheid tussen stoornissen
§ à combinatie van de 2 is het best
o Retrospectieve en prospectieve normen
§ Gericht op het verleden: hoe gedroeg het kind zich vroeger?
• Kan vertekend beeld geven (obv wat men nu weet of dingen
die ze meegemaakt hebben na die specifieke leeftijd)
§ Kijken naar een hele grote populatie jonge kinderen (met ASS) en
opvolgen over een lange periode
• Kijken later: wie heeft ASS en wie niet? Wat zorgt dat ze
meer kans hebben op een diagnose?
• Is algemeen, kiezen niet specifiek deel van de populatie van
baby’s
- 4) culturele verschillen
o NL normen vs VL normen
§ Sociaal gedrag die voor de ene normaal is, kan voor de ander
raar/opvallend zijn
§ Altijd instrument nemen waarbij de normgroep aansluit bij cultuur
van het kind
• Vb. Vlaamse normgroep voor Vlaams kind
- 5) subjectiviteit
o Vragenlijsten zijn steeds subjectief, soms moeilijk om te kiezen (ja of nee)
§ Vb. M-CHAT: geven duiding over wanneer ja of nee invullen
INTELLIGENTIE ONDERZOEK
- Standaard deel van diagnostisch proces
o Interpretatie testresultaten
o Uitsluiten hoogbegaafdheid of verstandelijke beperking
2
, SAMENVATTING ONTWIKKELINGS- EN GEDRAGSSTOORNISSEN SEMESTER 2
- Meest bekende zijn de Wechsler IQ-testen (WPPSI /WISC/WAIS), maar er zijn ook
andere varianten, zoals bv. RAKIT, SON, RAVEN.
o Keuze maken afhankelijk van leeftijd, taalniveau, problematieken, etc.
OBSERVATIE
Observeren: niet zomaar kijken, maar gericht kijken (= tool in diagnostiek)
Wat je kan verwachten op basis van …
- Kindkenmerken (leeftijd, geslacht, voorgeschiedenis, …)
o Wijkt het kind af?
o Wat verwacht ik te zien?
o Vb. meisjes die druk zijn op de speelplaats gaan sneller opgemarkt
worden dan jongens
- Setting:
o Context waarin we ons bevinden beïnvloedt mee ons gedrag
o Speelplaats vs thuis: wilder vs rustiger
o Speelplaats vs klas: ongestructureerde situatie vs gestructureerde (met
duidelijke afspraken en regels)
o Klas vs turnles
o = observeren van verschillen in gedragingen
- Rol van de aanwezig volwassene
o Welke structuur wordt opgelegd?
o Feedback op gedrag (onmiddellijk, uitgesteld, afwezig, …)
§ à beïnvloedt verwachtingen van gedrag
§ Impliciete FB is moeilijker bij ASS
o Expliciete/impliciete regels
- Rol van de andere kinderen
o Aantal kinderen
o Acties en reacties van de anderen
§ Kind + anderen wild of enkel kind wild + anderen rustig?
- Niet alleen focussen op de meest opvallende dingen
o Observeer ook wat ze niet doen in vergelijking met leeftijdsgenoten (vb.
verbaal niet in interactie gaan)
o Observeer ook taal en motoriek
- à gebruik een schema/structuur
o Zeker zijn dat je niks mist, zaken vooraf noteren die je verwacht te zien van
bepaalde leeftijd of domeinen waar je op wil letten
o Vb. DSM-5(-TR) criteria, CARS
CARS-2
Childhood Autism Rating Scale (2nd edition)
- 15 domeinen waarop gelet kan
worden tijdens een observatie en waarop het kind (vanaf 2j) beoordeeld kan
worden
3
WERKCOLLEGE 1: AUTISMESPECTRUMSTOORNIS
INSTRUMENTEN
Screening
- Heeft dit kind een verhoogde kans op ASS?
- Bij aanmelding: richting ASS?
- Ja? à verder onderzoek nodig
Diagnose
- ASS of niet? à gepaste ondersteuning, gezinsuitbreiding, …
Assessment
- Sterke en minder sterke kanten in kaart brengen in functie van behandelingsplan
- Kapstokken om aan de slag te gaan
o Zaken waarmee je het kind kan helpen in dagelijkse leven
SCREENINGSINSTRUMENTEN
- Screeningsinstrumenten zijn relatief korte vragenlijsten die bij grote groepen
afgenomen kunnen worden.
- Dyade van symptomen
o Sociale wederkerigheid: vb. geen interesse in leeftijdsgenootjes
o Communicatie: vb. vreemde intonatie of geen gebruik van gebaren
o Specifieke interesses/stereotiep gedrag: vb. fladderen
- Predictoren (obv onderzoek)
o Vb. snel gefrustreerd bij verandering, hypoactief als baby
- Bevraging specifieke leeftijden
o Vb. SCQ: 4 – 5 jaar
- Extra informatie (vb. motoriek)
Leeftijd Informant Normen Extra info
Kwaliteitslabel A – goed
SRS-2- Versie 4-18j Ouder - VL normen algemene - Enkel NL normen voor
NL (kindversie) Leerkracht populatie leerkrachten beschikbaar
- VL + NL normen
klinische groep
Kwaliteitslabel B – voldoende
SRS-2- Versie 3j Ouder - alleen NL normen
NL (peuterversie) - alleen normen
algemene populatie
M- 16m-30m Ouders - algemene populatie + - 24m = optimale leeftijd om
CHAT- klinische groep af te nemen
R/F - geen Vlaamse normen
SCQ- Vanaf 2j Ouders - algemene populatie - gebaseerd op ADI-R
NL (ontwikkelingsleeftijd) - VL normen beschikbaar
1
, SAMENVATTING ONTWIKKELINGS- EN GEDRAGSSTOORNISSEN SEMESTER 2
- ‘levensloop’ versie voor
screening
Kwaliteitslabel C – onvoldoende, aanvaardbaar in specifieke gevallen
AVZ-R 2-70j Professioneel - populatie verstandelijke - specifiek voor personen met
ontwikkelingsstoornis verstandelijke
- NL normen ontwikkelingsstoornis
à steeds rekening houden met:
- 1) voor welke beoordelaar (informant) het instrument bedoeld is
- 2) voor welke specifieke doelgroep (leeftijd, evt. bijkomende
stoornis/beperking)
- 3) normering: vergeleken worden met hetzelfde geslacht en leeftijd
o Screeningsinstrumenten genormeerd op:
§ Algemene populatie: differentiatie tussen ASS en algemene
populatie
• Goed bruikbaar in algemene populatie, maken goed
onderscheid tussen typische en verstoorde ontwikkeling
§ Klinische populatie: differentiatie tussen ASS en andere
stoornissen
• Goed onderscheid tussen stoornissen
§ à combinatie van de 2 is het best
o Retrospectieve en prospectieve normen
§ Gericht op het verleden: hoe gedroeg het kind zich vroeger?
• Kan vertekend beeld geven (obv wat men nu weet of dingen
die ze meegemaakt hebben na die specifieke leeftijd)
§ Kijken naar een hele grote populatie jonge kinderen (met ASS) en
opvolgen over een lange periode
• Kijken later: wie heeft ASS en wie niet? Wat zorgt dat ze
meer kans hebben op een diagnose?
• Is algemeen, kiezen niet specifiek deel van de populatie van
baby’s
- 4) culturele verschillen
o NL normen vs VL normen
§ Sociaal gedrag die voor de ene normaal is, kan voor de ander
raar/opvallend zijn
§ Altijd instrument nemen waarbij de normgroep aansluit bij cultuur
van het kind
• Vb. Vlaamse normgroep voor Vlaams kind
- 5) subjectiviteit
o Vragenlijsten zijn steeds subjectief, soms moeilijk om te kiezen (ja of nee)
§ Vb. M-CHAT: geven duiding over wanneer ja of nee invullen
INTELLIGENTIE ONDERZOEK
- Standaard deel van diagnostisch proces
o Interpretatie testresultaten
o Uitsluiten hoogbegaafdheid of verstandelijke beperking
2
, SAMENVATTING ONTWIKKELINGS- EN GEDRAGSSTOORNISSEN SEMESTER 2
- Meest bekende zijn de Wechsler IQ-testen (WPPSI /WISC/WAIS), maar er zijn ook
andere varianten, zoals bv. RAKIT, SON, RAVEN.
o Keuze maken afhankelijk van leeftijd, taalniveau, problematieken, etc.
OBSERVATIE
Observeren: niet zomaar kijken, maar gericht kijken (= tool in diagnostiek)
Wat je kan verwachten op basis van …
- Kindkenmerken (leeftijd, geslacht, voorgeschiedenis, …)
o Wijkt het kind af?
o Wat verwacht ik te zien?
o Vb. meisjes die druk zijn op de speelplaats gaan sneller opgemarkt
worden dan jongens
- Setting:
o Context waarin we ons bevinden beïnvloedt mee ons gedrag
o Speelplaats vs thuis: wilder vs rustiger
o Speelplaats vs klas: ongestructureerde situatie vs gestructureerde (met
duidelijke afspraken en regels)
o Klas vs turnles
o = observeren van verschillen in gedragingen
- Rol van de aanwezig volwassene
o Welke structuur wordt opgelegd?
o Feedback op gedrag (onmiddellijk, uitgesteld, afwezig, …)
§ à beïnvloedt verwachtingen van gedrag
§ Impliciete FB is moeilijker bij ASS
o Expliciete/impliciete regels
- Rol van de andere kinderen
o Aantal kinderen
o Acties en reacties van de anderen
§ Kind + anderen wild of enkel kind wild + anderen rustig?
- Niet alleen focussen op de meest opvallende dingen
o Observeer ook wat ze niet doen in vergelijking met leeftijdsgenoten (vb.
verbaal niet in interactie gaan)
o Observeer ook taal en motoriek
- à gebruik een schema/structuur
o Zeker zijn dat je niks mist, zaken vooraf noteren die je verwacht te zien van
bepaalde leeftijd of domeinen waar je op wil letten
o Vb. DSM-5(-TR) criteria, CARS
CARS-2
Childhood Autism Rating Scale (2nd edition)
- 15 domeinen waarop gelet kan
worden tijdens een observatie en waarop het kind (vanaf 2j) beoordeeld kan
worden
3