Examen- / Toetsvragen Lichtontwerp
Overzicht van theoretische vragen en meerkeuzevragen
1) Vul onderstaand schema in. (5p.)
Lichttechnische
Staat voor? (term) Gemeten in/van? Waarom belangrijk om te kennen?
grootheid
CRI
L
Φ
E
CCT
I
2) Wat is het primaire doel van de projectanalyse binnen een lichtontwerp? (1p.)
A. Het verzamelen van informatie over gebruik, gebruikers en architectuur.
B. Het bepalen van armatuurtypes en te gebruiken fabrikanten.
C. Het uitvoeren van lichtberekeningen om te zien of de noodzakelijke normen worden gehaald.
D. Het kiezen van de juiste kleurtemperatuur om voor te kunnen stellen aan de klant.
3) Welke factor hoort volgens de cursus niet thuis in de projectanalyse? (1p.)
A. Frequentie van gebruik
B. Reflectiefactoren van materialen
C. Garantietermijn van armaturen
D. Ruimtelijke oriëntatie van de gebruiker
9) Geef aan of de volgende uitspraken over geïntegreerde verlichting waar of niet waar zijn. (1p.)
A. Geïntegreerde verlichting gaat op in de architectuur en is dus zeer geliefd bij architecten.
B. Omdat de armaturen geïntegreerd zijn in een structuur, is dit uitsluitend bedoeld als indirecte verlichting.
C. Geïntegreerde verlichting is statisch en niet bedoeld om aan te passen of te verplaatsen.
D. Bij geïntegreerde verlichting hoef je geen rekening te houden met de aanwezigheid van de driver.
10) Welke bewering over directe en indirecte verblinding is waar? (1p.)
A. Directe verblinding komt vooral door zonlicht, indirecte verblinding enkel door kunstlicht.
B. Zowel directe als indirecte verblinding kunnen worden veroorzaakt door een te hoge verlichtingssterkte.
C. Enkel binnen kwantitatieve ontwerpen is rekening te houden met beide typen verblinding vanwege de norm.
D. Directe verblinding komt enkel door de lichtbron zelf, indirecte verblinding door enkel door reflectie.
, 11) Wat heeft de term UGR en de daaraan gekoppelde waarde (die terugkomt in de norm EN 12464-1)
te maken met verblinding? (1p.)
A. Het geeft aan in welke mate het armatuur verblindend is; een lagere waarde is minder verblindend.
B. De waarde geeft aan hoe diep de lichtbron minimaal moet worden ingebouwd om niet verblindend te zijn.
C. Het staat voor het aantal seconden dat men in een donkere kamer in de bron kan kijken zonder ongemak.
D. Geen van alle antwoorden. De term UGR hoort bij de wettelijke noodverlichting, niet bij verblinding.
12) Geef op de Kelvin-schaal aan waar zich de warm witten en neutrale witten situeren. (2p.)
2000K 2200K 2400K 2600K 2800K 3000K 3200K 3400K 3600K 3800K 4000K 4200K 4440K 4600K
13) Geef een mogelijke verklaring voor waarom ik mij persoonlijk niet fijn voel in de prachtige design
living van mijn tante in Zuid-Spanje en wat heeft dit te maken met de voorgaande vraag? (2p.)
14) Geef 2 manieren waarop je in een schetsontwerp kan laten zien dat je het concept layered lighting
begrijpt. (2p.)
15) Geef 2 kenmerken per polair diagram wat betreft de lichtbundel en lichtuitstraling. (2,5p.)
Teken / benoem ook de vorm van de lichtvlek. (2,5p.)
Type 1 Type 2 Type 3 Type 4
18) Waarom is het als lichtontwerper nuttig je bewust te zijn van de omgekeerde kwadratenwet? (2p.)
19) Welke installatievorm hoort typisch bij additieve systemen? (1p.)
A. Grid van plafondinbouwde armaturen
B. Een verborgen koof
C. Spanningsrail met spots
D. Geïntegreerd lichtplafond
Overzicht van theoretische vragen en meerkeuzevragen
1) Vul onderstaand schema in. (5p.)
Lichttechnische
Staat voor? (term) Gemeten in/van? Waarom belangrijk om te kennen?
grootheid
CRI
L
Φ
E
CCT
I
2) Wat is het primaire doel van de projectanalyse binnen een lichtontwerp? (1p.)
A. Het verzamelen van informatie over gebruik, gebruikers en architectuur.
B. Het bepalen van armatuurtypes en te gebruiken fabrikanten.
C. Het uitvoeren van lichtberekeningen om te zien of de noodzakelijke normen worden gehaald.
D. Het kiezen van de juiste kleurtemperatuur om voor te kunnen stellen aan de klant.
3) Welke factor hoort volgens de cursus niet thuis in de projectanalyse? (1p.)
A. Frequentie van gebruik
B. Reflectiefactoren van materialen
C. Garantietermijn van armaturen
D. Ruimtelijke oriëntatie van de gebruiker
9) Geef aan of de volgende uitspraken over geïntegreerde verlichting waar of niet waar zijn. (1p.)
A. Geïntegreerde verlichting gaat op in de architectuur en is dus zeer geliefd bij architecten.
B. Omdat de armaturen geïntegreerd zijn in een structuur, is dit uitsluitend bedoeld als indirecte verlichting.
C. Geïntegreerde verlichting is statisch en niet bedoeld om aan te passen of te verplaatsen.
D. Bij geïntegreerde verlichting hoef je geen rekening te houden met de aanwezigheid van de driver.
10) Welke bewering over directe en indirecte verblinding is waar? (1p.)
A. Directe verblinding komt vooral door zonlicht, indirecte verblinding enkel door kunstlicht.
B. Zowel directe als indirecte verblinding kunnen worden veroorzaakt door een te hoge verlichtingssterkte.
C. Enkel binnen kwantitatieve ontwerpen is rekening te houden met beide typen verblinding vanwege de norm.
D. Directe verblinding komt enkel door de lichtbron zelf, indirecte verblinding door enkel door reflectie.
, 11) Wat heeft de term UGR en de daaraan gekoppelde waarde (die terugkomt in de norm EN 12464-1)
te maken met verblinding? (1p.)
A. Het geeft aan in welke mate het armatuur verblindend is; een lagere waarde is minder verblindend.
B. De waarde geeft aan hoe diep de lichtbron minimaal moet worden ingebouwd om niet verblindend te zijn.
C. Het staat voor het aantal seconden dat men in een donkere kamer in de bron kan kijken zonder ongemak.
D. Geen van alle antwoorden. De term UGR hoort bij de wettelijke noodverlichting, niet bij verblinding.
12) Geef op de Kelvin-schaal aan waar zich de warm witten en neutrale witten situeren. (2p.)
2000K 2200K 2400K 2600K 2800K 3000K 3200K 3400K 3600K 3800K 4000K 4200K 4440K 4600K
13) Geef een mogelijke verklaring voor waarom ik mij persoonlijk niet fijn voel in de prachtige design
living van mijn tante in Zuid-Spanje en wat heeft dit te maken met de voorgaande vraag? (2p.)
14) Geef 2 manieren waarop je in een schetsontwerp kan laten zien dat je het concept layered lighting
begrijpt. (2p.)
15) Geef 2 kenmerken per polair diagram wat betreft de lichtbundel en lichtuitstraling. (2,5p.)
Teken / benoem ook de vorm van de lichtvlek. (2,5p.)
Type 1 Type 2 Type 3 Type 4
18) Waarom is het als lichtontwerper nuttig je bewust te zijn van de omgekeerde kwadratenwet? (2p.)
19) Welke installatievorm hoort typisch bij additieve systemen? (1p.)
A. Grid van plafondinbouwde armaturen
B. Een verborgen koof
C. Spanningsrail met spots
D. Geïntegreerd lichtplafond