Hoofdstuk 1. inleiding
1. Oorsprong van de cursus
- Terug tot jaren 1980
o Curriculum tot dan sterk eurocentrisch sterke focus op
bronnen rond Europese, Belgische en Vlaamse geschiedenis
o Nieuwe cursus: Derde wereld in historisch perspectief
o Vragen: historische samenhang tussen welvaart Westerse
industrielanden en armoede in Derde Wereld
Verklaring van politieke en economische aard, maar ook
historische verklaringen
Wat is de rol van kolonisatie? Great Divergence na IR?
Wat zijn de gevolgen vandaag?
- Mondiale processen
o Later: cluster wereldgeschiedenis + Geschiedenis van Afrika,
de Amerika’s, Zuid-Azië, China, Japan, de Islamwereld en het
Nabije Oosten…
o Vraagstelling verruimd: mondiale processen in historisch
perspectief
o Niet alleen kwestie van ‘Derde wereld’ besef dat
samenhang in de wereld complexer is dan een afzonderlijke
eerste, tweede & derde wereld
o Onderwerpen: globalisering, kapitalistisch wereldsysteem (met
kernlanden & periferie), modernisering, cultuurverschil,
Westerse hegemonie
o Actuele debatten: BLM, gender, dekolonisatie, migratie,
globale ongelijkheid, fundamentalisme…
2. Moderniteit in mondiale context
Geen analyse van moderniteit op zich, maar van historisch
proces en verschillende historische trajecten van moderniteit
2.1 Wat is modern?
- Heel veel verschillende vlakken: niet alleen technologie, economie,
cultuur… maar een samenhang hiertussen
- Bv. Modern volgens Charles Taylor:
o New practices and institutional forms (science, technology,
industrial production, urbanization)
o New ways of living (individualism, secularization, instrumental
rationality)
o New forms of malaise (alienation, meaninglessness, a sense of
social dissolution)
o Bevat wetenschap, industrie, stedelijke samenleving, identiteit
en beleving, secularisering en instrumentele rationaliteit, maar
ook negatieve kant van gevoel van ongemak, afstand nemen
van vertrouwde dingen
1
, o Individuele elementen kunnen sterk verschillen van plaats tot
plaats
- Moderniseringstheorie:
o Jaren ’50-’60: hoogtepunt van moderniseringsdenken
(modernisering zou ons tot beter leven brengen)
o Voorwaarden voor modernisering volgens Ferguson: industrial
economy, scientific technology, liberal democratic politics,
nuclear families, secular world views
o Gebruikt door westen als ideologisch wapen (hele wereld moet
aan westerse standaard voldoen)
Ontwikkelingshulp op deze criteria afstemmen
- Moderniteit binnen het (westerse) standaardverhaal
o Moderniteit is het centrale meta- verhaal van (westerse)
geschiedenis
o Moderniteit als nieuw universalistisch project vanaf 18e eeuw
(oorsprongen 16e eeuw)
o Basis = waarden van Verlichting (bv. secularisering of
democratische staat)
o Emancipatiebeweging die komaf maakt met traditionele
banden die vrije ontplooiing van mens en samenleving
belemmerd (monarchie, kerk, patriarchaat…)
o Vervangen door zaken die moderne vrije samenleving tot
stand brengt (vooruitgang, technologie, wetenschap…)
o Samenhang met revoluties: politieke- (bv. Franse), industriële
-, consumptie- wetenschappelijke-,
Overlappen met elkaar
o Natiestaat als centraal element van moderne samenleving
(natie als drager van de staat)
2.2 Elementen van moderniteit
- Technologie
o Technologie bepaalt moderne samenleving
Transport (stoomschepen, spoorwegen, auto), communicatie
(telegraaf, smartphone), informatie (computer)
o Wetenschap: zorgt voor technologische ontwikkeling
o Industrie
o Maar ook binnen huishouden: robotstofzuiger, wasmachine,
airfreyer…
- Kapitalisme
o Bepaalt in grote mate onze samenleving
o Industriële consumptiesamenleving: arbeid en consumptie
bepalen rythme van leven en sociale positie van het individu
2
, Positie in de samenleving bepaalt door klasse (volgens
inkomen en consumptie) ↔ AR: positie bepaalt door
stand, geboorte
Consumptie als manier om zichzelf te identificeren
o “Commodificatie”: alles is een koopwaar geworden (ook
arbeid, lichaam)
ondermijnt veel maatschappelijke sociale waarden
o Kapitalisme als ‘modern world system’ (I. Wallerstein)
speelt niet alleen een rol op specifieke plaatsen
o Economische politiek 20e eeuw sterk door natiestaat bepaald,
later globalisering (multinationals, financiële markten…)
- De rol van de natiestaat
o Ontstaat tijdens 19e eeuw als gevolg van oa Franse Revolutie
o Streeft naar monopolie van politieke macht
o Heeft grote invloed op alle levens-aspecten: rechtspraak,
politie, economie, opvoeding, gezondheidszorg… door de staat
geregeld
o Staat als drager en maker van nationale identiteit: inschakelen
feestdagen, volkslied, nationaal leerplan school, voetbalploeg,
publieke omroep…
o Deel van internationaal systeem met onderlinge concurrentie,
oorlogen, organisaties (VN, EU…)
o Eveneens in concurrentie met supra-nationale spelers (zoals
financiële markt) en regionale belangengroepen (regionalisme)
- Moderniteit als discours
o Moderniteit niet alleen feitelijke constellatie, maar ook als
identiteit en discours
o Wij leggen claim op moderniteit + zien modern als iets positief
o Mary Louise Pratt: moderniteit als “discourse of identity”
(2002)
Onszelf definiëren als modern
o Cooper: Modernity as Representation “a narrative of temporal
transformation”, how some people became modern (and
others not)
Moderniteit als kwalitatief kenmerk (‘meer dan anderen’)
claimen
- Moderniteit blijft een ambigu concept
o Associatie met vooruitgang, streven naar welvaart, optimisme
MAAR ook complexe samenleving, vol onzekerheid
o Modernisering gaat parallel met gevoel van verlies van
traditie, het authentieke…“disenchantment”
Streven naar geborgenheid, “goede oude tijd”
o Ferguson - Decomposing modernity: moderniteit als sociale
hiërarchie
De positieve kanten van moderniteit zijn alleen
toegankelijk voor geprivilegieerde groepen
3
, Moderniteit in economisch achtergesteld gebieden wordt
dus niet zo positief ervaren als in West-Europa omdat
heel wat positieve elementen niet beschikbaar zijn (bv.
technologische apparaten)
Moderniteit is nooit absoluut: staat in wisselwerking met
tradities, tegenstromingen, kritieken…
2.3 Kritiek
- Marxisme: kapitalisme zorgt voor vervreemding van gemeenschap,
werk en zelf
- Max Weber: moderne samenlevingen worden gekenmerkt door
rationalisering
o Traditionele waarden en emoties maken plaats voor efficiëntie
en berekening
o Bureaucratie is de meest rationele vorm van organisatie, met
hiërarchie, regels en gespecialiseerde functies
o Negatieve interpretatie van moderne samenleving
- Ca. 1960-1970er: Frankfurt-school (Max Horkheimer, Theodor W.
Adorno, Jürgen Habermas): individu is gevangen in commodificatie,
industrieel kapitalisme en algemene uniformisering van de wereld
- Postmodernisme jaren ‘80:
o Idee dat moderniteit op een hoogtepunt beland is, en we
eigenlijk al stap voorbij het moderniteit zitten
o Kritiek op dominant discours over moderniteit deconstructie
o Subalterne kritiek aan Westerse hegemonie vanuit marginale
groepen en (ex-) kolonies (zie verder: S. Hall, D. Chakrabarty)
o Discours (gebaseerd op westerse idealen van moderne
samenleving) zorgt voor machtsuitoefening westerse wereld
o Postmodernistische beweging leidt tot fragmentatie van
discours, fusion en interculturaliteit
- Michel Foucault (1926-1984): kernideeën
o Macht en Kennis: kennis wordt gevormd door
machtsstructuren en macht wordt in stand gehouden door de
controle over kennis
o ‘Discourse’ = een systeem van kennis en taal, bepaalt wat als
waarheid wordt beschouwd en geeft zo vorm aan onze
perceptie van de werkelijkheid
o Biopolitiek en Gouvernementaliteit: moderne staten reguleren
het leven (biopolitiek) via instellingen, normen en
beleidsmaatregelen.
o Discipline en Straffen: instellingen (gevangenissen, scholen,
ziekenhuizen) gebruiken toezicht en discipline om individuen
te controleren
o Archeologie van de Kennis: er zijn historische verschuivingen
in kennissystemen (kennis is historisch veraderlijk)
o ‘Waanzin’ vs. ‘gezond verstand’ zijn geconstrueerde en
gemarginaliseerde concepten (bepaalt door sociale normen)
4
1. Oorsprong van de cursus
- Terug tot jaren 1980
o Curriculum tot dan sterk eurocentrisch sterke focus op
bronnen rond Europese, Belgische en Vlaamse geschiedenis
o Nieuwe cursus: Derde wereld in historisch perspectief
o Vragen: historische samenhang tussen welvaart Westerse
industrielanden en armoede in Derde Wereld
Verklaring van politieke en economische aard, maar ook
historische verklaringen
Wat is de rol van kolonisatie? Great Divergence na IR?
Wat zijn de gevolgen vandaag?
- Mondiale processen
o Later: cluster wereldgeschiedenis + Geschiedenis van Afrika,
de Amerika’s, Zuid-Azië, China, Japan, de Islamwereld en het
Nabije Oosten…
o Vraagstelling verruimd: mondiale processen in historisch
perspectief
o Niet alleen kwestie van ‘Derde wereld’ besef dat
samenhang in de wereld complexer is dan een afzonderlijke
eerste, tweede & derde wereld
o Onderwerpen: globalisering, kapitalistisch wereldsysteem (met
kernlanden & periferie), modernisering, cultuurverschil,
Westerse hegemonie
o Actuele debatten: BLM, gender, dekolonisatie, migratie,
globale ongelijkheid, fundamentalisme…
2. Moderniteit in mondiale context
Geen analyse van moderniteit op zich, maar van historisch
proces en verschillende historische trajecten van moderniteit
2.1 Wat is modern?
- Heel veel verschillende vlakken: niet alleen technologie, economie,
cultuur… maar een samenhang hiertussen
- Bv. Modern volgens Charles Taylor:
o New practices and institutional forms (science, technology,
industrial production, urbanization)
o New ways of living (individualism, secularization, instrumental
rationality)
o New forms of malaise (alienation, meaninglessness, a sense of
social dissolution)
o Bevat wetenschap, industrie, stedelijke samenleving, identiteit
en beleving, secularisering en instrumentele rationaliteit, maar
ook negatieve kant van gevoel van ongemak, afstand nemen
van vertrouwde dingen
1
, o Individuele elementen kunnen sterk verschillen van plaats tot
plaats
- Moderniseringstheorie:
o Jaren ’50-’60: hoogtepunt van moderniseringsdenken
(modernisering zou ons tot beter leven brengen)
o Voorwaarden voor modernisering volgens Ferguson: industrial
economy, scientific technology, liberal democratic politics,
nuclear families, secular world views
o Gebruikt door westen als ideologisch wapen (hele wereld moet
aan westerse standaard voldoen)
Ontwikkelingshulp op deze criteria afstemmen
- Moderniteit binnen het (westerse) standaardverhaal
o Moderniteit is het centrale meta- verhaal van (westerse)
geschiedenis
o Moderniteit als nieuw universalistisch project vanaf 18e eeuw
(oorsprongen 16e eeuw)
o Basis = waarden van Verlichting (bv. secularisering of
democratische staat)
o Emancipatiebeweging die komaf maakt met traditionele
banden die vrije ontplooiing van mens en samenleving
belemmerd (monarchie, kerk, patriarchaat…)
o Vervangen door zaken die moderne vrije samenleving tot
stand brengt (vooruitgang, technologie, wetenschap…)
o Samenhang met revoluties: politieke- (bv. Franse), industriële
-, consumptie- wetenschappelijke-,
Overlappen met elkaar
o Natiestaat als centraal element van moderne samenleving
(natie als drager van de staat)
2.2 Elementen van moderniteit
- Technologie
o Technologie bepaalt moderne samenleving
Transport (stoomschepen, spoorwegen, auto), communicatie
(telegraaf, smartphone), informatie (computer)
o Wetenschap: zorgt voor technologische ontwikkeling
o Industrie
o Maar ook binnen huishouden: robotstofzuiger, wasmachine,
airfreyer…
- Kapitalisme
o Bepaalt in grote mate onze samenleving
o Industriële consumptiesamenleving: arbeid en consumptie
bepalen rythme van leven en sociale positie van het individu
2
, Positie in de samenleving bepaalt door klasse (volgens
inkomen en consumptie) ↔ AR: positie bepaalt door
stand, geboorte
Consumptie als manier om zichzelf te identificeren
o “Commodificatie”: alles is een koopwaar geworden (ook
arbeid, lichaam)
ondermijnt veel maatschappelijke sociale waarden
o Kapitalisme als ‘modern world system’ (I. Wallerstein)
speelt niet alleen een rol op specifieke plaatsen
o Economische politiek 20e eeuw sterk door natiestaat bepaald,
later globalisering (multinationals, financiële markten…)
- De rol van de natiestaat
o Ontstaat tijdens 19e eeuw als gevolg van oa Franse Revolutie
o Streeft naar monopolie van politieke macht
o Heeft grote invloed op alle levens-aspecten: rechtspraak,
politie, economie, opvoeding, gezondheidszorg… door de staat
geregeld
o Staat als drager en maker van nationale identiteit: inschakelen
feestdagen, volkslied, nationaal leerplan school, voetbalploeg,
publieke omroep…
o Deel van internationaal systeem met onderlinge concurrentie,
oorlogen, organisaties (VN, EU…)
o Eveneens in concurrentie met supra-nationale spelers (zoals
financiële markt) en regionale belangengroepen (regionalisme)
- Moderniteit als discours
o Moderniteit niet alleen feitelijke constellatie, maar ook als
identiteit en discours
o Wij leggen claim op moderniteit + zien modern als iets positief
o Mary Louise Pratt: moderniteit als “discourse of identity”
(2002)
Onszelf definiëren als modern
o Cooper: Modernity as Representation “a narrative of temporal
transformation”, how some people became modern (and
others not)
Moderniteit als kwalitatief kenmerk (‘meer dan anderen’)
claimen
- Moderniteit blijft een ambigu concept
o Associatie met vooruitgang, streven naar welvaart, optimisme
MAAR ook complexe samenleving, vol onzekerheid
o Modernisering gaat parallel met gevoel van verlies van
traditie, het authentieke…“disenchantment”
Streven naar geborgenheid, “goede oude tijd”
o Ferguson - Decomposing modernity: moderniteit als sociale
hiërarchie
De positieve kanten van moderniteit zijn alleen
toegankelijk voor geprivilegieerde groepen
3
, Moderniteit in economisch achtergesteld gebieden wordt
dus niet zo positief ervaren als in West-Europa omdat
heel wat positieve elementen niet beschikbaar zijn (bv.
technologische apparaten)
Moderniteit is nooit absoluut: staat in wisselwerking met
tradities, tegenstromingen, kritieken…
2.3 Kritiek
- Marxisme: kapitalisme zorgt voor vervreemding van gemeenschap,
werk en zelf
- Max Weber: moderne samenlevingen worden gekenmerkt door
rationalisering
o Traditionele waarden en emoties maken plaats voor efficiëntie
en berekening
o Bureaucratie is de meest rationele vorm van organisatie, met
hiërarchie, regels en gespecialiseerde functies
o Negatieve interpretatie van moderne samenleving
- Ca. 1960-1970er: Frankfurt-school (Max Horkheimer, Theodor W.
Adorno, Jürgen Habermas): individu is gevangen in commodificatie,
industrieel kapitalisme en algemene uniformisering van de wereld
- Postmodernisme jaren ‘80:
o Idee dat moderniteit op een hoogtepunt beland is, en we
eigenlijk al stap voorbij het moderniteit zitten
o Kritiek op dominant discours over moderniteit deconstructie
o Subalterne kritiek aan Westerse hegemonie vanuit marginale
groepen en (ex-) kolonies (zie verder: S. Hall, D. Chakrabarty)
o Discours (gebaseerd op westerse idealen van moderne
samenleving) zorgt voor machtsuitoefening westerse wereld
o Postmodernistische beweging leidt tot fragmentatie van
discours, fusion en interculturaliteit
- Michel Foucault (1926-1984): kernideeën
o Macht en Kennis: kennis wordt gevormd door
machtsstructuren en macht wordt in stand gehouden door de
controle over kennis
o ‘Discourse’ = een systeem van kennis en taal, bepaalt wat als
waarheid wordt beschouwd en geeft zo vorm aan onze
perceptie van de werkelijkheid
o Biopolitiek en Gouvernementaliteit: moderne staten reguleren
het leven (biopolitiek) via instellingen, normen en
beleidsmaatregelen.
o Discipline en Straffen: instellingen (gevangenissen, scholen,
ziekenhuizen) gebruiken toezicht en discipline om individuen
te controleren
o Archeologie van de Kennis: er zijn historische verschuivingen
in kennissystemen (kennis is historisch veraderlijk)
o ‘Waanzin’ vs. ‘gezond verstand’ zijn geconstrueerde en
gemarginaliseerde concepten (bepaalt door sociale normen)
4