, Deel III: Psychologie van de intelligentie
1 Inleiding en definities ........................................................................................................... 3
1.1 Inleiding .....................................................................................................................................3
1.2 Definitie volgens de leek.............................................................................................................3
1.3 Definitie volgens experts ............................................................................................................4
1.3.1 Symposia van 1921 en 1986 .......................................................................................................................... 4
1.3.2 Operationele definitie van Boring (1923) ........................................................................................................ 5
1.3.3 Definitie van Sternberg (1985) ....................................................................................................................... 5
1.4 Intelligentie en IQ .......................................................................................................................7
1.4.1 Francis Galton ............................................................................................................................................... 7
1.4.2 Alfred Binet ................................................................................................................................................... 7
1.4.3 David Weschsler ........................................................................................................................................... 8
1.4.4 IQ .................................................................................................................................................................. 9
1.5 Het meten van intelligentie .........................................................................................................9
1.5.1 Lewis Terman .............................................................................................................................................. 10
1.5.2 Robert Yerkes .............................................................................................................................................. 10
1.5.3 Wechsler ..................................................................................................................................................... 11
1.5.4 John Raven: progressive matrices ............................................................................................................... 12
2 De structuur van intelligentie ..............................................................................................14
2.1 Inleiding ................................................................................................................................... 14
2.2 Psychometrische modellen ...................................................................................................... 15
2.2.1 Spearman: 2-factorentheorie ...................................................................................................................... 15
2.2.2 Vernon: groepsfactoren ............................................................................................................................... 16
2.2.3 Thurstone: primary mental abilities ............................................................................................................. 18
2.2.4 Guilford: structure of intellect ..................................................................................................................... 20
2.2.5 Cattel: mutiple 2de orde factoren ................................................................................................................. 21
2.2.6 Carroll: tri-strata model ............................................................................................................................... 23
2.2.7 Evaluatie factoranalytisch onderzoek .......................................................................................................... 24
2.3 Theoretische modellen............................................................................................................. 25
2.3.1 Gardner: multiple intelligences ................................................................................................................... 25
2.3.2 Sternberg: triarchische theorie van intelligentie........................................................................................... 27
2.3.3 Evaluatie van theoretisch onderzoek ........................................................................................................... 28
2.4 Slotconclusies ......................................................................................................................... 29
3 Topics in intelligentieonderzoek ..........................................................................................30
3.1 Elementaire processen in intelligentie ...................................................................................... 30
3.1.1 Cognitieve correlaten .................................................................................................................................. 30
3.1.2 Cognitieve componenten ............................................................................................................................ 32
3.2 Genen en opvoeding ................................................................................................................. 33
3.2.1 Klassiek onderzoek ..................................................................................................................................... 33
3.2.2 Hedendaagse gedragsgenetica stelt fundamentele assumpties in vraag ..................................................... 35
3.3 Controversen ........................................................................................................................... 36
3.3.1 Controversen rond opvoeding ..................................................................................................................... 36
3.3.2 Controversen rond biologische bias ............................................................................................................ 40
3.4 Conclusie ................................................................................................................................ 45
2
, 1 Inleiding en definities
- Wat is intelligentie?
- Hoe is men op het idee gekomen van het begrip intelligentie?
- Wat is het verschil tussen intelligentie en IQ?
- Hoe wordt intelligentie onderzocht?
1.1 Inleiding
PID van congitief functioneren: betreft verschillen tussen mensen in termen van cognitieve prestaties
→ veruit meest toegepaste gebied = psychologie vd intelligentie
DOEL:
1. Beschrijven van:
o Verschillen: hoe verschillen mensen van elkaar inzake intelligentie? Welke zijn de belangrijke
verschillen?
o Verbanden tussen verschillen: met wat hangen zulke verschillen samen?
2. Verklaren van verschillen:
o Wat ligt er aan de basis van deze verschillen? (vb. genetisch? Opvoeding? Biologisch? Cultuur?) →
verschillende niveaus
Populair uitgangspunt: sommige mensen “doen het beter” dan anderen:
- Vb. in het nemen van complexe beslissingen, abstracte problemen + puzzels oplossen, triviale feitjes onthouden,
studeren + examens, werkprestaties,…
→ cognitief functioneren: vaak samengevat als intelligentie
We vinden dit belangrijk:
- Tijdens opvoeding
- Overvloed aan boeken / technieken over hoe je je succes / prestatie kan bevorderen
- Nadruk op prestaties onderwijs, samenleving, succes, status…
→ we leggen veel nadruk op datgene wat intelligentie veroorzaakt / gevolgen ervan
Maar intelligentie definieren = moeilijke opdracht
1.2 Definitie volgens de leek
→ impliciete theorieën die mensen hanteren over wat intelligentie is
Waarom belangrijk?
1. Bepalen hoe we onszelf en anderen percipiëren + evalueren in dagelijks leven
o Vb. wanneer noemen we iem slim / dom? Op vlak van rekenen, taal, sociaal, emotioneel?
2. Kunnen onderzoek inspireren over de structuur van intelligentie
o Vb. cultuurverschillen in wat intelligent is: lekentheorieën hebben waarschijnlijk wel verband met wat
succesvol betekent in bep culturen en wat niet
Onderzoek naar wat ‘leek’ verstaat onder intelligentie
Sternberg et al. 1981
- Aan leken gevraagd om voorbeelden te geven van (on)intelligente gedragingen → lijst van 170 intelligente + 80
onintelligente stellingen
- Lijst voorgesteld: beoordeel hoe typisch elk gedrag is voor intelligentie
- Vonden 3 types intellgentiegedragingen adhv FA
3
, o Oplossen van praktische problemen
▪ Analyzeren van situatie, kijken wat nodig is om het op te lossen
▪ Vb. studeren
o Verbale vaardigheden
▪ Hoe goed kan je communiceren? Rijk taalgebruik
▪ Vb. analogieën gebruiken, goed mensen overtuigen
o Sociale vaardigheden
▪ Omgaan met anderen, anderen begrijpen / motiveren
▪ Vb. goede leiders
Opmerkingen:
1. Zelfde gevraagd aan experts:
o Correlatie van beschrijvende termen tussen experts en leken was redelijk groot (.80)
o Meningen leken / experts lijken niet veel verschillen te hebben, wel:
▪ Experts: benadrukken meer motivatie bij schoolse intelligentie
▪ Leken: benadrukken meer sociaal bij alledaagse intellgentie
2. Correlatie tussen verschillende soorten was redelijk groot
o Iets gemeenschappelijks aan verschillende vormen → oblieke rotatie bij FA
→ interessant MAAR westers perspectief
Zeer waarschijnlijk dat dit verschilt van cultuur tot cultuur:
- Westen:
o Sterke nadruk op individu
o Sterke nadruk op prestatie en snelheid
- Andere tradities, andere nadrukken
o Vb. Confucianisme: nadruk op filantropie, menslievendheid
o Vb. Taoisme: nadruk op bescheidenheid, aandacht voor geheel
o Vb. India: ook prestaties, maar nadruk van eenheid van gedachten
o Vb. Zambia: sociale verantwoordelijkheid, samenwerking, iemand die weinig spreekt
- naast gedeelde aspecten zoals probleemoplossen, brede interesse, onafhankelijk denken, etc.
Zowel cross-culturele verschillen als gelijkenissen
1.3 Definitie volgens experts
→ duidelijk: cognitieve vaardigheden = belangrijk individueel & maatschappelijk functioneren
1.3.1 Symposia1 van 1921 en 1986
1921: uitnodiging aan experts tot definitie door tijdschrift
- Vb. Thorndike: the power of good responses from the viewpoint of truth or fact
- Vb. Terman: the ability to carry on abstract thinking
→ redelijk heterogeen + verschillende nadrukken
1986: boek samengesteld door Sternberg → “what is intelligence?”
- 24 expertdefinities
o Vb. capaciteit om zich aan nieuwe situaties aan te passen, capaciteit om capaciteit te verwerven
o Vb. biologisch mechanisme waardoor de effecten ve complex van stimuli worden samengebracht en een
min of meer gezamelijk effect krijgen op het gedrag
1
Symposium: wetenschappelijk congres
4
, - Ook weer redelijk heterogeen
- Enkele elementen keren terug:
o Aanpassing aan omgeving
o Basale mentale processen EN hogere orde denken (vb. redeneren, beslissen)
o Discussie: is intelligentie unitair?
- Wel verschuivingen → meer nadruk op:
o Metacognitie2 ↔ kennis
o Belang van cultuur → geeft relativiteit van definitie aan
▪ Concept = merendeels vanuit westen maar ook deel overlap
Conclusie: veel heterogeniteit naast overlap MAAR weinig houvast → nood aan alternatieven
1.3.2 Operationele definitie van Boring (1923)
“intelligence is what the tests test” = concreet + tastbaar
2 problemen:
- Welke tests: meerdere verschillende tests die intelligentie meten + hoe zit dat met tests in andere culturen?
- Circulatiteit: wat meet test dan? Wat is intelligentie? → zegt ons eigenlijk niks
MAAR wordt in praktijk toch veel gebruikt
1.3.3 Definitie van Sternberg (1985)
Meerledige omschrijving van intelligentie, gebaseerd op Binet
Definiëren (algemeen) kan op 3 manieren:
1. Waar vind je het terug: omstandigheden waarin het optreedt, oorsprong
2. Waaruit: aard of bestanddelen
3. Wat doet het: functionaliteit
→ Sternberg gebruikt dergelijke analyse voor intelligentie
OMSTANDIGHEDEN
→ intelligentie doet zich voor in nieuwe en oude taken
1. Nieuwe taken: nieuw qua opgave of uitvoering
o Opgave: uitdaging om opgave te begrijpen + eventueel nodige begrippenkader opbouwen
▪ Vb. concept projection task: omschrijving v kleur in 2010 en 2020, waarbij objecten van kleur
kunnen veranderen met 4 mogelijke omschrijvingen
▪ Demonstratie v Sternberg die toont waar intelligentie voor nodig is → nieuwe taken
▪ Nog nooit taak tegengekomen maar zodra frank valt lukt het
▪ Vergt wel veel aandacht / vaardigheden om op dat punt te geraken
o Uitvoering: hoe handelen obv begrip van opgave
▪ Vb. Waterlelies verdubbelen elke 24 uur vraagtsuk
▪ Instructies zelf makkelijk te begrijpen maar uitvoeren vraagt nieuw inzicht
o Goede nieuwe taak (vb. voor IQ-test) = nieuw in opdracht OF uitvoering MAAR niet allebei
▪ Opmerking: als te nieuw op beide vlakken → te moeilijk
• Vb. algebra voor baby
2
Metacognitie: bewust sturen van eigen leer- en denkprocessen
5
, 2. Oude taken: snel + goed informatieverwerking automatiseren
o Begrijpen van opgave automatiseren
▪ Vb. taak: zijn deze woorden synoniemen? opgave bijna automatisch, je weet automatisch wat
het betekent → uitvoering moeilijker, je moet erover nadenken
o Uitvoering automatiseren
▪ Opgave vergt aandacht, uitvoering bijna automatisch
▪ Vb. letter-matching: zelfde letter? zien of letter 2 a’s of b’s zijn bijna automatisch
BESTANDDELEN
→ intelligentie bestaat uit componenten
- Welke componenten = focus van intelligentieonderzoek
- Binet: geen theorie over intellectuele handelingen: we kennen hun effecten en condities waarin ze tot stand
komen, maar we weten niets over de aard
o Effecten: waartoe leidt intelligentie
o Condities: waarin treed intelligentie op
Sternberg: voorlopig beschrijving van welke soort componenten er bestaan
→ intelligentie = resultaat van elementair informatieverwerkingsproces dat opereert op interne representatie van objecten
en symbolen
1. In-vertaling (input): omzetting van S naar interne representatie
2. Verwerking: bewerking van interne represetaties uitvoeren
3. Uit-vertaling (uitvoer / output):
→ metacomponent:
4. Supervisie (manager): sturen en plannen van componenten
o Checken of alles goed verloopt
o Geheel onder controle / supervisie houden
Intelligentie = vaardigheid om componentiële informatieverwerkingsprocessen snel en accuraat uit te voeren
FUNCTIONALITEIT / EFFECTEN
→ intelligentie dient om optimale match tussen individu en omgeving te realiseren
Doet dit adhv:
- Adaptatie: aanpassing aan omgeving
o Vb. zich bijscholen over onbekend maar belangrijk onderwerp
- Omgevingsselectie (vergt zelfkennis)
o vb. gegeven je vaardigheden → kiezen wat de meest geschikte studierichting is voor jou
- omgevingsmodificatie: vorm geven aan je omgeving (vergt zelfkennis)
o vb. andere invulling geven aan job
→ jezelf of omgeving aanpassen om goede match te vinden
Speelt zich af binnen:
- Het leven van 1 individu
o implicatie: wat intelligent is hangt af vd context en kan dus variëren:
▪ over individuen
▪ binnen 1 individu (verschillende vormen aannemen)
▪ tussen culturen
6