1 Inleiding en vraag ................................................................................................................. 3
2 Trekpsychologie ................................................................................................................... 5
2.1 Nomothetische trekpsychologie .................................................................................................5
2.1.1 Wat is een trek? ............................................................................................................................................. 5
2.1.2 Consistentie van individuele verschillen........................................................................................................ 5
2.1.3 Identificeren van belangrijkste trekken .......................................................................................................... 7
2.2 Nomothetische trektaxonomieën ...............................................................................................8
2.2.1 Psycho-analyse — Freud ............................................................................................................................... 8
2.2.2 Hierarchical Model of Personality — Eysenck ................................................................................................ 8
2.2.3 16 Personality Factor System — Cattell ......................................................................................................... 9
2.2.4 The Wiggins Circumplex — Wiggins ............................................................................................................. 10
2.2.5 Five Factor Model — Costa & McCrae, Goldberg ......................................................................................... 11
2.2.6 Andere typologieën ..................................................................................................................................... 14
2.3 Act Frequentie trekvisie............................................................................................................ 14
3 Interactionisme ...................................................................................................................16
3.1 Inleiding ................................................................................................................................... 16
3.2 Implicaties en methode ............................................................................................................ 17
3.3 Oorzaken van interactie............................................................................................................ 18
3.3.1 Verschillen in sterkte van situaties .............................................................................................................. 18
3.3.2 Verschillen in gedragsflexibiliteit van mensen ............................................................................................. 19
3.3.3 Verschillen in verwerking van situaties ........................................................................................................ 19
3.4 Visie op interactionisme ........................................................................................................... 19
3.4.1 Will Fleeson ................................................................................................................................................ 19
3.4.2 Walter Mischel ............................................................................................................................................ 21
4 Krachtmeting ......................................................................................................................27
4.1 Procentuele bijdrage ................................................................................................................ 27
4.1.1 Procentuele bijdrage in laboratoriumstudies ............................................................................................... 27
4.1.2 Procentuele bijdrage S-R vragenlijsten ........................................................................................................ 29
4.2 Stabiliteit van gedrag ................................................................................................................ 30
4.2.1 Methode ...................................................................................................................................................... 30
4.2.2 Cross-temporele stabiliteit van gedrag ....................................................................................................... 31
4.2.3 Cross-situationele stabiliteit van gedrag .................................................................................................... 32
4.2.4 Cross-uitingsstabiliteit van gedrag ............................................................................................................ 33
4.3 Personality coefficient ............................................................................................................. 33
4.3.1 Resultaten van onderzoek naar PC .............................................................................................................. 33
4.3.2 Moderatoren van PC .................................................................................................................................... 33
4.3.3 Onderzoek naar PC in dagelijks leven .......................................................................................................... 34
4.4 Langetermijn consistentie ........................................................................................................ 36
4.4.1 Gemiddelde niveau stabiliteit van trekken ................................................................................................... 36
4.4.2 Rangordestabiliteit van trekken ................................................................................................................... 37
4.4.3 Persoonlijkheidscoherentie: voorspelling van sociaal relevante uitkomsten ............................................... 39
2
, 4.5 Conclusies persoon-situatie debat ........................................................................................... 41
1 Inleiding en vraag
DEFINITIE
Differientiële psychologie van persoonlijkheid: betreft verschillen tussen mensen in termen van gedachten, gevoelens,
gedrag (niet prestaties)
Doel:
1. Beschrijven van:
o Verschillen: hoe verschillen mensen van elkaar? Welke zijn de balngrijke verschillen?
o Verbanden tussen verschillen: met wat hangen zulke verschillen samen?
2. Verklaren van verschillen: wat ligt aan de basis van deze verschillen?
o Genetisch? opvoeding? biologisch? cultuur? leergeschiedenis? → verschillende niveau’s
Persoonlijkheid definiëren = moeilijke opdracht
- bijna evenveel definities als persoonlijkheidsonderzoekers: elk heeft andere visie, legt andere klemtoon, etc.
Persoonlijkheid volgens larsen & buss:
Persoonlijkheid is een verzameling van psychologische kenmerken (trekken) en mechanismen die een individu
kenmerken, die op een bepaalde manier georganiseerd zijn en relatief duurzaam zijn, die zijn / haar interacties en
aanpassingen aan omgeving beïnvloeden
Even analyseren:
Persoonlijkheid is een verzameling van - Welke belangrijkste? Hoe gestructureerd?
psychologische kenmerken (trekken) - Samenhang? Oorzaken?
o Vb. Vriendelijkheid, agressie,…
en mechanismen - Psychologische processen: input → verwerking → output
o Vb. hostiele attributie: mensen verschillen in neiging anderen
vijandig interpreteren → verwerkingsproces: interpretatie vd
wereld
die een individu kenmerken - Eigenschappen van 1 uniek persoon
die op een bepaalde manier - Bepaalde samenhang
georganiseerd zijn o Samen aanwezig of stoten elkaar juist af
o Vb. vriendelijkheid vs onvriendelijkheid
en relatief duurzaam zijn - Relatief stabiel doorheen de tijd
- Kunnen wel veranderen
die zijn / haar interacties - Een persoon interageert met zijn / haar omgeving: selecteert,
beïnvloedt, wordt beïnvloed door situaties (→ situationisme)
o Vb. in termen van perceptie van de situatie, stelt gedrag af op
omgeving etc…
- DUS: PH functioneert in reactie op omgeving!
en aanpassingen - Aanpassing aan omgevingsfactoren
aan zijn / haar omgeving beïnvloeden - Fysieke omgeving
o Vb. extreme omstandigheden)
- Sociale omgeving
- Intrapsychische omgeving
o Vb. eigen achtergrond, dromen, motivaties, etc…
3
, Belangrijke elementen die terugkeren in andere definities:
Structuren en processen - Structuren: vastliggende kenmerken
- Processen: manieren van informatie te verwerken
In een persoon - Intern aanwezig, refereren naar bepaalde onderliggende kenmerken
o Er is iets intern dat gedrag bepaalt
Die interacties met omgeving bepalen - In termen van gedachten, gevoelens, gedrag
En relatief consistent zijn over de tijd - PH verandert niet van de ene dag op andere: blijft consistent binnen
een persoon doorheen de tijd
→ probleem: definitie = abstracte beschrijving
- Hoe vullen we dit concreet in?
- Welke zijn de structuren en processen?
Antwoord op deze vraag ligt aan basis van tweestrijd / spanningsveld binnen de PID
o Invulling: nomothetische trekconcepten of interactionistische visie
FUNDAMENTELE VRAAG
Kurt Lewin: een vd founding fathers sociale + persoonlijkheidspsychologie
- Vergelijking van Lewin: 𝐵 = 𝑓(𝑃, 𝑆)
o Gedrag (𝐵) = functie van de persoon (𝑃) en de omgeving (𝑆)
▪ Vb. stel: serie van uitdagingen die tot agressief gedrag leiden van bepaalde persoon met impulsieve
/ agressieve trekken
- Volledige formeel-wiskundige herformulering: 𝑠𝐵 = 𝑠𝑃 + 𝑠𝑆 + 𝑠𝑃∗𝑆
- Geobserveerde variatie in gedrag is toe te schrijven aan:
o Verschillen tussen personen → HE persoon
▪ Vb. sommige mensen zijn meer agressief dan anderen → impulsieve personen
o Verschillen tussen situaties → HE situatie
▪ Vb. sommige situaties lokken meer agressie uit dan andere → hitte, provocatie
o Interactie tussen situatie en persoon → HE persoon en situatie
▪ Vb. sommige situaties lokken meer agressie uit bij sommige mensen → narcisme en ego-bedreiging
Discussie in persoonlijkheidspsychologie: welke is belangrijkste?
→ Fundamentele vraag / debat: welke verklaring heeft grootste attributie van variantie?
- Theoretisch: wat is meest belangrijke in bepalen van gedrag?
o Waar moeten onderzoekers zich op focussen?
▪ Vb. onderzoek naar agressie: Wat maakt mensen agressief? Wie zijn agressieve mensen? Wat is de
combinatie die agressie veroorzaakt?
- Praktisch: waar moeten we aan sleutelen om iets te veranderen?
o Moeten we mensen proberen veranderen of hun situaties / omgeving? de combinatie?
- Ethisch: waar ligt de verantwoordelijkheid?
o Gevolgen voor rechtspraak, visie op mens, bestaan van vrije wil, etc
▪ Vb. Verklaren / begrijpen gedrag terroristen, oorlogsmisdaden, daders Reuzegom ...
Afhankelijk van benadering verschilt focus van het onderzoek → uiteenlopende verklaringen + antwoorden
1. HE persoon → nomothetische trekpsychologie (PID)
2. HE situatie → situationisme (sociale psychologie)
3. Interactie → interactionisme (PID)
→ in deel II: hoe verschillen tussen mensen op vlak van persoonlijkheid begrepen moeten worden: trekpsychologie,
interactionisme, krachtmetingen
4
, 2 Trekpsychologie
Vragen:
1. Wat zijn trekken?
2. Welke zijn de belangrijkste?
3. Hoe ziet een omvattend systeem eruit?
2.1 Nomothetische trekpsychologie
2.1.1 Wat is een trek?
Trekbeschrijvende woorden: woorden die trekken / eigenschappen ve persoon beschrijven en ± stabiel zijn over tijd en
situaties
→ Persoonlijkheidstrek: klassiek antwoord vanuit nomothetische trekpsychologie
Nomothetisch trekconcept:
- Hypothetische constructen geformuleerd door onderzoekers om op spaarzame wijze verschillen te verklaren
- Beschrijven consistent patroon in gedrag
3 cruciale eigenschappen van trekken:
1. Interne, stabiele eigenschappen van persoon die ze altijd meedraagt
o Geven aanleiding tot consistent patroon
▪ Vb. iets in persoon dat maakt dat die gekenmerkt is door bep mate van agressie dat altijd deel is vd
persoon
2. Causaal: verklaren gedrag van persoon
o Interne eigenschappen veroorzaken gedrag → causal pathway
▪ Vb. hersendysfuncties maken dat mensen zich agressief gedragen
3. Neemt vorm aan v dimensies waarop mensen plaats innemen
o We kunnen de trek voorstellen als continuum
GEVOLGEN EN IMPLICATIES
- Gedrag ≠ trek → trek ook aanwezig als gedrag niet aanwezig is, trek hoeft niet altijd tot uiting te komen
o Vb. agressie → persoon kan zich inhouden door ademhalingsoefeningen
- Wetenschappelijke bruikbaarheid trek als interne oorzaak → kunnen gedrag verklaren (door uitsluiten externe
oorzaken)
o Vb. als iemand agressief is in een bar, externe factoren uitsluiten en wanneer uitgesloten enkel interne
factor als oorzaak
Hoofdeffect van persoon = belangrijkste manier om IV op te vatten
2.1.2 Consistentie van individuele verschillen
Consistentie: hoe stabiel zijn IV over situaties + gedragingen?
Sarah Hampton: persoonlijkheidsonderzoeker
→ wijst op 4 verschillende soorten consistentie
5
, TYPE-A CONSISTENTIE
Cross-temporele consistentie: zelfde situatie, zelfde gedrag
- Hoe stabiel = zelfde gedrag over de tijd heen in zelfde soort situaties
→ test-hertest betrouwbaarheid
o Vb. hoeveel woorden uitgesproken deze les vs. volgende
- Correlatie over personen tussen zelfde gedrag op verschillende
tijdstippen in zelfde situatie
o Hoge r → HE persoon
o Lage r → HE situatie
TYPE-B CONSISTENTIE
Cross-situationele consistentie: andere situatie, zelfde gedrag
- Hoe stabiel = zelfde gedrag over verschillende situaties
o Vb. babbelen mensen die veel babbelen in les ook veel op café?
o Vb. Lab vs echte leven
- Correlatie over personen tussen zelfde gedrag in verschillende situaties
o 2 soorten CSC
Bij 1 persoon: is gedrag gelijkaardig Meerdere personen: blijft rangorde
over situaties heen? tussen pers gelijk?
TYPE-C CONSISTENTIE
Cross-uitings consistentie: zelfde situatie, ander gedrag
- Hoe stabiel = IV inzake uitingen ve trek
o Vb. veel praten + veel gesticuleren → extraversie
o Vb. betekent verbaal agressief → fysiek agressief in zelfde
situatie?
- Correlatie over personen tussen gedrag in zelfde situatie
TYPE-D CONSISTENTIE
Andere situatie, ander gedrag
- Correlatie over personen tussen verschillend gedrag (verwijzend nr
dezelfde trek) in verschillende situaties
o Als trek onderliggend is → zouden verschillende uitingen ervan in
meerdere situaties aanwezig zijn
▪ Vb. extraversie onderliggend = spraakzaam op cafe +
uitgelaten tijdens uitgaan
Speciaal geval → personality coeffecient
- In welke mate kunnen trekscores concreet gedrag in concrete situatie
voorspellen?
o Vb. hoge score op vragenlijst agressie → agressief gedrag op
cafe?
o Predictieve validiteit
→ Verschillende soorten consistentie cruciaal voor voorspelling van gedrag
6