Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Preview 7 out of 122 pages
Summary

Juridische argumentatieleer samenvatting , 14/20 GESLAAGD

Document preview thumbnail
Preview 7 out of 122 pages

samenvatting op basis van slides, samenvatting en handboek. Met deze samenvatting heb ik een 14/20 behaald. Vergeet zeker niet de oefencolleges te leren. Als je nog extra vragen heb stuur maar een bericht :) prof. Kristof van Assche jaar:

Content preview

Volledige samenvatting Juridische
Argumentatieleer (handboek, slides, notities)




1

, Deel I. Redeneren


Titel I. Cognitieve achtergrond

Hoofdstuk 1. § De mens als dier met sterke cognitieve capaciteiten


Theorie van het ‘drievuldige brein’ (triune brain)

1. Oudste laag: reptielachtige brein
 Basaal brein of R-complex
 Spieren, evenwicht en autonome functies
 Gedrag dat gestuurd wordt door dat brein is
rigide, obsessief, compulsief en paranoïde (leert
niet van fouten uit het verleden)
 Altijd actief (zelfs tijdens slapen)
2. Tweede laag: oude zoogdierenbrein of limbische brein
 Komt overeen met het brein van meeste
zoogdieren die evolutionair het vroegst zijn ontstaan
 Geur, drijfveren, motivatie, emoties, tijdsbesef, kennisverwerving en geheugen
 Belangrijke structuren in dit deel:
o Amygdala: emoties, vooral angst en agressie
o Hippocampus: geheugen, helpt bij het opslaan van ervaringen
o Hypothalamus: regelt basisbehoeften zoals honger, dorst en
lichaamstemperatuur en stuurt ook hormonen aan
3. Derde laag: recente zoogdierenbrein, ‘neopallium’ of neocortex
 Dit deel van de hersenen bijna altijd uitsluitend bij mensen (bij dieren is die minder
ontwikkeld)
 2/3 van totale hersenmassa
 Onderverdeeld in twee delen:
o LINKERHELFT:
- Regelt motoriek rechterlichaamshelft
- taal (spraak, begrip, lezen, schrijven),
logica en analytische taken
o RECHTERHELFT:
- Regelt motoriek linkerlichaamshelft
ruimtelijk inzicht, creativiteit, artistieke
vaardigheden



 Theorie is geen wetenschappelijk nauwkeurige weergave van de samenstelling en evolutie
van ons brein
 Hersenen niet in opeenvolgende stadia geëvolueerd maar verschil in verhoudingen en mate
van ontwikkelingen (cf. cognitieve vaardigheden bij kraaien)




2

,Voordeel van de theorie

 Doorprikt illusie van de mens als rationele economische actor
o Reden: veel van ons gedrag wordt gestuurd door de meest basale structuren
van ons brein (reptielen/limbische brein)
o

Verschil tussen mensen van vlees en bloed en zuiver rationele actoren, verschil tussen ‘humans’ en
‘econs’  boek Richard Thaler & Cass Sunstein

 Humans: mensen van vlees en bloed, echte mensen
 Econs: zuiver rationele actoren

Gevolg van evolutionaire wortels van menselijk redeneren

 Manipuleerbaarheid (nudging)
o Mensen worden aangespoord om bepaalde dingen te doen zonder dat ze zich ervan
bewust zijn
o Kan ook ten goede worden gebruikt
- Bv. vliegfoto in urinoir om spetters te veroorzaken, … (zie foto’s)




Uitbreiding op het neocortex

 Prefrontale cortex: plannen, beslissen,
werkgeheugen, aandacht, impulsremming,
gedragsregulatie
 Premotor cortex: kiezen, beweging,
houding/postuur, sequenties
 Primaire motor cortex: fijne motoriek
 Primaire sensorische cortex: tast, druk, pijn
 Somatische sensorische associatiegebied:
objectherkenning op tast, lichaamsschema,
ruimtelijke aandacht
 Visuele associatiegebied: herkennen van
objecten, gezichten, kleur- en
bewegingsanalyse
 Visuele cortex: primaire visuele verwerking: randen/contrast, oriëntatie
 Gebied van Wernicke: Taalbegrip: betekenis van woorden/zinnen, koppeling van klanken aan
taal
 Auditorische cortex: primaire auditieve verwerking; toonhoogte, intensiteit, timing, tonotopie
 Auditorische associatiegebied: interpretatie van geluid: spraak/klankherkenning,
muziekpatronen, auditieve objecten
 Gebied van Broca: spraakproductie en taalplanning; articulatie/motorische spraakplanning,
syntaxis/mentale representatie, klanken


3

,Uitbreiding op de prefrontale cortex

1. Dorsolaterale prefrontale cortex (BA 9/46)
 Abstracte regels, manipuleren informatie,
werkgeheugen, logisch redeneren en plannen
- Links DLPC: sterker bij verbaal
werkgeheugen, taalgerelateerde
regels
- Rechts DLPC: sterker bij
ruimtelijk/visueel werkgeheugen
2. Frontopolaire cortex (BA 10)
 Heel abstract denken (hogere orde): relaties
tussen relaties, hypothesen, multitasking,
lange termijn doelen (bilateraal actief)




Hoofdstuk 2. § Systeem 1- en Systeem 2-denken


Onderscheid tussen Systeem 1 en Systeem 2-denken

1. Systeem 1- denken
 Snel, intuïtief denken
 Automatisch; vaak onbewust, associatief, gebaseerd op ervaringen en patronen
 Stuurt meeste van onze handelingen en gedrag
 Vaardigheden uit reptielen en limbisch brein
2. Systeem 2- denken
 Werkt langzaam en met inspanning: ideeën ordenen, nadenken over wat te doen
 Vereist aandacht en nadenken
 Gebruikt voor: rekenen, logisch redeneren, bewuste keuzes maken
 Overrulet soms systeem 1 (kan corrigeren)



Misverstanden tussen systeem 1 en systeem 2-denken

 Opgepast: Systeem 1 ≠ emotie; Systeem 2 ≠ rede  Emotie en rede is in beide systemen
 Systeem 1: lezen en autorijden, patroonherkenning, taalintuïtie, routinehandelingen,
automatische vaardigheden
 Systeem 2: rationeel omgaan met frustratie, emotie beheersen, impulscontrole,
plannen
 Verschil tussen beide? Snelheid en mate van controle en inspanning, niet “gevoel vs.
verstand’



4

,Overgang maken van systeem 2 naar systeem 1

 Inslijting – de rol van ervaring
 Automatische piloot = bepaald deel van gedrag zo eigen maken dat je het
automatisch gaat stellen  door oefening bepaald patroon
 Abstracte denkprocessen worden door het veel te doen een automatisme
 Keerzijde: curse of knowledge; wanneer kennis van zelfsprekend is (geworden), is deze vaak
ook moeilijker om over te dragen
 Eens je de inslijting hebt gedaan en geïnternaliseerd  zo logisch/evident dat het
moeilijk wordt om bepaalde dingen nog uit te leggen
 Dermate veel weten van bepaald fenomeen en in de vingers dat het niet mogelijk
wordt om aan mensen uit te leggen die er niks van snappen



 Onze cognitieve vaardigheden zijn al millennia ongewijzigd, maar de behoefte om complexe
redeneertaken uit te voeren is aanzienlijk toegenomen
 Cognitieve vaardigheden staan vast  evolutionair bepaald, maar samenleving wordt
complexer en complexer
 Systeem 1-denken neiging om willekeurige informatie te verwerven tot één coherent
verhaal
- Niet meer de moeite om systeem 2 te activeren: later systeem 1 denken
het overnemen  gevolg: input die we krijgen tot 1 coherent verhaal
verwerven zonder dat systeem 2 actief gaat nadenken of het wel klopt
- Kritisch nadenken: systeem 2 activeren



Hoofdstuk 3. § Het brein als verbandenleggende machine


Hoe werkt ons brein als verbandenleggende machine?

 Observatie naar conclusie: poot in de sneeuw  meteen denken: hond
 Vuur  hierdoor rood als gevaar bekijken; daardoor verkeersbord een rode kleur geven
 Automatische informatie met elkaar in verband brengen
 Dat is positief, maar wel bewust zijn van dat automatisme



1. Systeem 1: spontaan verbanden tussen allerlei soorten informatie (concepten,
gebeurtenissen, stellingen, …)
 Voordelen van systeem 1
o Coherent kader: uit losse prikkels en feiten samenhangend, betekenisvol
verhaal
o Efficiëntie: werkt snel en met weinig mentale inspanning → handig voor
routinebeslissingen
o Detecteert sneller mogelijk gevaar en stuurt onmiddellijke reactie aan
(intuïtie / buikgevoel gericht op veiligheid en dus op herkennen dreiging, vb.
”als we luide brul horen, kunnen we er misschien maar beter van uitgaan dat



5

, het een leeuw is, ook al hebben we technisch gezien onvoldoende informatie
om dat met zekerheid te kunnen concluderen”)
o Automatisering van vaardigheden door oefening
 Nadelen van systeem 1
o Nadeel: verbanden zijn regelmatig niet correct. Onjuiste verbanden en drang
naar coherentie  complottheorieën
o Vb. “Piet ging skiën. Hij brak een been.”



Conceptverruiming door verminderde blootstelling

 Hoe minder ervaring je hebt met bepaald concept, hoe ruimer je dat concept gaat definiëren
 Stippen kleur: tussen blauw en paars
 Onderzoek: aan groep 1 laat men eerst stippen zien die dicht bij blauw neigen en bij
groep 2 eerst stippen die niet naar blauw neigen
 Resultaat: groep 2 vindt volgende stippen sneller blauw dan groep 1, want ze denken
“dat zal dan wel blauw zijn”  blauw rekbaarder Invloed op antwoord door stippen
die men eerder had gezien
 Ook bv. ‘gevaarlijk’
 De objectieve meting van criminaliteit verschilt drastisch van percepties die mensen
hebben in de samenleving
 Perceptie: veel criminaliteit VS. meting criminaliteit: veel minder
 Door conceptverruiming  minder geconfronteerd met echt gevaarlijke ideeën, dus
nu sneller iets zien als criminaliteit
 Koopkracht
 Gevoel dat het gedaald is  discrepantie met cijfers
 Echte armoede bestaat niet meer dus daardoor ander gevoel



2. Systeem 2: actieve controle van verbanden
o Systeem 1 denken gaat zaken willekeurig verwerven  als je als kritische burger kijkt
met uw systeem 2: kijken naar cijfers over criminaliteit



4 centrale verbanden in ons systeem 1- denken die we toepassen

 Voorwaardelijke verbanden
 Via-verbanden (‘metonymieën’)
 Causale verbanden
 Als-het-ware-verbanden (‘metaforen’)



1. Voorwaardelijke verbanden
 Bepaalde zin of uitspraak (‘propositie’) vormt voorwaarde voor andere propositie




6

,  Als propositie 1 waar is, dan is propositie 2 ook waar
o Vb. “Als het 16u is, dan begint de les”
2. Via-verbanden (‘metonymieën)
 Systeem 1 denken vult dit automatisch voor u aan: verschil letterlijke lezing en wat
uw brein aanvoelt  zeer nuttig, want hoofd maakt short-cut
 Voorbeelden:
o Hij had al twee flessen op voor de middag  flessen = alcohol
o Het Witte Huis heeft laten weten dat er geen akkoord is  Witte Huis =
Amerikaanse Regering
o Die Picasso hangt nu in een privécollectie  Die Picasso = schilderij van de
schilder Picasso
 Metonymie = je gebruikt één ding om naar iets anders te verwijzen dat er sterk mee
verbonden is.
 een ding of entiteit gebruiken (vehikelentiteit) om mentale toegang te krijgen tot andere
entiteit (doelentiteit) die er in onze ervaring nauw mee verbonden is
o Vehikel = wat je zegt
o Doel = wat je bedoel

Soorten metonymieën:

 Deel/geheel  Je gebruikt een klein stukje om iets groters te bedoelen → dit gebeurt heel
vaak zonder dat we het merken.
o Vb. “Te veel monden om te voeden” → monden = mensen
o Vb. “Mijn fiets is stuk” → eigenlijk alleen de fietsbel stuk
 Gevolg/oorzaak  Ons brein vult automatisch de oorzaak of het gevolg aan → dat maakt
communicatie sneller.
o Vb. “Hij zit vol rimpels” → hij is ouder geworden
o Vb. “De straat is nat” → het heeft geregend
 Producent/product  Je noemt de maker (producent), maar je bedoelt het product dat hij/zij
gemaakt heeft.
o “Ik lees graag Kafka” → boek van Kafka
 Instituut/plaats  Je noemt een plaats of organisatie, maar je bedoelt de mensen die daar
werken of beslissingen nemen
o “Brussel heeft dat weer beslist” → Europese Unie



Belangrijk inzicht

 Metonymie is handig, maar kan ook gevaarlijk zijn
o Je maakt snel veralgemeningen
o Je trekt conclusies zonder bewijs
 Apofenie = Neiging om verbanden te leggen tussen dingen die niet gerelateerd zijn
o Vb. “Belgen spreken meerdere talen” → dus elke Belg zal dat kunnen




7

Connected book
 image
Frederik Peeraer Juridisch argumenteren
Publisher: Unknown ISBN: 9789463715447 Edition: 2

Document information

Study
Summarized whole book?
No
Which chapters are summarized?
Unknown
Uploaded on
August 13, 2026
Number of pages
122
Written in
2025/2026
Type
Summary
$8.41

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Sold
1
Followers
0
Items
4
Last sold
7 months ago


Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions