Andres Vantomme – key arresten + bronnenboek
KEY ARRESTEN DIE NIET IN HET BRONNENBOEK STAAN
Trail Smelter (VS v Canada) (1938 en 1941), III RIAA 1905
Feiten: Een privé-smeltery in Trail (British Columbia, Canada) stootte
zwaveldioxide uit, wat grensoverschrijdende schade veroorzaakte aan
landbouwgrond in de staat Washington (VS). Bij gebrek aan een bevoegd
internationaal gerecht richtten de VS en Canada samen een
arbitragetribunaal op om het geschil te beslechten.
Uitspraak: Het tribunaal oordeelde dat geen enkele staat het recht heeft
zijn grondgebied zo te gebruiken — of te laten gebruiken — dat daardoor
ernstige schade wordt toegebracht op het grondgebied van een andere
staat, wanneer die schade met duidelijk en overtuigend bewijs is
vastgesteld. Canada werd aansprakelijk gehouden en moest
schadevergoeding betalen aan de VS.
Conclusie: Dit arrest legde de basis voor het "no harm"-principe in het
internationaal recht: staten mogen activiteiten op hun grondgebied niet
toelaten die aanzienlijke milieuschade veroorzaken aan andere staten. Het
geldt als grondslag voor latere codificaties (Stockholm Verklaring 1972, Rio
Verklaring principe 2) en wordt in je syllabus ook gebruikt als voorbeeld
van arbitrage als subsidiaire rechtsbron (art. 38(1)(d) ICJ-Statuut).
Rainbow Warrior (Nieuw-Zeeland v Frankrijk) (1990), XX RIAA 217
Feiten: Franse agenten tot zinken brachten het Greenpeace-schip Rainbow
Warrior in Nieuw-Zeelandse wateren. Frankrijk schond zo internationale
verplichtingen tegenover Nieuw-Zeeland; het geschil ging o.m. over
rechtvaardigingsgronden (overmacht, distress) en herstel.
Uitspraak: Het arbitragetribunaal oordeelde dat force majeure enkel geldt
bij absolute/materiële onmogelijkheid (niet loutere moeilijkheid) en dat
distress enkel een theoretische, geen onredelijke, andere optie vereist. Bij
schadevergoeding oordeelde het tribunaal dat er geen materiële schade
vereist is: ook morele, politieke en juridische schade (aantasting van
waardigheid en aanzien van de staat) volstaat.
Conclusie: Referentiearrest voor de invulling van de excuses van
onrechtmatigheid (force majeure, distress, art. 23-24 ARSIWA) én voor
herstel/genoegdoening (art. 31 ARSIWA), met erkenning van niet-materiële
(morele) schade als grond voor compensatie.
, Andres Vantomme – key arresten + bronnenboek
Hassan v UK, EHRM, App. no. 29750/09, 16 september 2014
Feiten: Een Irakese burger werd door Britse troepen tijdens het gewapend
conflict in Irak gedetineerd, wat aanleiding gaf tot de vraag hoe het recht
op vrijheid onder het EVRM moet worden geïnterpreteerd tijdens
gewapend conflict.
Uitspraak: Het EHRM oordeelde dat bij de interpretatie van het EVRM
rekening moet worden gehouden met relevante regels van internationaal
recht (de Geneefse Conventies) en met later ontstane praktijken zoals
krijgsgevangenschap tijdens oorlog.
Conclusie: Belangrijk voorbeeld van verdragsinterpretatie onder art. 31(2)-
(3) VCLT: het toont hoe humanitair recht (IHL) wordt meegenomen bij de
uitleg van mensenrechtenverdragen (systemische
interpretatie/harmonisatie van rechtsdomeinen).
Velásquez Rodríguez v Honduras, IACtHR, 29 juli 1988, Series C No. 4
Feiten: Een Hondurese student-activist verdween na een vermeende
ontvoering door leden van de Hondurese strijdkrachten, optredend met
schijn van gezag.
Uitspraak: Het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens
oordeelde dat de gedragingen aan Honduras werden toegerekend, óók al
handelden de daders mogelijk buiten hun formele bevoegdheid, omdat zij
optraden met (schijnbaar) staatsgezag.
Conclusie: Sleutelarrest voor toerekening van ultra vires-handelingen aan
de staat (art. 7 ARSIWA): overschrijding van bevoegdheid of schending van
instructies sluit staatsaansprakelijkheid niet uit.
Kadi-zaken: Case T-315/01 (Gerecht, 2005) en Cases C-402/05 P & C-
415/05 P (HvJ, 2008)
Feiten: Kadi werd, op basis van een VN-Veiligheidsraadresolutie tegen
vermeende Al-Qaida-banden, door EU-maatregelen getroffen (bevriezing
van tegoeden) zonder proceswaarborgen.
Uitspraak: Het Gerecht van Eerste Aanleg (2005) liet voorrang aan de VN-
resolutie boven EU-grondrechten. Het Hof van Justitie (2008) vernietigde
dit in beroep en oordeelde dat alle EU-maatregelen, ook ter uitvoering van
VN-Veiligheidsraadresoluties, verenigbaar moeten zijn met de EU-
grondrechten.
KEY ARRESTEN DIE NIET IN HET BRONNENBOEK STAAN
Trail Smelter (VS v Canada) (1938 en 1941), III RIAA 1905
Feiten: Een privé-smeltery in Trail (British Columbia, Canada) stootte
zwaveldioxide uit, wat grensoverschrijdende schade veroorzaakte aan
landbouwgrond in de staat Washington (VS). Bij gebrek aan een bevoegd
internationaal gerecht richtten de VS en Canada samen een
arbitragetribunaal op om het geschil te beslechten.
Uitspraak: Het tribunaal oordeelde dat geen enkele staat het recht heeft
zijn grondgebied zo te gebruiken — of te laten gebruiken — dat daardoor
ernstige schade wordt toegebracht op het grondgebied van een andere
staat, wanneer die schade met duidelijk en overtuigend bewijs is
vastgesteld. Canada werd aansprakelijk gehouden en moest
schadevergoeding betalen aan de VS.
Conclusie: Dit arrest legde de basis voor het "no harm"-principe in het
internationaal recht: staten mogen activiteiten op hun grondgebied niet
toelaten die aanzienlijke milieuschade veroorzaken aan andere staten. Het
geldt als grondslag voor latere codificaties (Stockholm Verklaring 1972, Rio
Verklaring principe 2) en wordt in je syllabus ook gebruikt als voorbeeld
van arbitrage als subsidiaire rechtsbron (art. 38(1)(d) ICJ-Statuut).
Rainbow Warrior (Nieuw-Zeeland v Frankrijk) (1990), XX RIAA 217
Feiten: Franse agenten tot zinken brachten het Greenpeace-schip Rainbow
Warrior in Nieuw-Zeelandse wateren. Frankrijk schond zo internationale
verplichtingen tegenover Nieuw-Zeeland; het geschil ging o.m. over
rechtvaardigingsgronden (overmacht, distress) en herstel.
Uitspraak: Het arbitragetribunaal oordeelde dat force majeure enkel geldt
bij absolute/materiële onmogelijkheid (niet loutere moeilijkheid) en dat
distress enkel een theoretische, geen onredelijke, andere optie vereist. Bij
schadevergoeding oordeelde het tribunaal dat er geen materiële schade
vereist is: ook morele, politieke en juridische schade (aantasting van
waardigheid en aanzien van de staat) volstaat.
Conclusie: Referentiearrest voor de invulling van de excuses van
onrechtmatigheid (force majeure, distress, art. 23-24 ARSIWA) én voor
herstel/genoegdoening (art. 31 ARSIWA), met erkenning van niet-materiële
(morele) schade als grond voor compensatie.
, Andres Vantomme – key arresten + bronnenboek
Hassan v UK, EHRM, App. no. 29750/09, 16 september 2014
Feiten: Een Irakese burger werd door Britse troepen tijdens het gewapend
conflict in Irak gedetineerd, wat aanleiding gaf tot de vraag hoe het recht
op vrijheid onder het EVRM moet worden geïnterpreteerd tijdens
gewapend conflict.
Uitspraak: Het EHRM oordeelde dat bij de interpretatie van het EVRM
rekening moet worden gehouden met relevante regels van internationaal
recht (de Geneefse Conventies) en met later ontstane praktijken zoals
krijgsgevangenschap tijdens oorlog.
Conclusie: Belangrijk voorbeeld van verdragsinterpretatie onder art. 31(2)-
(3) VCLT: het toont hoe humanitair recht (IHL) wordt meegenomen bij de
uitleg van mensenrechtenverdragen (systemische
interpretatie/harmonisatie van rechtsdomeinen).
Velásquez Rodríguez v Honduras, IACtHR, 29 juli 1988, Series C No. 4
Feiten: Een Hondurese student-activist verdween na een vermeende
ontvoering door leden van de Hondurese strijdkrachten, optredend met
schijn van gezag.
Uitspraak: Het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens
oordeelde dat de gedragingen aan Honduras werden toegerekend, óók al
handelden de daders mogelijk buiten hun formele bevoegdheid, omdat zij
optraden met (schijnbaar) staatsgezag.
Conclusie: Sleutelarrest voor toerekening van ultra vires-handelingen aan
de staat (art. 7 ARSIWA): overschrijding van bevoegdheid of schending van
instructies sluit staatsaansprakelijkheid niet uit.
Kadi-zaken: Case T-315/01 (Gerecht, 2005) en Cases C-402/05 P & C-
415/05 P (HvJ, 2008)
Feiten: Kadi werd, op basis van een VN-Veiligheidsraadresolutie tegen
vermeende Al-Qaida-banden, door EU-maatregelen getroffen (bevriezing
van tegoeden) zonder proceswaarborgen.
Uitspraak: Het Gerecht van Eerste Aanleg (2005) liet voorrang aan de VN-
resolutie boven EU-grondrechten. Het Hof van Justitie (2008) vernietigde
dit in beroep en oordeelde dat alle EU-maatregelen, ook ter uitvoering van
VN-Veiligheidsraadresoluties, verenigbaar moeten zijn met de EU-
grondrechten.