MOTORISCHE BASISVORMING
H1 DO EL EN & DO EL GERICHT W ERKEN
LO onderwijsdoelen lager onderwijs → nauw aan ontwikkelingsdoelen kleuter => meerdere kleuterdoelen gaan verder in
één onderwijsdoel.
LO → niet enkel functieverwerving: ontwikkeling van vaardigheden door oefening.
→ Ook attitude aanleren voor gezond en veilig bewegen en levensstijl
=> doelen in de hele schoolgebeuren implementeren
1e–4e leerjaar: verschillende bewegingsdomeinen.
3e graad: steeds meer sportspecifiek
1E GRA A D – ERV A REN
• Algemene bewegingsvaardigheden
• Centraal: ervaren, experimenteren, basisvaardigheden spelend en egocentrisch beleven
• Motorische en cognitieve hangen samen
2E GRA A D – BESEFFEN
• Gedifferentieerde bewegingsvaardigheden
• Bewust leren (=> Basisvaardigheden nemen toe) , begrippen, inzicht (ruimte en tijd), gericht
3E GRA A D – BEHEERSEN
• Specifiekere bewegings- en sportvaardigheden.
• Beheersen v bewegingstechnieken = gecoördineerde basisvaardigheden + voorgeschreven bewegingsverloop.
• Toepassen, doelgericht, tactisch.
Naast motorische ontwikkeling nemen ook cognitieve en mentale aspecten toe.
Conclusie: zoveel mogelijk bewegen op school (niet enkel tijdens LO)
=> motoriek, cognitie en mentaal functioneren nemen toe
H2 BREDE BEW EGINGSV O RMING O P SCHO O L
Bewegen = belangrijk voor een kind → fietsen, tikkertje, …
=> gezond voor lichaam en geest
Bewegingsgezinde school → kwaliteitsvolle LO-lessen én activiteiten die beweging stimuleren, zoals sportdag, actieve
pauzes, actieve verplaatsing en ruimte voor beweging in lokalen.
Bij kleuters & jongeren
- korte, acute fysieke activiteiten kunnen cognitieve functies en aandacht verhogen.
- Regelmatige fysieke activiteit ondersteunt cognitieve functies.
- Zitten veel stil => beweging op school noodzakelijk: kansen krijgen om te bewegen.
2.1 HET V IERL UIK V O O R BEW EGEN
Verschillende manieren om meer beweging te stimuleren en ruimte/kansen te bieden tijdens de lessen LO:
- Speelplaats
- Tijdens LO
- in de klas
- buiten de schoolmuren
Marie Robyns - 2025
,= Vierluik = zoeken naar mogelijkheden/opportuniteiten die de leerkracht kan benutten om meer verantwoordelijk te zijn
voor bewegingsvorming van het kind en om een bewegingsgezinde school te creëren.
Effecten van fysieke activiteit bij kinderen:
• cognitieve functies ↑
• doorbloeding in hersenen ↑
• nieuwe verbindingen en hersencellen
• concentratie en leervermogen ↑
Niet enkel positieve resultaten → neutrale resultaten bestaan ook.
Meer positieve resultaten bij frequente en consequente beweging (bv. 4×/week); eenmalige beweging heeft een beperkt
kort, momentgebonden effect.
Beweging heeft een positief effect op:
• hersenstructuur en executieve functies (emoties en gedrag)
• aandacht en concentratie
• motorische vaardigheden en fysieke fitheid
• sociaal gedrag, welzijn en leerprestaties
• schoolprestaties (positief/neutraal effect)
2.2 BEW EGINGSINTEGRA T IE EN/O F BEW EGEND L EREN
= Beweging integreren tijdens gewone lessen → met link naar leerinhoud → leerstof beter begrijpen; houdt het brein in
conditie; bv. spelend integreren.
2.2.1 BEW EGEN BIJ HET L EREN (BEW EGEN A L S MIDDEL )
- Geen verband tussen beweging en leerinhoud
- Kan als specifiek moment rond een (psycho)motorisch doel
- Zorgt voor klo: humeur en humeurbeleving, motivatie, welbevinden, betrokkenheid en concentratie ↑
- Kan bijvoorbeeld via tussendoortjes
2.2.2 BEW EGEN V O O R HET L EREN (L EREN DO O R BEW EGING)
- Bewegingen als manier om leerstof te automatiseren, bv. bewegen en opzeggen.
- Bewegen is een voorwaarde om te kunnen leren: ruimtelijke ontwikkeling, lateralisatie en fijne motoriek zijn
nodig, bv. verschil klein/groot.
2.2.3 BEW EGEN O M TE L EREN (INZICHTEL IJK L EREN)
- Bewegen helpt/is essentieel om leerstof inzichtelijk te begrijpen.
- Ontwikkeling: overgang van concreet-operationele fase naar formeel-operationele fase.
o Bij het leren van schoolse vaardigheden (lezen, schrijven, rekenen).
o Handelend leren → leerstof ervaren met het lichaam.
2.2.4 L EREN BEW EGEN
- Een bepaalde (nieuwe) beweging leren → motorische doelen behalen → fysieke geletterdheid.
- Samenwerking tussen LO-leerkracht en juf/meester moet optimaal zijn (LO in klas, les in LO).
- Beweging ondersteunt sociale, emotionele en cognitieve ontwikkeling, attitudes, taakgerichtheid en
zelfvertrouwen.
2.3 BEW EGEN, HERSENEN EN SP EL
Marie Robyns - 2025
, Reptielen: overleven vanuit hersenstam
Zoogdieren: limbisch systeem → emoties, geheugen, sociaal gedrag, binding en routines.
Mens: verder ontwikkeld → grote hersenen, met daarin de prefrontale cortex.
=> Cognitieve functies = aandacht en executieve functies
=> doelbewust bewegen, redeneren en strategieën.
Executieve functies → gedrag en denkprocessen + zelfstandigheid; dagelijks en op school nodig. Verschillende functies
ontwikkelen op verschillende leeftijden → goed kunnen samenwerken.
- Inhibitie / impulscontrole: nadenken vóór actie; impulsen controleren.
- Werkgeheugen: info vasthouden en oproepen wanneer nodig; kennis/ervaringen gebruiken bij nieuwe taken;
verwerkingssnelheid.
- Planning en organisatie: plan opstellen en eraan houden; inzicht in taken; materiaal op orde houden; prioriteiten
stellen en timemanagement.
- Taakinitiatie: starten wanneer nodig → op tijd en efficiënt; doorzettingsvermogen.
- Aandacht richten / vasthouden / wisselen bij taken.
- Emotieregulatie: adequaat omgaan met emoties; soms laten zakken om te kunnen beheersen.
- Cognitieve flexibiliteit: nieuwe info/omstandigheden → plan aanpassen.
- Metacognitie: kijken naar eigen gedrag in sociale omgeving; zelfevaluatie.
Oefenen via bewegingsopdrachten: werkgeheugen trainen, impulscontrole verwerken in bewegingsopdrachten en dit in
LO-spel steken.
H3 DE MO TO RISCHE O NTW IKKEL ING
3.1 HET BEGRIP ‘ P SYCHO MO TO RIEK’
Motorische ontwikkeling moeten we zien in de algemene ontwikkeling WANT alle leren begint bij bewegen
→ bewegen is de eerste taal die een baby heeft
Goede neurologische ontwikkeling = voorwaarde goede ontwikkeling (sport- en schoolse vaardigheden)
→ soms stimuli te vroeg of soms te weinig = stap overslaan/vergeten fase niet goed doorlopen
daarom bewegingsvaardigheden in alle luiken (vierluik) koppelen aan psychomotorische ontwikkeling
Te weinig bewegen kan oorzaak zijn voor leermoeilijkheden of -stoornissen
Vb: -b en -d lezen → kan liggen aan slecht ontwikkeld richtingsgevoel
Psychomotoriek - ‘motoriek’ = gebruik van ons bewegingsapparaat (reflexen en centrale zenuwstelsel)
→ nadruk hierop? => neuromotoriek
Motorische component
- ‘psycho’ = geestelijke inbreng = het cognitieve (kennis vh lichaam, …)
& het emotionele (lichaam bij verliezen
Cognitieve Emotionele
Vb: touwtjespringen → motoriek = springen & draaien
component component
cognitieve = inschatten wnr je moet springen
emotionele = enthousiasme, faalangst, … beïnvloeden hoe je springt
Neuromotoriek = # complexe bewegingen die gestuurd worden door het centrale & het perifere zenuwstelsel
Ontwikkeling van beweging bestaat uit 3 componenten:
Neurologische
ontwikkeling
- Neurologische ontwikkeling
- Motorische ontwikkeling
- Sensorische ontwikkeling Sensorische Motorische
→ Hebben invloed op elkaar: bewegen heeft invloed op de rijping vh ontwikkeling ontwikkeling
zenuwstelsel, en een zekere mate van rijping is nodig om bepaalde bewegingen te kunnen doen
= leren door te doen = door ervaringen op te doen wordt de beweging al tijdens de uitvoering bijgestuurd
Vb: over een beek springen (nat → zintuigen zeggen hoger & verder springen)
Marie Robyns - 2025
H1 DO EL EN & DO EL GERICHT W ERKEN
LO onderwijsdoelen lager onderwijs → nauw aan ontwikkelingsdoelen kleuter => meerdere kleuterdoelen gaan verder in
één onderwijsdoel.
LO → niet enkel functieverwerving: ontwikkeling van vaardigheden door oefening.
→ Ook attitude aanleren voor gezond en veilig bewegen en levensstijl
=> doelen in de hele schoolgebeuren implementeren
1e–4e leerjaar: verschillende bewegingsdomeinen.
3e graad: steeds meer sportspecifiek
1E GRA A D – ERV A REN
• Algemene bewegingsvaardigheden
• Centraal: ervaren, experimenteren, basisvaardigheden spelend en egocentrisch beleven
• Motorische en cognitieve hangen samen
2E GRA A D – BESEFFEN
• Gedifferentieerde bewegingsvaardigheden
• Bewust leren (=> Basisvaardigheden nemen toe) , begrippen, inzicht (ruimte en tijd), gericht
3E GRA A D – BEHEERSEN
• Specifiekere bewegings- en sportvaardigheden.
• Beheersen v bewegingstechnieken = gecoördineerde basisvaardigheden + voorgeschreven bewegingsverloop.
• Toepassen, doelgericht, tactisch.
Naast motorische ontwikkeling nemen ook cognitieve en mentale aspecten toe.
Conclusie: zoveel mogelijk bewegen op school (niet enkel tijdens LO)
=> motoriek, cognitie en mentaal functioneren nemen toe
H2 BREDE BEW EGINGSV O RMING O P SCHO O L
Bewegen = belangrijk voor een kind → fietsen, tikkertje, …
=> gezond voor lichaam en geest
Bewegingsgezinde school → kwaliteitsvolle LO-lessen én activiteiten die beweging stimuleren, zoals sportdag, actieve
pauzes, actieve verplaatsing en ruimte voor beweging in lokalen.
Bij kleuters & jongeren
- korte, acute fysieke activiteiten kunnen cognitieve functies en aandacht verhogen.
- Regelmatige fysieke activiteit ondersteunt cognitieve functies.
- Zitten veel stil => beweging op school noodzakelijk: kansen krijgen om te bewegen.
2.1 HET V IERL UIK V O O R BEW EGEN
Verschillende manieren om meer beweging te stimuleren en ruimte/kansen te bieden tijdens de lessen LO:
- Speelplaats
- Tijdens LO
- in de klas
- buiten de schoolmuren
Marie Robyns - 2025
,= Vierluik = zoeken naar mogelijkheden/opportuniteiten die de leerkracht kan benutten om meer verantwoordelijk te zijn
voor bewegingsvorming van het kind en om een bewegingsgezinde school te creëren.
Effecten van fysieke activiteit bij kinderen:
• cognitieve functies ↑
• doorbloeding in hersenen ↑
• nieuwe verbindingen en hersencellen
• concentratie en leervermogen ↑
Niet enkel positieve resultaten → neutrale resultaten bestaan ook.
Meer positieve resultaten bij frequente en consequente beweging (bv. 4×/week); eenmalige beweging heeft een beperkt
kort, momentgebonden effect.
Beweging heeft een positief effect op:
• hersenstructuur en executieve functies (emoties en gedrag)
• aandacht en concentratie
• motorische vaardigheden en fysieke fitheid
• sociaal gedrag, welzijn en leerprestaties
• schoolprestaties (positief/neutraal effect)
2.2 BEW EGINGSINTEGRA T IE EN/O F BEW EGEND L EREN
= Beweging integreren tijdens gewone lessen → met link naar leerinhoud → leerstof beter begrijpen; houdt het brein in
conditie; bv. spelend integreren.
2.2.1 BEW EGEN BIJ HET L EREN (BEW EGEN A L S MIDDEL )
- Geen verband tussen beweging en leerinhoud
- Kan als specifiek moment rond een (psycho)motorisch doel
- Zorgt voor klo: humeur en humeurbeleving, motivatie, welbevinden, betrokkenheid en concentratie ↑
- Kan bijvoorbeeld via tussendoortjes
2.2.2 BEW EGEN V O O R HET L EREN (L EREN DO O R BEW EGING)
- Bewegingen als manier om leerstof te automatiseren, bv. bewegen en opzeggen.
- Bewegen is een voorwaarde om te kunnen leren: ruimtelijke ontwikkeling, lateralisatie en fijne motoriek zijn
nodig, bv. verschil klein/groot.
2.2.3 BEW EGEN O M TE L EREN (INZICHTEL IJK L EREN)
- Bewegen helpt/is essentieel om leerstof inzichtelijk te begrijpen.
- Ontwikkeling: overgang van concreet-operationele fase naar formeel-operationele fase.
o Bij het leren van schoolse vaardigheden (lezen, schrijven, rekenen).
o Handelend leren → leerstof ervaren met het lichaam.
2.2.4 L EREN BEW EGEN
- Een bepaalde (nieuwe) beweging leren → motorische doelen behalen → fysieke geletterdheid.
- Samenwerking tussen LO-leerkracht en juf/meester moet optimaal zijn (LO in klas, les in LO).
- Beweging ondersteunt sociale, emotionele en cognitieve ontwikkeling, attitudes, taakgerichtheid en
zelfvertrouwen.
2.3 BEW EGEN, HERSENEN EN SP EL
Marie Robyns - 2025
, Reptielen: overleven vanuit hersenstam
Zoogdieren: limbisch systeem → emoties, geheugen, sociaal gedrag, binding en routines.
Mens: verder ontwikkeld → grote hersenen, met daarin de prefrontale cortex.
=> Cognitieve functies = aandacht en executieve functies
=> doelbewust bewegen, redeneren en strategieën.
Executieve functies → gedrag en denkprocessen + zelfstandigheid; dagelijks en op school nodig. Verschillende functies
ontwikkelen op verschillende leeftijden → goed kunnen samenwerken.
- Inhibitie / impulscontrole: nadenken vóór actie; impulsen controleren.
- Werkgeheugen: info vasthouden en oproepen wanneer nodig; kennis/ervaringen gebruiken bij nieuwe taken;
verwerkingssnelheid.
- Planning en organisatie: plan opstellen en eraan houden; inzicht in taken; materiaal op orde houden; prioriteiten
stellen en timemanagement.
- Taakinitiatie: starten wanneer nodig → op tijd en efficiënt; doorzettingsvermogen.
- Aandacht richten / vasthouden / wisselen bij taken.
- Emotieregulatie: adequaat omgaan met emoties; soms laten zakken om te kunnen beheersen.
- Cognitieve flexibiliteit: nieuwe info/omstandigheden → plan aanpassen.
- Metacognitie: kijken naar eigen gedrag in sociale omgeving; zelfevaluatie.
Oefenen via bewegingsopdrachten: werkgeheugen trainen, impulscontrole verwerken in bewegingsopdrachten en dit in
LO-spel steken.
H3 DE MO TO RISCHE O NTW IKKEL ING
3.1 HET BEGRIP ‘ P SYCHO MO TO RIEK’
Motorische ontwikkeling moeten we zien in de algemene ontwikkeling WANT alle leren begint bij bewegen
→ bewegen is de eerste taal die een baby heeft
Goede neurologische ontwikkeling = voorwaarde goede ontwikkeling (sport- en schoolse vaardigheden)
→ soms stimuli te vroeg of soms te weinig = stap overslaan/vergeten fase niet goed doorlopen
daarom bewegingsvaardigheden in alle luiken (vierluik) koppelen aan psychomotorische ontwikkeling
Te weinig bewegen kan oorzaak zijn voor leermoeilijkheden of -stoornissen
Vb: -b en -d lezen → kan liggen aan slecht ontwikkeld richtingsgevoel
Psychomotoriek - ‘motoriek’ = gebruik van ons bewegingsapparaat (reflexen en centrale zenuwstelsel)
→ nadruk hierop? => neuromotoriek
Motorische component
- ‘psycho’ = geestelijke inbreng = het cognitieve (kennis vh lichaam, …)
& het emotionele (lichaam bij verliezen
Cognitieve Emotionele
Vb: touwtjespringen → motoriek = springen & draaien
component component
cognitieve = inschatten wnr je moet springen
emotionele = enthousiasme, faalangst, … beïnvloeden hoe je springt
Neuromotoriek = # complexe bewegingen die gestuurd worden door het centrale & het perifere zenuwstelsel
Ontwikkeling van beweging bestaat uit 3 componenten:
Neurologische
ontwikkeling
- Neurologische ontwikkeling
- Motorische ontwikkeling
- Sensorische ontwikkeling Sensorische Motorische
→ Hebben invloed op elkaar: bewegen heeft invloed op de rijping vh ontwikkeling ontwikkeling
zenuwstelsel, en een zekere mate van rijping is nodig om bepaalde bewegingen te kunnen doen
= leren door te doen = door ervaringen op te doen wordt de beweging al tijdens de uitvoering bijgestuurd
Vb: over een beek springen (nat → zintuigen zeggen hoger & verder springen)
Marie Robyns - 2025