Vraag 1: Wat is het belangrijkste voordeel van een stam-bladdiagram ten opzichte
van een traditioneel histogram?
A) Het kan grotere datasets verwerken zonder onoverzichtelijk te worden.
B) De individuele getalwaarden van de dataset blijven behouden in de visualisatie.
C) Het is beter geschikt voor het visualiseren van categorische data.
D) Het toont automatisch de mediaan en kwartielen aan.
Vraag 2: Welk specifiek grafisch hulpmiddel gebruikt een kleurmatrix om complexe
patronen, zoals slaapkansen over een lange tijd, te visualiseren?
A) 3D scatterplot
B) Bar chart
C) Heatmap
D) P-P plot
Vraag 3: Waarom wordt het gebruik van een 3D scatterplot vaak afgeraden in
wetenschappelijke rapportages?
A) Omdat het onmogelijk is om meer dan twee variabelen tegelijk te tonen.
B) Omdat de diepteperceptie op een plat scherm de interpretatie van datapunten
bemoeilijkt.
C) Omdat het model geen rekening houdt met uitschieters.
D) Omdat 3D-software niet compatibel is met standaard statistische pakketten.
Vraag 4: Welk wetenschappelijk principe streeft naar het verklaren van data met zo
weinig mogelijk parameters?
A) Het principe van parsimonie
B) De wet van de grote getallen
C) Het principe van orthogonaliteit
D) De centrale limietstelling
Vraag 5: Wat wordt er geschat in een log-lineair regressiemodel?
A) De absolute verandering in de uitkomst bij een procentuele toename van de
onafhankelijke variabele.
B) De procentuele verandering in de uitkomst bij een absolute toename van de
onafhankelijke variabele.
C) De elasticiteit tussen twee variabelen op een logaritmische schaal.
D) De verandering in de log-odds van de afhankelijke variabele.
Vraag 6: Welke maatstaf binnen een log-log model kwantificeert de procentuele
verandering in Y als gevolg van een verandering van één procent in X?
A) Gepoolde variantie
B) Kurtosis
C) Elasticiteit
D) Standardized Beta
2
,Vraag 7: Hoe wordt de techniek genoemd waarbij scores worden
gestandaardiseerd op basis van het gemiddelde van de individuele persoon om
antwoordstijlen te corrigeren?
A) Grand mean centering
B) Ipsatizing
C) Linear interpolatie
D) Hot-decking
Vraag 8: Welke schattingsmethode wordt doorgaans gebruikt voor de parameters
van een 'Fixed Factor' in een ANOVA-model?
A) Maximum Likelihood Estimation (MLE)
B) Multiple Imputation by Chained Equations (MICE)
C) Ordinary Least Squares (OLS)
D) De L2 norm test
Vraag 9: Welke methode geniet de voorkeur voor het schatten van parameters bij
een 'Random Factor'?
A) Kleinste kwadratenmethode (OLS)
B) Casewise deletion
C) Lineaire interpolatie
D) Maximum Likelihood Estimation (MLE)
Vraag 10: Wat betekent een F-waarde die groter is dan 1 in de context van een
variantie-analyse?
A) De variatie binnen de groepen is groter dan de variatie tussen de groepen.
B) Er is meer variatie tussen de groepen aanwezig dan wat op basis van toeval
verwacht mag worden.
C) De nulhypothese is per definitie bewezen.
D) Er is sprake van negatieve kanskapitalisatie.
Vraag 11: Welke component van de ANOVA-tabel meet specifiek de variatie van
groepsgemiddelden ten opzichte van het 'grand mean'?
A) Within-groups sum of squares (SSW)
B) Total sum of squares (SST)
C) Between-groups sum of squares (SSB)
D) Sum of squares error (SSE)
Vraag 12: Welk type contrast vergelijkt elk specifiek niveau van een variabele met
het gemiddelde effect van alle daaropvolgende categorieën?
A) Eenvoudig contrast
B) Helmertcontrast
C) Herhaald contrast
D) Polynomial contrast
Vraag 13: Welk contrasttype is het meest geschikt om de incrementele
verandering tussen opeenvolgende tijdsmomenten te toetsen?
A) Deviatie-contrast
3
, B) Omgekeerd helmertcontrast
C) Herhaald (verschil) contrast
D) Eenvoudig contrast met controlegroep
Vraag 14: Welke specifieke post-hoc test is ontworpen om de betrouwbaarheid te
waarborgen wanneer de steekproefgroottes tussen groepen ongelijk zijn?
A) Tukey's HSD
B) Tukey-Kramer methode
C) LSD-methode
D) Mauchly's W
Vraag 15: Hoe verschilt de Bonferroni-Holm correctie van de standaard
Bonferroni-methode?
A) Het past een stapsgewijze, steeds minder strenge p-waarde drempel toe op
gerangschikte toetsen.
B) Het deelt het alfa-niveau door het kwadraat van het aantal vergelijkingen.
C) Het verhoogt de kans op Type I fouten om de power te maximaliseren.
D) Het is uitsluitend bruikbaar voor niet-parametrische data.
Vraag 16: Welke resampling-methode voert een statistische test herhaaldelijk uit
waarbij telkens exact één proefpersoon wordt weggelaten?
A) Bootstrapping
B) Permutatie
C) Jackknifing
D) Multiple Imputation
Vraag 17: Wat is het doel van een permutatietoets bij het vergelijken van groepen?
A) Het schatten van de populatieparameter via herhaald trekken met vervanging.
B) Het berekenen van een exacte p-waarde op basis van alle mogelijke willekeurige
herverdelingen van de data.
C) Het corrigeren van uitschieters door ze willekeurig te vervangen door
groepsgemiddelden.
D) Het minimaliseren van de residuele variantie via regressie.
Vraag 18: Welke fundamentele assumptie van ANCOVA stelt dat de regressielijnen
van verschillende groepen parallel moeten lopen?
A) Homogeniteit van regressieshellingen
B) Bolvormigheid (Sphericity)
C) Lineariteit van residuen
D) Multicollineariteit
Vraag 19: Wat houdt de assumptie van bolvormigheid (sphericity) in bij een
repeated measures ANOVA?
A) De varianties van de residuen moeten voor elk meetmoment gelijk zijn aan nul.
B) Er mag geen correlatie bestaan tussen de subjecten en de error-term.
C) De data moeten een perfecte klokvormige verdeling volgen op elk tijdstip.
4