,Vraag 1: Welk kenmerk staat centraal in de 'preschool' fase met betrekking tot de
emotionele ontwikkeling?
A) De vorming van een veilige hechting met verzorgers
B) De ontwikkeling van zelfbewuste emoties en gedragsstandaarden
C) Het bereiken van volledige financiële onafhankelijkheid
D) De beheersing van fysiologische arousal
Vraag 2: Hoe wordt psychopathologie gedefinieerd in het kader van de algemene
psychologie?
A) Als een tijdelijke dip in de ontwikkeling zonder gevolgen
B) Als gedrag dat uitsluitend voortkomt uit genetische defecten
C) Als intense, frequente en persistente maladaptieve patronen
D) Als een eenmalige afwijking van de sociale norm
Vraag 3: Wat kenmerkt het ontwikkelingspad van 'stable adaptation'?
A) Een vroege slechte aanpassing die later verbetert
B) Een tijdelijk experiment met risicovol gedrag
C) Consistente goede aanpassing van vroege jeugd tot late adolescentie
D) Een vroege goede aanpassing die omslaat in maladaptie
Vraag 4: Welk pad beschrijft een kind dat goed begint maar op latere leeftijd slecht
gaat functioneren?
A) Stable maladaption
B) Decline adaptation
C) Reversal of maladaption
D) Temporal maladaption
Vraag 5: Wat is de definitie van 'continuïteit' binnen de ontwikkelingspsychologie?
A) De relatieve ordening van individuen binnen een groep
B) De mate waarin een groepsniveau van gedrag over tijd hetzelfde blijft
C) De logische link tussen vroege variabelen en latere uitkomsten
D) De weerbaarheid van een individu tegen externe stressoren
Vraag 6: Wat typeert een 'specifiek risico' in de psychopathologie?
A) Het heeft een unieke en voorspelbare link met één omschreven stoornis
B) Het verhoogt de kwetsbaarheid voor alle mogelijke stoornissen
C) Het is uitsluitend verbonden aan sociaaleconomische status
D) Het beschermt het kind tegen negatieve omgevingsfactoren
Vraag 7: Wat houdt het concept 'susceptibility' (gevoeligheid) in?
A) Een kind is uitsluitend gevoelig voor negatieve omgevingsprikkels
B) Een kind reageert sterker op zowel positieve als negatieve invloeden
C) Een kind is volledig immuun voor omgevingsveranderingen
D) De genetische aanleg voor lichamelijke ziektes
2
, Vraag 8: Welk aspect is volgens de tekst cruciaal bij het analyseren van armoede
als risicofactor?
A) De culturele achtergrond van de ouders
B) De chroniciteit en timing binnen de ontwikkeling
C) Het opleidingsniveau van de grootouders
D) De aanwezigheid van digitale zorgmiddelen
Vraag 9: In welke context komt 'prestatiedruk' vaak naar voren als risicofactor?
A) In contexten met een hoge sociaaleconomische status
B) Uitsluitend in gezinnen met een lage sociaaleconomische status
C) Alleen bij kinderen met een verstandelijke beperking
D) Enkel tijdens de overstap naar volwassenheid
Vraag 10: Wanneer spreekt men van klinisch significante Adverse Child
Experiences (ACEs)?
A) Bij de aanwezigheid van één specifieke trauma-ervaring
B) Wanneer een kind meer dan tien verschillende types ervaart
C) Bij een opeenstapeling van drie of meer soorten moeilijkheden
D) Alleen als de ervaringen plaatsvinden na de adolescentie
Vraag 11: Wat is een kenmerk van het 'tekort gefocuste model' van veerkracht?
A) Het richt zich op eigenschappen die universeel stimulerend werken
B) Het benadrukt kwaliteiten die op korte termijn functioneel zijn voor overleving
C) Het gaat uit van een genetische immuniteit voor stress
D) Het negeert de invloed van de sociale omgeving
Vraag 12: Welk sekseverschil wordt vaak waargenomen in de psychopathologie?
A) Meisjes vertonen vaker vroege externaliserende problemen
B) Jongens hebben een hogere incidentie van internaliserende problemen in de
adolescentie
C) Jongens vertonen vaker vroege externaliserende problematiek
D) Er zijn geen meetbare verschillen tussen jongens en meisjes
Vraag 13: Wat is het doel van een 'beschrijvende hypothese' in het diagnostisch
proces?
A) Het aanwijzen van de definitieve genetische oorzaak
B) Vaststellen wat er momenteel aan de hand is qua gedrag en beleving
C) Het voorspellen van het succes van een specifieke medicatie
D) Het uitsluiten van de verantwoordelijkheid van ouders
Vraag 14: Wat gebeurt er tijdens de fase van 'casusconceptualisatie'?
A) Er wordt uitsluitend een DSM-classificatie toegekend
B) Resultaten worden samengevoegd om behoeften en prioriteiten te begrijpen
C) De diagnosticus verzamelt de eerste persoonsgegevens tijdens de intake
D) Er wordt toestemming gevraagd aan de gezagsdragers
3