,Meerkeuzevragen
Vraag 1: Wat is de kernbelofte van de beleidsfocus op 'nabijheid' zoals ingezet
sinds de decentralisaties in 2015?
A) Een verschuiving naar een gecentraliseerde bureaucratie die objectieve criteria
hanteert voor alle burgers.
B) Het organiseren van ondersteuning op een fysiek en sociaal nabije wijze die beter
aansluit op individuele behoeften.
C) Een focus op landelijke uniformiteit waarbij de rijksoverheid de directe regie voert
over lokale zorguitvoering.
D) Het versterken van de hiërarchische aansturing vanuit het bestuur om de efficiëntie
van de zorgverlening te vergroten.
Vraag 2: Welke maatschappelijke overtuiging ligt ten grondslag aan de
Participatiewet binnen de huidige zorgcontext?
A) Dat sociale bijstand een onvoorwaardelijk recht moet zijn zonder verplichtingen tot
tegenprestaties in de vorm van arbeid.
B) Dat actieve deelname aan het arbeidsproces een fundamentele voorwaarde is voor
het welzijn van burgers in de samenleving.
C) Dat de overheid de volledige verantwoordelijkheid voor inkomenszekerheid moet
overnemen van het private netwerk.
D) Dat werkloosheid enkel een individueel probleem is dat losstaat van de bredere
ondersteuningsbehoeften van de burger.
Vraag 3: Op basis van welke veronderstelling moesten gemeenten de
gedecentraliseerde zorgtaken met twintig procent minder budget uitvoeren?
A) De veronderstelling dat de rijksoverheid de administratieve lasten voor lokale
overheden volledig zou wegnemen.
B) De aanname dat schaalvergroting op regionaal niveau automatisch zou leiden tot
een lagere kostprijs per cliënt.
C) De gedachte dat lokale uitvoering en de inzet van het sociale netwerk de noodzaak
voor dure professionele zorg zouden verminderen.
D) De verwachting dat de private verzekeringssector de kosten voor de meest complexe
zorgvragen op zich zou nemen.
Vraag 4: Wat is de primaire functie van het 'macro-niveau' binnen de structuur van
de decentralisaties?
A) De directe interactie tussen de zorgprofessional en de individuele burger in de
dagelijkse praktijk vormgeven.
B) Het vertalen van strategische gemeentelijke kaders naar de inrichting van de lokale
zorginfrastructuur.
C) Het vaststellen van de wettelijke kaders, de overkoepelende wetgeving en het
landelijke beleid.
D) Het managen van de samenwerking tussen diverse lokale welzijnsorganisaties
binnen een specifieke wijk.
2
,Vraag 5: Welk concreet doel heeft het kabinet gesteld met betrekking tot de
toekomst van de gesloten jeugdzorg in 2030?
A) De gesloten jeugdzorg volledig vervangen door kleinschaligere en minder ingrijpende
alternatieven voor jongeren.
B) De capaciteit van de beveiligde instellingen verdubbelen om de veiligheid in de
samenleving beter te kunnen waarborgen.
C) Alle gesloten afdelingen onder direct toezicht van de nationale politie plaatsen om
incidenten te voorkomen.
D) De bestaande Zikos-afdelingen opschalen naar een landelijk dekkend netwerk van
intensieve observatiecentra.
Vraag 6: Wat was de voornaamste reden voor het besluit om de Zikos-afdelingen
binnen de jeugdzorg definitief te sluiten?
A) Er was onvoldoende instroom van nieuwe cliënten waardoor de afdelingen financieel
niet langer rendabel bleken.
B) De operationele kosten van deze afdelingen waren te hoog in vergelijking met de
reguliere residentiële jeugdhulp.
C) Er waren ernstige tekortkomingen in de veiligheid en de effectiviteit van de zorg voor
de meest complexe doelgroepen.
D) De gebouwen voldeden niet meer aan de moderne huisvestingseisen die gesteld
worden door de Inspectie Gezondheidszorg.
Vraag 7: Hoe wordt sociale insluiting gedefinieerd binnen het 'social integration
discourse' (SID) van Levitas?
A) Als een fundamenteel recht op een menswaardig bestaan ongeacht de bijdrage aan
de economie.
B) Als de actieve deelname aan de betaalde arbeidsmarkt als primair middel voor
maatschappelijke participatie.
C) Als de mate waarin een burger in staat is om emotionele steun te mobiliseren binnen
het eigen informele netwerk.
D) Als de herverdeling van financiële middelen door de overheid om armoede en
sociale uitsluiting direct te bestrijden.
Vraag 8: Wat kenmerkt het 'Entitlement' paradigma binnen de discussie over de
sociale bijstand?
A) De nadruk op strikte controles en een werkplicht om burgers tot onafhankelijkheid
van de staat te dwingen.
B) De combinatie van inkomensondersteuning met verplichte investeringen in training
en begeleiding naar de arbeidsmarkt.
C) De focus op het disciplineren van de lagere sociale klassen om een vermeende
afhankelijkheidscultuur te doorbreken.
D) De visie dat bijstand een fundamenteel recht is waarbij de overheid verantwoordelijk
is voor een menswaardig bestaan.
Vraag 9: Welke fundamentele verschuiving in besturing markeert het concept
'governance' in het sociaal domein?
A) Een terugkeer naar strikt hiërarchische aansturing door de rijksoverheid om
rechtsgelijkheid tussen gemeenten te borgen.
3
, B) De volledige privatisering van alle zorgtaken waarbij de overheid geen enkele rol
meer speelt in de uitvoering.
C) De overgang van horizontale netwerken naar verticale, top-down structuren binnen
de gemeentelijke organisatie.
D) Een verschuiving van hiërarchische aansturing naar besturing via netwerken,
samenwerking en horizontale partnerschappen.
Vraag 10: Wat staat centraal in het politiek perspectief op governance wat betreft
de rol van de staat?
A) De focus op macht, belangen en de subtiele sturing van burgergedrag via soft power
en nudges.
B) De opvatting dat de overheid zich volledig terugtrekt uit de samenleving om ruimte te
maken voor burgerinitiatieven.
C) De praktische benadering van coproductie waarbij de staat enkel als neutrale
procesbegeleider optreedt.
D) De overtuiging dat de overheid complexe problemen enkel via directieve, top-down
regelgeving kan oplossen.
Vraag 11: Hoe wordt de 'retreating state' (terugtrekkende staat) omschreven vanuit
het managementperspectief op governance?
A) Een situatie waarin de overheid minder direct stuurt en de uitvoering van publieke
taken overlaat aan de samenleving.
B) Een proces waarbij de staat nieuwe technieken inzet om de leefstijl van burgers
intensiever te controleren.
C) Een overheid die meer grip probeert te krijgen op burgers via preventieve
interventies in de persoonlijke levenssfeer.
D) De transformatie van privégewoonten tot zaken van publiek belang om de
democratische legitimiteit te vergroten.
Vraag 12: Wat wordt bedoeld met de 'politicisering van gedrag' in de context van
de moderne welvaartsstaat?
A) Het proces waarbij de overheid alle politieke besluitvorming overdraagt aan
onafhankelijke deskundigenraden.
B) De verplichting voor burgers om lid te worden van een politieke partij alvorens zij
aanspraak kunnen maken op bijstand.
C) Het verbieden van politieke discussies binnen zorginstellingen om de neutraliteit van
de zorgverlening te borgen.
D) De transformatie van privé-gewoonten en individuele keuzes tot zaken van publiek
en politiek belang.
Vraag 13: Welk doel dienen 'framing' processen volgens de tekst bij het
doorvoeren van beleidswijzigingen?
A) Het selecteren en benadrukken van specifieke aspecten van de werkelijkheid om een
gewenste interpretatie te sturen.
B) Het vertalen van complexe wetsteksten naar begrijpelijke taal voor laagopgeleide
burgers in het sociaal domein.
C) Het uitsluiten van alle emotionele aspecten uit het zorgbeleid om een rationele
besluitvorming te garanderen.
4
Vraag 1: Wat is de kernbelofte van de beleidsfocus op 'nabijheid' zoals ingezet
sinds de decentralisaties in 2015?
A) Een verschuiving naar een gecentraliseerde bureaucratie die objectieve criteria
hanteert voor alle burgers.
B) Het organiseren van ondersteuning op een fysiek en sociaal nabije wijze die beter
aansluit op individuele behoeften.
C) Een focus op landelijke uniformiteit waarbij de rijksoverheid de directe regie voert
over lokale zorguitvoering.
D) Het versterken van de hiërarchische aansturing vanuit het bestuur om de efficiëntie
van de zorgverlening te vergroten.
Vraag 2: Welke maatschappelijke overtuiging ligt ten grondslag aan de
Participatiewet binnen de huidige zorgcontext?
A) Dat sociale bijstand een onvoorwaardelijk recht moet zijn zonder verplichtingen tot
tegenprestaties in de vorm van arbeid.
B) Dat actieve deelname aan het arbeidsproces een fundamentele voorwaarde is voor
het welzijn van burgers in de samenleving.
C) Dat de overheid de volledige verantwoordelijkheid voor inkomenszekerheid moet
overnemen van het private netwerk.
D) Dat werkloosheid enkel een individueel probleem is dat losstaat van de bredere
ondersteuningsbehoeften van de burger.
Vraag 3: Op basis van welke veronderstelling moesten gemeenten de
gedecentraliseerde zorgtaken met twintig procent minder budget uitvoeren?
A) De veronderstelling dat de rijksoverheid de administratieve lasten voor lokale
overheden volledig zou wegnemen.
B) De aanname dat schaalvergroting op regionaal niveau automatisch zou leiden tot
een lagere kostprijs per cliënt.
C) De gedachte dat lokale uitvoering en de inzet van het sociale netwerk de noodzaak
voor dure professionele zorg zouden verminderen.
D) De verwachting dat de private verzekeringssector de kosten voor de meest complexe
zorgvragen op zich zou nemen.
Vraag 4: Wat is de primaire functie van het 'macro-niveau' binnen de structuur van
de decentralisaties?
A) De directe interactie tussen de zorgprofessional en de individuele burger in de
dagelijkse praktijk vormgeven.
B) Het vertalen van strategische gemeentelijke kaders naar de inrichting van de lokale
zorginfrastructuur.
C) Het vaststellen van de wettelijke kaders, de overkoepelende wetgeving en het
landelijke beleid.
D) Het managen van de samenwerking tussen diverse lokale welzijnsorganisaties
binnen een specifieke wijk.
2
,Vraag 5: Welk concreet doel heeft het kabinet gesteld met betrekking tot de
toekomst van de gesloten jeugdzorg in 2030?
A) De gesloten jeugdzorg volledig vervangen door kleinschaligere en minder ingrijpende
alternatieven voor jongeren.
B) De capaciteit van de beveiligde instellingen verdubbelen om de veiligheid in de
samenleving beter te kunnen waarborgen.
C) Alle gesloten afdelingen onder direct toezicht van de nationale politie plaatsen om
incidenten te voorkomen.
D) De bestaande Zikos-afdelingen opschalen naar een landelijk dekkend netwerk van
intensieve observatiecentra.
Vraag 6: Wat was de voornaamste reden voor het besluit om de Zikos-afdelingen
binnen de jeugdzorg definitief te sluiten?
A) Er was onvoldoende instroom van nieuwe cliënten waardoor de afdelingen financieel
niet langer rendabel bleken.
B) De operationele kosten van deze afdelingen waren te hoog in vergelijking met de
reguliere residentiële jeugdhulp.
C) Er waren ernstige tekortkomingen in de veiligheid en de effectiviteit van de zorg voor
de meest complexe doelgroepen.
D) De gebouwen voldeden niet meer aan de moderne huisvestingseisen die gesteld
worden door de Inspectie Gezondheidszorg.
Vraag 7: Hoe wordt sociale insluiting gedefinieerd binnen het 'social integration
discourse' (SID) van Levitas?
A) Als een fundamenteel recht op een menswaardig bestaan ongeacht de bijdrage aan
de economie.
B) Als de actieve deelname aan de betaalde arbeidsmarkt als primair middel voor
maatschappelijke participatie.
C) Als de mate waarin een burger in staat is om emotionele steun te mobiliseren binnen
het eigen informele netwerk.
D) Als de herverdeling van financiële middelen door de overheid om armoede en
sociale uitsluiting direct te bestrijden.
Vraag 8: Wat kenmerkt het 'Entitlement' paradigma binnen de discussie over de
sociale bijstand?
A) De nadruk op strikte controles en een werkplicht om burgers tot onafhankelijkheid
van de staat te dwingen.
B) De combinatie van inkomensondersteuning met verplichte investeringen in training
en begeleiding naar de arbeidsmarkt.
C) De focus op het disciplineren van de lagere sociale klassen om een vermeende
afhankelijkheidscultuur te doorbreken.
D) De visie dat bijstand een fundamenteel recht is waarbij de overheid verantwoordelijk
is voor een menswaardig bestaan.
Vraag 9: Welke fundamentele verschuiving in besturing markeert het concept
'governance' in het sociaal domein?
A) Een terugkeer naar strikt hiërarchische aansturing door de rijksoverheid om
rechtsgelijkheid tussen gemeenten te borgen.
3
, B) De volledige privatisering van alle zorgtaken waarbij de overheid geen enkele rol
meer speelt in de uitvoering.
C) De overgang van horizontale netwerken naar verticale, top-down structuren binnen
de gemeentelijke organisatie.
D) Een verschuiving van hiërarchische aansturing naar besturing via netwerken,
samenwerking en horizontale partnerschappen.
Vraag 10: Wat staat centraal in het politiek perspectief op governance wat betreft
de rol van de staat?
A) De focus op macht, belangen en de subtiele sturing van burgergedrag via soft power
en nudges.
B) De opvatting dat de overheid zich volledig terugtrekt uit de samenleving om ruimte te
maken voor burgerinitiatieven.
C) De praktische benadering van coproductie waarbij de staat enkel als neutrale
procesbegeleider optreedt.
D) De overtuiging dat de overheid complexe problemen enkel via directieve, top-down
regelgeving kan oplossen.
Vraag 11: Hoe wordt de 'retreating state' (terugtrekkende staat) omschreven vanuit
het managementperspectief op governance?
A) Een situatie waarin de overheid minder direct stuurt en de uitvoering van publieke
taken overlaat aan de samenleving.
B) Een proces waarbij de staat nieuwe technieken inzet om de leefstijl van burgers
intensiever te controleren.
C) Een overheid die meer grip probeert te krijgen op burgers via preventieve
interventies in de persoonlijke levenssfeer.
D) De transformatie van privégewoonten tot zaken van publiek belang om de
democratische legitimiteit te vergroten.
Vraag 12: Wat wordt bedoeld met de 'politicisering van gedrag' in de context van
de moderne welvaartsstaat?
A) Het proces waarbij de overheid alle politieke besluitvorming overdraagt aan
onafhankelijke deskundigenraden.
B) De verplichting voor burgers om lid te worden van een politieke partij alvorens zij
aanspraak kunnen maken op bijstand.
C) Het verbieden van politieke discussies binnen zorginstellingen om de neutraliteit van
de zorgverlening te borgen.
D) De transformatie van privé-gewoonten en individuele keuzes tot zaken van publiek
en politiek belang.
Vraag 13: Welk doel dienen 'framing' processen volgens de tekst bij het
doorvoeren van beleidswijzigingen?
A) Het selecteren en benadrukken van specifieke aspecten van de werkelijkheid om een
gewenste interpretatie te sturen.
B) Het vertalen van complexe wetsteksten naar begrijpelijke taal voor laagopgeleide
burgers in het sociaal domein.
C) Het uitsluiten van alle emotionele aspecten uit het zorgbeleid om een rationele
besluitvorming te garanderen.
4