,Meerkeuzevragen
Vraag 1: Welke rol vervullen 'kernconcepten' volgens de tekst binnen de
kwalitatieve probleemformulering?
A) Zij dienen als de enige bron voor de situering van het onderzoek.
B) Zij zorgen voor de theoretische verankering en sturen de richting van de analyse.
C) Zij fungeren als controlevariabelen om subjectiviteit uit te sluiten.
D) Zij bepalen de externe validiteit van het onderzoeksproces.
Vraag 2: Waarom moeten termen als 'optimaliseren' of 'veroorzaken' worden
vermeden in kwalitatieve onderzoeksvragen?
A) Omdat deze termen te abstract zijn voor een kleinschalige studie.
B) Omdat zij een gewenste uitkomst of causaal verband suggereren.
C) Omdat deze woorden enkel toebehoort aan de doctrinaire rechtswetenschap.
D) Omdat zij de haalbaarheid van de data-analyse in gevaar brengen.
Vraag 3: Wat houdt de 'expressieve functie' van taal in binnen de context van
discoursanalyse?
A) Het objectief overdragen van informatie over de buitenwereld.
B) Het vastleggen van grammaticale structuren in beleidsnota's.
C) Het uitdrukken van persoonlijke gevoelens die bijdragen aan sociale
identiteitsconstructie.
D) Het analyseren van de relatie tussen de spreker en de luisteraar via
metaboodschappen.
Vraag 4: Wat wordt bedoeld met de 'self-fulfilling prophecy' in de context van taal
en discours?
A) Dat taal altijd een accurate weerspiegeling is van de toekomstige werkelijkheid.
B) Dat door taal geconstrueerde betekenissen gedrag zo beïnvloeden dat
verwachtingen uitkomen.
C) Dat de onderzoeker zijn eigen conclusies vooraf in de onderzoeksvraag verwerkt.
D) Dat de politieke macht de betekenis van woorden eenzijdig kan veranderen.
Vraag 5: Hoe verschilt de benadering van Laclau en Mouffe van andere
discoursanalytische stromingen?
A) Zij focussen uitsluitend op de referentiële functie van taal.
B) Zij hanteren een breed begrip dat alle sociale praktijken op macroniveau omvat.
C) Zij beperken hun analyse tot de formele linguïstische regels van teksten.
D) Zij richten zich primair op de psychologische processen van het individu.
Vraag 6: Welke specifieke focus heeft de stroming 'discursieve psychologie'?
A) Het onderzoeken van machtsstructuren op mondiaal niveau.
B) De reconstructie van het positieve recht in de geestelijke gezondheidszorg.
C) De talige vormgeving van identiteit en emoties in alledaagse interacties.
D) De invloed van statistische generaliseerbaarheid op menselijk gedrag.
2
, Vraag 7: Wat is het voornaamste kennisdoel van conversatieanalyse?
A) Het ontmaskeren van verborgen ideologieën in mediateksten.
B) Inzicht krijgen in hoe participanten gezamenlijk sociale orde tot stand brengen.
C) Het vaststellen van de juridische geldigheid van mondelinge overeenkomsten.
D) Het vertalen van cliëntervaringen naar kwantitatieve datasets.
Vraag 8: Welk standpunt neemt het constructivisme in ten aanzien van 'waarheid'?
A) Waarheid is een objectief gegeven dat buiten de menselijke taal bestaat.
B) Wetenschappelijke kennis is de enige vorm van objectieve waarheid.
C) Er bestaat geen objectieve waarheid buiten de menselijke interpretatie en taal om.
D) Waarheid kan enkel worden vastgesteld door middel van experimenteel onderzoek.
Vraag 9: Wat typeert een 'skeptische houding' tijdens het uitvoeren van een
kritische discoursanalyse?
A) Het negeren van alle data die niet aansluiten bij de hypothese.
B) Het actief bevragen van de constructie van informatie in plaats van de tekst voor lief
te nemen.
C) Een negatieve instelling tegenover de participanten van het onderzoek.
D) Het uitsluitend gebruiken van persoonlijke verhalen als bron van waarheid.
Vraag 10: Voor welk specifiek doel wordt de tool 'Nexis Uni' in de tekst genoemd?
A) Het analyseren van rechterlijke uitspraken in de Participatiewet.
B) Het controleren van de betrouwbaarheid van kwantitatieve instrumenten.
C) Het coderen van interviews in de Grounded Theory benadering.
D) Het systematisch verzamelen en filteren van mediaberichtgeving.
Vraag 11: Wat valt volgens de tekst onder de categorie 'grijze literatuur'?
A) Niet-commerciële publicaties zoals jaarverslagen en rapporten van instellingen.
B) Officiële wetboeken en kamerbrieven van de overheid.
C) Persoonlijke dagboeken van cliënten op sociale media.
D) Wetenschappelijke artikelen in peer-reviewed tijdschriften.
Vraag 12: Welk type onderzoek is gericht op oplossingen voor knelpunten op het
snijvlak van recht, politiek en bestuur?
A) Rechtshistorisch onderzoek.
B) Rechtspolitiek onderzoek.
C) Rechtsfilosofisch onderzoek.
D) Rechtsvergelijkend onderzoek.
Vraag 13: Wat is de kernactiviteit van rechtshistorisch onderzoek?
A) Het voorspellen van toekomstige wetgeving op basis van politieke trends.
B) Het verklaren van de ontwikkeling van huidige rechtsregels door analyse van het
verleden.
C) Het vergelijken van Nederlandse wetten met die van buurlanden.
D) Het toetsen van de effectiviteit van wetten via interviews.
3
Vraag 1: Welke rol vervullen 'kernconcepten' volgens de tekst binnen de
kwalitatieve probleemformulering?
A) Zij dienen als de enige bron voor de situering van het onderzoek.
B) Zij zorgen voor de theoretische verankering en sturen de richting van de analyse.
C) Zij fungeren als controlevariabelen om subjectiviteit uit te sluiten.
D) Zij bepalen de externe validiteit van het onderzoeksproces.
Vraag 2: Waarom moeten termen als 'optimaliseren' of 'veroorzaken' worden
vermeden in kwalitatieve onderzoeksvragen?
A) Omdat deze termen te abstract zijn voor een kleinschalige studie.
B) Omdat zij een gewenste uitkomst of causaal verband suggereren.
C) Omdat deze woorden enkel toebehoort aan de doctrinaire rechtswetenschap.
D) Omdat zij de haalbaarheid van de data-analyse in gevaar brengen.
Vraag 3: Wat houdt de 'expressieve functie' van taal in binnen de context van
discoursanalyse?
A) Het objectief overdragen van informatie over de buitenwereld.
B) Het vastleggen van grammaticale structuren in beleidsnota's.
C) Het uitdrukken van persoonlijke gevoelens die bijdragen aan sociale
identiteitsconstructie.
D) Het analyseren van de relatie tussen de spreker en de luisteraar via
metaboodschappen.
Vraag 4: Wat wordt bedoeld met de 'self-fulfilling prophecy' in de context van taal
en discours?
A) Dat taal altijd een accurate weerspiegeling is van de toekomstige werkelijkheid.
B) Dat door taal geconstrueerde betekenissen gedrag zo beïnvloeden dat
verwachtingen uitkomen.
C) Dat de onderzoeker zijn eigen conclusies vooraf in de onderzoeksvraag verwerkt.
D) Dat de politieke macht de betekenis van woorden eenzijdig kan veranderen.
Vraag 5: Hoe verschilt de benadering van Laclau en Mouffe van andere
discoursanalytische stromingen?
A) Zij focussen uitsluitend op de referentiële functie van taal.
B) Zij hanteren een breed begrip dat alle sociale praktijken op macroniveau omvat.
C) Zij beperken hun analyse tot de formele linguïstische regels van teksten.
D) Zij richten zich primair op de psychologische processen van het individu.
Vraag 6: Welke specifieke focus heeft de stroming 'discursieve psychologie'?
A) Het onderzoeken van machtsstructuren op mondiaal niveau.
B) De reconstructie van het positieve recht in de geestelijke gezondheidszorg.
C) De talige vormgeving van identiteit en emoties in alledaagse interacties.
D) De invloed van statistische generaliseerbaarheid op menselijk gedrag.
2
, Vraag 7: Wat is het voornaamste kennisdoel van conversatieanalyse?
A) Het ontmaskeren van verborgen ideologieën in mediateksten.
B) Inzicht krijgen in hoe participanten gezamenlijk sociale orde tot stand brengen.
C) Het vaststellen van de juridische geldigheid van mondelinge overeenkomsten.
D) Het vertalen van cliëntervaringen naar kwantitatieve datasets.
Vraag 8: Welk standpunt neemt het constructivisme in ten aanzien van 'waarheid'?
A) Waarheid is een objectief gegeven dat buiten de menselijke taal bestaat.
B) Wetenschappelijke kennis is de enige vorm van objectieve waarheid.
C) Er bestaat geen objectieve waarheid buiten de menselijke interpretatie en taal om.
D) Waarheid kan enkel worden vastgesteld door middel van experimenteel onderzoek.
Vraag 9: Wat typeert een 'skeptische houding' tijdens het uitvoeren van een
kritische discoursanalyse?
A) Het negeren van alle data die niet aansluiten bij de hypothese.
B) Het actief bevragen van de constructie van informatie in plaats van de tekst voor lief
te nemen.
C) Een negatieve instelling tegenover de participanten van het onderzoek.
D) Het uitsluitend gebruiken van persoonlijke verhalen als bron van waarheid.
Vraag 10: Voor welk specifiek doel wordt de tool 'Nexis Uni' in de tekst genoemd?
A) Het analyseren van rechterlijke uitspraken in de Participatiewet.
B) Het controleren van de betrouwbaarheid van kwantitatieve instrumenten.
C) Het coderen van interviews in de Grounded Theory benadering.
D) Het systematisch verzamelen en filteren van mediaberichtgeving.
Vraag 11: Wat valt volgens de tekst onder de categorie 'grijze literatuur'?
A) Niet-commerciële publicaties zoals jaarverslagen en rapporten van instellingen.
B) Officiële wetboeken en kamerbrieven van de overheid.
C) Persoonlijke dagboeken van cliënten op sociale media.
D) Wetenschappelijke artikelen in peer-reviewed tijdschriften.
Vraag 12: Welk type onderzoek is gericht op oplossingen voor knelpunten op het
snijvlak van recht, politiek en bestuur?
A) Rechtshistorisch onderzoek.
B) Rechtspolitiek onderzoek.
C) Rechtsfilosofisch onderzoek.
D) Rechtsvergelijkend onderzoek.
Vraag 13: Wat is de kernactiviteit van rechtshistorisch onderzoek?
A) Het voorspellen van toekomstige wetgeving op basis van politieke trends.
B) Het verklaren van de ontwikkeling van huidige rechtsregels door analyse van het
verleden.
C) Het vergelijken van Nederlandse wetten met die van buurlanden.
D) Het toetsen van de effectiviteit van wetten via interviews.
3