,Probleemformulering (werkgroepmodule)
Kwalitatieve probleemformulering
Dit is het startpunt van een onderzoek waarbij een specifiek fenomeen wordt afgebakend om diepgaand
begrip te verkrijgen. Een geslaagde formulering voldoet aan criteria zoals logische situering, haalbaarheid
en de aanwezigheid van kernconcepten uit de literatuur.
Situering
De situering vormt de contextuele inbedding van het onderzoek en moet een logische verbinding
vertonen met de doelstelling en vraagstelling. Het vertrekt vanuit de juiste vooronderstellingen om de
relevantie van het gekozen probleem te rechtvaardigen.
Haalbaarheid
Dit criterium toetst of het voorgestelde onderzoek realistisch is wat betreft tijd, middelen en toegang tot
data. Een gebrek aan haalbaarheid kan leiden tot een te brede of complexe vraagstelling die niet
succesvol beantwoord kan worden.
Centrale vraag
De centrale vraag is de eenduidige hoofdvraag die het hart van het onderzoek vormt en waaraan alle
deelvragen logisch gerelateerd zijn. Deze vraag moet overkoepelend zijn en direct aansluiten bij de
sleutelbegrippen uit de relevante wetenschappelijke literatuur.
Kernconcepten
Dit zijn de belangrijkste theoretische begrippen uit de kennislijn die expliciet in de probleemformulering
en de onderzoeksvragen moeten worden opgenomen. Zij zorgen voor de theoretische verankering en
sturen de richting van de kwalitatieve analyse.
Kwalitatieve onderzoeksvragen
Deze vragen zijn als vraag geformuleerd en beginnen doorgaans met explorerende woorden zoals 'wat'
of 'hoe'. Ze zijn direct afgeleid van de onderzoektaxonomie en vermijden een suggestieve richting om de
openheid van het onderzoek te waarborgen.
2
,Explorerende werkwoorden
Dit zijn specifieke termen zoals 'begrijpen' of 'exploreren' die het ontdekkende karakter van kwalitatief
onderzoek onderstrepen. Het gebruik van deze werkwoorden helpt de onderzoeker om open te staan
voor nieuwe inzichten zonder vooraf bepaalde conclusies te forceren.
Richtinggevende woorden
Termen zoals 'optimaliseren', 'veroorzaken' of 'verbeteren' moeten worden vermeden in kwalitatieve
vraagstellingen omdat zij een gewenste uitkomst of causaal verband suggereren. In plaats daarvan wordt
gezocht naar neutrale formuleringen die ruimte laten voor de ervaringen van participanten.
Discoursanalyse
Discoursanalyse
Deze methode bestudeert alles wat als betekenisdrager fungeert in alledaagse en geïnstitutionaliseerde
communicatie. Het wijkt af van de gedachte dat taal een reflectie van de werkelijkheid is en ziet taal juist
als een middel om die werkelijkheid te construeren.
Referentiële functie
Dit is de traditionele opvatting waarbij taal enkel wordt gebruikt om objectieve informatie over de
buitenwereld over te dragen. Discoursanalyse problematiseert deze functie door te stellen dat taal nooit
neutraal is, maar altijd een actieve rol speelt in betekenisgeving.
Expressieve functie
Deze functie van taal richt zich op het uitdrukken van de persoonlijke opvattingen en gevoelens van de
spreker over de werkelijkheid. Binnen de discoursanalyse wordt gekeken hoe deze subjectieve uitingen
bijdragen aan de constructie van specifieke sociale identiteiten.
Taalgebruik als constructie
Dit is de kernimplicatie dat mensen door hun taalgebruik een sociale werkelijkheid creëren in plaats van
deze enkel te beschrijven. De manier waarop we fenomenen benoemen, bepaalt hoe we ermee omgaan
en welke sociale gevolgen hieraan verbonden zijn.
3
, Metaboodschappen
Dit zijn de impliciete boodschappen die inherent zijn aan taalgebruik en die aanwijzingen geven over de
relatie tussen gesprekspartners. Zij sturen de interpretatie van de letterlijke tekst en zijn essentieel voor
het begrijpen van de sociale interactie.
Self-fulfilling prophecy in taal
Door middel van taal geconstrueerde betekenissen kunnen een eigen leven gaan leiden en het gedrag
van mensen dusdanig beïnvloeden dat de verwachtingen werkelijkheid worden. Het ontwikkelen van
bepaalde definities van een situatie zorgt er zo voor dat de situatie zich naar die definitie vormt.
Contextafhankelijkheid
Taalgedrag is sterk afhankelijk van de sociale situatie en de regels die op dat moment van kracht zijn.
Wat mensen vertellen kan variëren per situatie, waardoor de analyse van taal altijd rekening moet
houden met de specifieke omgeving waarin de communicatie plaatsvindt.
Discours (foucault)
Foucault definieert discours als het geheel van sociale regels en praktijken via welke een specifiek
systeem van betekenissen wordt geproduceerd. Het gaat hierbij om de machtsstructuren die bepalen
wat binnen een maatschappij als waarheid wordt geaccepteerd.
Discours (laclau & mouffe)
Zij hanteren een breed discoursbegrip dat alle sociale praktijken omvat en verder gaat dan enkel
taalgebruik. Hun benadering richt zich op onderzoeksvragen op macroniveau om de constructie van
maatschappelijke structuren te verklaren.
Discours (gee)
James Paul Gee ziet discours als betekenissystemen die via omvattende sociale praktijken worden
geproduceerd en gereproduceerd. Het verenigt verschillende benaderingen door te kijken naar de
integratie van taal, handelen en sociale identiteit.
Discursieve psychologie
Deze stroming onderzoekt hoe psychologische fenomenen en begrippen in alledaagse interacties
worden geconstrueerd. Het richt zich op het microniveau van communicatie om te zien hoe mensen hun
4
Kwalitatieve probleemformulering
Dit is het startpunt van een onderzoek waarbij een specifiek fenomeen wordt afgebakend om diepgaand
begrip te verkrijgen. Een geslaagde formulering voldoet aan criteria zoals logische situering, haalbaarheid
en de aanwezigheid van kernconcepten uit de literatuur.
Situering
De situering vormt de contextuele inbedding van het onderzoek en moet een logische verbinding
vertonen met de doelstelling en vraagstelling. Het vertrekt vanuit de juiste vooronderstellingen om de
relevantie van het gekozen probleem te rechtvaardigen.
Haalbaarheid
Dit criterium toetst of het voorgestelde onderzoek realistisch is wat betreft tijd, middelen en toegang tot
data. Een gebrek aan haalbaarheid kan leiden tot een te brede of complexe vraagstelling die niet
succesvol beantwoord kan worden.
Centrale vraag
De centrale vraag is de eenduidige hoofdvraag die het hart van het onderzoek vormt en waaraan alle
deelvragen logisch gerelateerd zijn. Deze vraag moet overkoepelend zijn en direct aansluiten bij de
sleutelbegrippen uit de relevante wetenschappelijke literatuur.
Kernconcepten
Dit zijn de belangrijkste theoretische begrippen uit de kennislijn die expliciet in de probleemformulering
en de onderzoeksvragen moeten worden opgenomen. Zij zorgen voor de theoretische verankering en
sturen de richting van de kwalitatieve analyse.
Kwalitatieve onderzoeksvragen
Deze vragen zijn als vraag geformuleerd en beginnen doorgaans met explorerende woorden zoals 'wat'
of 'hoe'. Ze zijn direct afgeleid van de onderzoektaxonomie en vermijden een suggestieve richting om de
openheid van het onderzoek te waarborgen.
2
,Explorerende werkwoorden
Dit zijn specifieke termen zoals 'begrijpen' of 'exploreren' die het ontdekkende karakter van kwalitatief
onderzoek onderstrepen. Het gebruik van deze werkwoorden helpt de onderzoeker om open te staan
voor nieuwe inzichten zonder vooraf bepaalde conclusies te forceren.
Richtinggevende woorden
Termen zoals 'optimaliseren', 'veroorzaken' of 'verbeteren' moeten worden vermeden in kwalitatieve
vraagstellingen omdat zij een gewenste uitkomst of causaal verband suggereren. In plaats daarvan wordt
gezocht naar neutrale formuleringen die ruimte laten voor de ervaringen van participanten.
Discoursanalyse
Discoursanalyse
Deze methode bestudeert alles wat als betekenisdrager fungeert in alledaagse en geïnstitutionaliseerde
communicatie. Het wijkt af van de gedachte dat taal een reflectie van de werkelijkheid is en ziet taal juist
als een middel om die werkelijkheid te construeren.
Referentiële functie
Dit is de traditionele opvatting waarbij taal enkel wordt gebruikt om objectieve informatie over de
buitenwereld over te dragen. Discoursanalyse problematiseert deze functie door te stellen dat taal nooit
neutraal is, maar altijd een actieve rol speelt in betekenisgeving.
Expressieve functie
Deze functie van taal richt zich op het uitdrukken van de persoonlijke opvattingen en gevoelens van de
spreker over de werkelijkheid. Binnen de discoursanalyse wordt gekeken hoe deze subjectieve uitingen
bijdragen aan de constructie van specifieke sociale identiteiten.
Taalgebruik als constructie
Dit is de kernimplicatie dat mensen door hun taalgebruik een sociale werkelijkheid creëren in plaats van
deze enkel te beschrijven. De manier waarop we fenomenen benoemen, bepaalt hoe we ermee omgaan
en welke sociale gevolgen hieraan verbonden zijn.
3
, Metaboodschappen
Dit zijn de impliciete boodschappen die inherent zijn aan taalgebruik en die aanwijzingen geven over de
relatie tussen gesprekspartners. Zij sturen de interpretatie van de letterlijke tekst en zijn essentieel voor
het begrijpen van de sociale interactie.
Self-fulfilling prophecy in taal
Door middel van taal geconstrueerde betekenissen kunnen een eigen leven gaan leiden en het gedrag
van mensen dusdanig beïnvloeden dat de verwachtingen werkelijkheid worden. Het ontwikkelen van
bepaalde definities van een situatie zorgt er zo voor dat de situatie zich naar die definitie vormt.
Contextafhankelijkheid
Taalgedrag is sterk afhankelijk van de sociale situatie en de regels die op dat moment van kracht zijn.
Wat mensen vertellen kan variëren per situatie, waardoor de analyse van taal altijd rekening moet
houden met de specifieke omgeving waarin de communicatie plaatsvindt.
Discours (foucault)
Foucault definieert discours als het geheel van sociale regels en praktijken via welke een specifiek
systeem van betekenissen wordt geproduceerd. Het gaat hierbij om de machtsstructuren die bepalen
wat binnen een maatschappij als waarheid wordt geaccepteerd.
Discours (laclau & mouffe)
Zij hanteren een breed discoursbegrip dat alle sociale praktijken omvat en verder gaat dan enkel
taalgebruik. Hun benadering richt zich op onderzoeksvragen op macroniveau om de constructie van
maatschappelijke structuren te verklaren.
Discours (gee)
James Paul Gee ziet discours als betekenissystemen die via omvattende sociale praktijken worden
geproduceerd en gereproduceerd. Het verenigt verschillende benaderingen door te kijken naar de
integratie van taal, handelen en sociale identiteit.
Discursieve psychologie
Deze stroming onderzoekt hoe psychologische fenomenen en begrippen in alledaagse interacties
worden geconstrueerd. Het richt zich op het microniveau van communicatie om te zien hoe mensen hun
4