Hoofdstuk 1 Inleiding - Thema 1
1.1
1.2
Het woord adolescentie wordt gebruikt voor de periode tussen de kinderjaren en de
volwassenheid. Dit is een periode van overgang, waarin zich veel ontwikkelingen voordoen
op verschillende terreinen.
De belangrijkste ontwikkelingstaak in de adolescentie is het ontwikkelen van een eigen
identiteit.
In de westerse wereld is het toekennen van verantwoordelijkheden meestal toch gekoppeld
aan concrete leeftijdsgrenzen. Zo is het jeugdstrafrecht in Nederland vanaf 12 jaar van
toepassing en geldt het volwassenstrafrecht vanaf 18 jaar. In uitzonderingen wordt het
volwassenstrafrecht ook al vanaf 16 jaar toegepast, terwijl het jeugdstrafrecht tot 23 jaar van
kracht is.
Emerging adulthood (ontluikende volwassenheid): Verlengde adolescentie. Eindigt per
definitie pas als volwassen rollen zijn opgenomen, hetgeen bij 25 jaar wel gebeurd is bij de
meesten.
Quarterlife crisis: jongeren van rond de 25 jaar die moeilijkheden ervaren bij het vinden van
een plaats in de volwassen wereld. Maar bij de meeste jongeren gaat dit gewoon goed.
Transitional care: Jeugd wordt gedefinieerd als de periode tussen 15 en 24 jaar.
Officiële adolescentieleeftijd is 10-23 jaar.
Vroege adolescentie is 10-13 jaar.
Midden adolescentie is 14-18 jaar.
Late adolescentie is 19-23 jaar.
Puberteit heeft betrekking op het proces van geslachtsrijp worden, inclusief de hormonale
ontwikkeling die de geslachtsrijping en tal van andere rijpings- en ontwikkelingsprocessen
aanstuurt.
Puberen: verandering in gedrag en stemming.
1.3
Het begin van de adolescentie wordt dikwijls vastgesteld met objectief waarneembare
biologische verschijnselen, zoals de fysiologische veranderingen die uiteindelijk de
geslachtsrijpheid veroorzaken, de lichamelijke verschijnselen waaruit geslachtsrijpheid blijkt
of de versnelling van de lengtegroei.
De begin van de adolescentie is sociaal en cultureel bepaald. De overgang van het
basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs is daar een voorbeeld van.
Het einde van de adolescentie wordt meestal weergegeven als het bereiken van de
volwassenheid, waarin weer nieuwe taken centraal staan: het aangaan van meer vaste
persoonlijke, intieme relaties en de zorg voor de volgende generatie.
1
,In onze westerse samenleving zijn we geneigd om bij een begrip als identiteit vooral aan
eigenheid en autonomie te denken. In andere culturen echter is het een belangrijk aspect
van de identiteit om deel uit te maken van een groep, een familie of stam.
1.4
Vroeger werd vaak gezegd dat de adolescentie een periode is van grote emotionele
beroering en opstandigheid. Het begrip Storm and Stress, ook wel ‘Sturm und Drang’
genoemd.
Zijn de problemen die er ondervonden worden in de adolescentie normaal of verstoord het
de ontwikkeling? Steinberg geeft 3 aandachtspunten.
- De noodzaak is om onderscheid te maken tussen eenmalige stemmingen of
gedragingen en meer langdurende patronen. De adolescentie is een periode van
experimenteren en uitproberen. Ook zijn snelle stemmingswisselingen normaal.
- Het is belangrijk om de diagnostische vraag te stellen of de problemen een
symptoom kunnen zijn van een dreigende stoornis. Onderscheid tussen
spanningen en de bijbehorende onevenwichtingheden die adolescenten in het
algemeen ervaren en spanningen die op een dreigende stoornis kunnen duiden.
- Timing van probleemgedrag: wanneer manifesteert het zich? Treedt het op in de
adolescentie of heeft het zijn wortels in de periode vóór de adolescentie? Life-
course persistent of adolescence limited.
1.5
Het ontwikkelingspsychologisch onderzoek is vooral gericht op het opsporen van
veranderingen binnen de persoon over het verloop van de tijd: de intra-individuele
veranderingen. Daarnaast zijn we ook geïnteresseerd in verschillen die zich in het verloop
van de ontwikkeling tussen verschillende jongeren voordoen: de interindividuele
verschillen.
1.5.1
Een fase, of stadia houdt in dat bepaalde gedragswijzen en attitudes typerend zijn voor een
bepaald niveau van psychische ontwikkeling. Deze karakteristieken ontstaan in de loop van
een proces dat een vaste volgorde vertoont.
Als karakteristiek voor de fase van de adolescentie worden vooral gezien:
- Het vormen van een eigen identiteit en het bereiken van autonomie ten opzichte
van de ouders.
- De manieren van omgaan met bepaalde innerlijk beleefde conflicten (omgaan
met ambivalente gevoelens ten opzichte van ouders).
- Een bepaald niveau van cognitief functioneren (denken over morele
vraagstukken).
Bij het trainen van professionals in de jeugdhulp kan het onderscheiden van fasen helpen
om hen meer vanuit een ontwikkelingsperspectief te leren denken. En ook bij oudertraining
kan het onderscheiden van fasen helpen om beter zicht te krijgen op datgene wat kinderen
van een bepaalde leeftijd nodig hebben.
Ieder ontwikkelingsniveau heeft zijn eigen ontwikkelingstaken. Ontwikkelingstaken
2
,verwijzen naar de eisen en verwachtingen die binnen een bepaalde cultuur voor een
bepaalde leeftijdsgroep gelden. Ontwikkelingstaken bouwen op elkaar voort: wat een
persoon geleerd heeft tijdens het aanpassen aan de ene ontwikkelingstaak, heeft
consequenties voor hoe hij of zij latere ontwikkelingstaken gaat aanpakken.
Ontwikkelingstaken:
- Positie ten opzichte van de ouders: minder afhankelijk worden van de ouders en
het bepalen van een eigen plaats binnen de veranderende relaties in het gezin en de
familie.
- Onderwijs of werk: kennis en vaardigheden opdoen om later een beroep te kunnen
uitoefenen en een keuze te maken ten aanzien van werk.
- Vrije tijd: ondernemen van activiteiten in de vrije tijd en het zinvol doorbrengen van
de tijd waarin er geen verplichtingen zijn.
- Eigen woonsituatie: Zorgdragen voor eigen kamer en spullen, omgaan met je
huisgenoten.
- Autoriteit en instanties: accepteren dat er instanties en personen boven je gesteld
zijn, binnen geldende regels en codes opkomen voor eigen belang.
- Gezondheid en uiterlijk: zorgen voor goede voeding en een goede lichamelijke
conditie, een uiterlijk waar je je prettig bij voelt en het inschatten en vermijden van
risico’s.
- Sociale contacten en vriendschappen: contacten leggen en onderhouden, oog
hebben voor wat contacten met anderen je kunnen opleveren.
- Sociale media en internet: smartphone en computer gebruiken, informatie vinden
en delen, informatie en berichten wegen.
- Intimiteit en seksualiteit: seksualiteit integreren in je persoonlijkheid, ontdekken wat
mogelijkheden, wensen en grenzen zijn in intieme en seksuele relaties bij jezelf en bij
anderen.
- Bij cultuurverschillen: normen van verschillende culturen kennen, inschatten welke
vaardigheden in welke culturele context passend zijn.
1.5.2
Ontwikkeling insinueert dat er een verband bestaat tussen vroegere en latere momenten in
de ontwikkeling. Er is sprake van continuïteit.
Een eerste omschrijving van continuïteit heeft betrekking op processen en mechanismen.
Variabelen die op verschillende leeftijden dezelfde functie hebben, maar zich wat betreft
vorm verschillend uiten.
Een tweede vorm van continuïteit veronderstelt een voorspelbaar patroon van relaties
tussen gebeurtenissen en ervaringen in een eerdere levensfase en een bepaalde uitkomst
later. Continuïteit zit hier meer in de kern van de persoon: vroegere ervaringen van een
persoon voorspellen het latere functioneren.
Discontinuïteit vindt plaats bij koerswijziging.
Vroege ervaringen en latere ontwikkeling kunnen dus op zeer verschillende wijze met elkaar
in verband staan. Nieuwe mogelijkheden kunnen de effecten van eerdere ongunstige
omstandigheden veranderen. Dit wijst op een belangrijke plasticiteit van het individu
gedurende het ontwikkelingsproces. Life events of levensgebeurtenissen kunnen een
belangrijke bijdrage leveren aan de ontwikkeling van jongeren.
3
, Bij het beschrijven van levenslooptrajecten of lifetrajectories wordt nagegaan welke
samenhang tussen opeenvolgende gebeurtenissen in een mensenleven te traceren valt.
Acceleratie: een ongunstig verlopende ontwikkeling zet zich onder invloed van bepaalde
factoren versneld in negatieve richting voort.
1.5.3
Ontwikkelingspsychopathologie richt zich op onderzoek naar de condities waaronder
stoornissen die in de ontwikkeling optreden, in stand blijven of verdwijnen, en naar de
individuele verschillen in aanpassing die daarbij voorkomen.
Kwetsbaarheid verhogende en protectieve factoren kunnen van grote invloed zijn op het
verloop van de ontwikkeling. Maar iemand beïnvloed ook zijn eigen omgeving. Dit worden
transactionele modellen genoemd.
1.5.4
Persoon-omgeving interactie:
- Passieve interactie: het individu krijgt de omgeving die door biologische verwanten
wordt aangeboden.
- Evocatieve interactie: het individu beïnvloedt een omgeving door reacties die men
bij anderen oproept.
- Actieve interactie: het individu selecteert een omgeving.
Tijdens de adolescentie lijkt er een verandering plaats te vinden van passieve interacties
naar actieve interacties.
De wetenschappelijke kennis over erfelijke invloeden in de ontwikkeling is de laatste jaren
enorm toegenomen. Dit zijn verschillende methoden:
- Observeren van verschillende opeenvolgende generaties.
- Het onderzoeken van gedrag bij kinderen die dezelfde biologische vader en moeder
hebben, maar die in verschillende omgevingen zijn opgegroeid.
- Dieronderzoek
- Moleculaire genetica: richt zich op de structuur en de functie van de afzonderlijke
genen en genen in samenhang.
Meer recente opvattingen over erfelijkheid, genetica en de rol van de omgeving
benadrukken het idee van de epigenetica. Hierbij wordt bestudeerd hoe de werking van de
genen kan veranderen, bijvoorbeeld onder invloed van de omgeving, zonder dat daarbij
uiteraard de moleculaire genetische structuur zelf verandert. Door een proces met de naam
methylering (methylatie) kunnen genen als het ware worden aangezet of uitgezet: de
genexpressie kan worden geremd.
Jongeren met een bepaald soort temperament of persoonlijkheid zijn extra vatbaar voor
negatieve omgevingsinvloeden (diathesis-stress model). Deze zelfde jongeren zijn ook
vatbaarder voor positieve omgevingsinvloeden. Dit noemt men differential susceptibiliy
(individueel verschillende vatbaarheid). Mensen verschillen op de persoonlijkheidsfactor
conscientieusheid.
Het samenspel tussen persoon en omgeving wordt in twee mechanismen onderverdeeld:
4
1.1
1.2
Het woord adolescentie wordt gebruikt voor de periode tussen de kinderjaren en de
volwassenheid. Dit is een periode van overgang, waarin zich veel ontwikkelingen voordoen
op verschillende terreinen.
De belangrijkste ontwikkelingstaak in de adolescentie is het ontwikkelen van een eigen
identiteit.
In de westerse wereld is het toekennen van verantwoordelijkheden meestal toch gekoppeld
aan concrete leeftijdsgrenzen. Zo is het jeugdstrafrecht in Nederland vanaf 12 jaar van
toepassing en geldt het volwassenstrafrecht vanaf 18 jaar. In uitzonderingen wordt het
volwassenstrafrecht ook al vanaf 16 jaar toegepast, terwijl het jeugdstrafrecht tot 23 jaar van
kracht is.
Emerging adulthood (ontluikende volwassenheid): Verlengde adolescentie. Eindigt per
definitie pas als volwassen rollen zijn opgenomen, hetgeen bij 25 jaar wel gebeurd is bij de
meesten.
Quarterlife crisis: jongeren van rond de 25 jaar die moeilijkheden ervaren bij het vinden van
een plaats in de volwassen wereld. Maar bij de meeste jongeren gaat dit gewoon goed.
Transitional care: Jeugd wordt gedefinieerd als de periode tussen 15 en 24 jaar.
Officiële adolescentieleeftijd is 10-23 jaar.
Vroege adolescentie is 10-13 jaar.
Midden adolescentie is 14-18 jaar.
Late adolescentie is 19-23 jaar.
Puberteit heeft betrekking op het proces van geslachtsrijp worden, inclusief de hormonale
ontwikkeling die de geslachtsrijping en tal van andere rijpings- en ontwikkelingsprocessen
aanstuurt.
Puberen: verandering in gedrag en stemming.
1.3
Het begin van de adolescentie wordt dikwijls vastgesteld met objectief waarneembare
biologische verschijnselen, zoals de fysiologische veranderingen die uiteindelijk de
geslachtsrijpheid veroorzaken, de lichamelijke verschijnselen waaruit geslachtsrijpheid blijkt
of de versnelling van de lengtegroei.
De begin van de adolescentie is sociaal en cultureel bepaald. De overgang van het
basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs is daar een voorbeeld van.
Het einde van de adolescentie wordt meestal weergegeven als het bereiken van de
volwassenheid, waarin weer nieuwe taken centraal staan: het aangaan van meer vaste
persoonlijke, intieme relaties en de zorg voor de volgende generatie.
1
,In onze westerse samenleving zijn we geneigd om bij een begrip als identiteit vooral aan
eigenheid en autonomie te denken. In andere culturen echter is het een belangrijk aspect
van de identiteit om deel uit te maken van een groep, een familie of stam.
1.4
Vroeger werd vaak gezegd dat de adolescentie een periode is van grote emotionele
beroering en opstandigheid. Het begrip Storm and Stress, ook wel ‘Sturm und Drang’
genoemd.
Zijn de problemen die er ondervonden worden in de adolescentie normaal of verstoord het
de ontwikkeling? Steinberg geeft 3 aandachtspunten.
- De noodzaak is om onderscheid te maken tussen eenmalige stemmingen of
gedragingen en meer langdurende patronen. De adolescentie is een periode van
experimenteren en uitproberen. Ook zijn snelle stemmingswisselingen normaal.
- Het is belangrijk om de diagnostische vraag te stellen of de problemen een
symptoom kunnen zijn van een dreigende stoornis. Onderscheid tussen
spanningen en de bijbehorende onevenwichtingheden die adolescenten in het
algemeen ervaren en spanningen die op een dreigende stoornis kunnen duiden.
- Timing van probleemgedrag: wanneer manifesteert het zich? Treedt het op in de
adolescentie of heeft het zijn wortels in de periode vóór de adolescentie? Life-
course persistent of adolescence limited.
1.5
Het ontwikkelingspsychologisch onderzoek is vooral gericht op het opsporen van
veranderingen binnen de persoon over het verloop van de tijd: de intra-individuele
veranderingen. Daarnaast zijn we ook geïnteresseerd in verschillen die zich in het verloop
van de ontwikkeling tussen verschillende jongeren voordoen: de interindividuele
verschillen.
1.5.1
Een fase, of stadia houdt in dat bepaalde gedragswijzen en attitudes typerend zijn voor een
bepaald niveau van psychische ontwikkeling. Deze karakteristieken ontstaan in de loop van
een proces dat een vaste volgorde vertoont.
Als karakteristiek voor de fase van de adolescentie worden vooral gezien:
- Het vormen van een eigen identiteit en het bereiken van autonomie ten opzichte
van de ouders.
- De manieren van omgaan met bepaalde innerlijk beleefde conflicten (omgaan
met ambivalente gevoelens ten opzichte van ouders).
- Een bepaald niveau van cognitief functioneren (denken over morele
vraagstukken).
Bij het trainen van professionals in de jeugdhulp kan het onderscheiden van fasen helpen
om hen meer vanuit een ontwikkelingsperspectief te leren denken. En ook bij oudertraining
kan het onderscheiden van fasen helpen om beter zicht te krijgen op datgene wat kinderen
van een bepaalde leeftijd nodig hebben.
Ieder ontwikkelingsniveau heeft zijn eigen ontwikkelingstaken. Ontwikkelingstaken
2
,verwijzen naar de eisen en verwachtingen die binnen een bepaalde cultuur voor een
bepaalde leeftijdsgroep gelden. Ontwikkelingstaken bouwen op elkaar voort: wat een
persoon geleerd heeft tijdens het aanpassen aan de ene ontwikkelingstaak, heeft
consequenties voor hoe hij of zij latere ontwikkelingstaken gaat aanpakken.
Ontwikkelingstaken:
- Positie ten opzichte van de ouders: minder afhankelijk worden van de ouders en
het bepalen van een eigen plaats binnen de veranderende relaties in het gezin en de
familie.
- Onderwijs of werk: kennis en vaardigheden opdoen om later een beroep te kunnen
uitoefenen en een keuze te maken ten aanzien van werk.
- Vrije tijd: ondernemen van activiteiten in de vrije tijd en het zinvol doorbrengen van
de tijd waarin er geen verplichtingen zijn.
- Eigen woonsituatie: Zorgdragen voor eigen kamer en spullen, omgaan met je
huisgenoten.
- Autoriteit en instanties: accepteren dat er instanties en personen boven je gesteld
zijn, binnen geldende regels en codes opkomen voor eigen belang.
- Gezondheid en uiterlijk: zorgen voor goede voeding en een goede lichamelijke
conditie, een uiterlijk waar je je prettig bij voelt en het inschatten en vermijden van
risico’s.
- Sociale contacten en vriendschappen: contacten leggen en onderhouden, oog
hebben voor wat contacten met anderen je kunnen opleveren.
- Sociale media en internet: smartphone en computer gebruiken, informatie vinden
en delen, informatie en berichten wegen.
- Intimiteit en seksualiteit: seksualiteit integreren in je persoonlijkheid, ontdekken wat
mogelijkheden, wensen en grenzen zijn in intieme en seksuele relaties bij jezelf en bij
anderen.
- Bij cultuurverschillen: normen van verschillende culturen kennen, inschatten welke
vaardigheden in welke culturele context passend zijn.
1.5.2
Ontwikkeling insinueert dat er een verband bestaat tussen vroegere en latere momenten in
de ontwikkeling. Er is sprake van continuïteit.
Een eerste omschrijving van continuïteit heeft betrekking op processen en mechanismen.
Variabelen die op verschillende leeftijden dezelfde functie hebben, maar zich wat betreft
vorm verschillend uiten.
Een tweede vorm van continuïteit veronderstelt een voorspelbaar patroon van relaties
tussen gebeurtenissen en ervaringen in een eerdere levensfase en een bepaalde uitkomst
later. Continuïteit zit hier meer in de kern van de persoon: vroegere ervaringen van een
persoon voorspellen het latere functioneren.
Discontinuïteit vindt plaats bij koerswijziging.
Vroege ervaringen en latere ontwikkeling kunnen dus op zeer verschillende wijze met elkaar
in verband staan. Nieuwe mogelijkheden kunnen de effecten van eerdere ongunstige
omstandigheden veranderen. Dit wijst op een belangrijke plasticiteit van het individu
gedurende het ontwikkelingsproces. Life events of levensgebeurtenissen kunnen een
belangrijke bijdrage leveren aan de ontwikkeling van jongeren.
3
, Bij het beschrijven van levenslooptrajecten of lifetrajectories wordt nagegaan welke
samenhang tussen opeenvolgende gebeurtenissen in een mensenleven te traceren valt.
Acceleratie: een ongunstig verlopende ontwikkeling zet zich onder invloed van bepaalde
factoren versneld in negatieve richting voort.
1.5.3
Ontwikkelingspsychopathologie richt zich op onderzoek naar de condities waaronder
stoornissen die in de ontwikkeling optreden, in stand blijven of verdwijnen, en naar de
individuele verschillen in aanpassing die daarbij voorkomen.
Kwetsbaarheid verhogende en protectieve factoren kunnen van grote invloed zijn op het
verloop van de ontwikkeling. Maar iemand beïnvloed ook zijn eigen omgeving. Dit worden
transactionele modellen genoemd.
1.5.4
Persoon-omgeving interactie:
- Passieve interactie: het individu krijgt de omgeving die door biologische verwanten
wordt aangeboden.
- Evocatieve interactie: het individu beïnvloedt een omgeving door reacties die men
bij anderen oproept.
- Actieve interactie: het individu selecteert een omgeving.
Tijdens de adolescentie lijkt er een verandering plaats te vinden van passieve interacties
naar actieve interacties.
De wetenschappelijke kennis over erfelijke invloeden in de ontwikkeling is de laatste jaren
enorm toegenomen. Dit zijn verschillende methoden:
- Observeren van verschillende opeenvolgende generaties.
- Het onderzoeken van gedrag bij kinderen die dezelfde biologische vader en moeder
hebben, maar die in verschillende omgevingen zijn opgegroeid.
- Dieronderzoek
- Moleculaire genetica: richt zich op de structuur en de functie van de afzonderlijke
genen en genen in samenhang.
Meer recente opvattingen over erfelijkheid, genetica en de rol van de omgeving
benadrukken het idee van de epigenetica. Hierbij wordt bestudeerd hoe de werking van de
genen kan veranderen, bijvoorbeeld onder invloed van de omgeving, zonder dat daarbij
uiteraard de moleculaire genetische structuur zelf verandert. Door een proces met de naam
methylering (methylatie) kunnen genen als het ware worden aangezet of uitgezet: de
genexpressie kan worden geremd.
Jongeren met een bepaald soort temperament of persoonlijkheid zijn extra vatbaar voor
negatieve omgevingsinvloeden (diathesis-stress model). Deze zelfde jongeren zijn ook
vatbaarder voor positieve omgevingsinvloeden. Dit noemt men differential susceptibiliy
(individueel verschillende vatbaarheid). Mensen verschillen op de persoonlijkheidsfactor
conscientieusheid.
Het samenspel tussen persoon en omgeving wordt in twee mechanismen onderverdeeld:
4