SAMENVATTING PEDAGOGIEK
H1 PEDAGOGIEK EN OPVOEDING
- Je begrijpt het begrip ‘pedagogiek’.
- Je kent het verschil met orthopedagogiek
- Je begrijpt wat we verstaan onder ‘opvoeden’.
- Je begrijpt de verschillende niveaus van opvoedingsmilieus
HET BEGRIP PEDAGOGIEK
Pedagogiek = De wetenschappelijke studie van de opvoeding van kinderen en jongeren van 0 tot 18 jaar.
deeldiscipline van pedagogische wetenschappen
via wetenschappelijk onderzoek gedrag van kinderen verklaren, voorspellen of begrijpen
om zo vaardigheden/handelen van opvoeder te ondersteunen/verbeteren
Doel van pedagogiek:
opvoedingssituatie van kind verbeteren via hulpverlening (ontwikkeling kind stimuleren en handvaten
aanreiken aan opvoeder)
verschil pedagogiek en orthopedagogiek:
1. pedagogiek = algemene principes en kennis over opvoeding
algemene opvoedingsvragen in gewone opvoedingssituatie (“Mijn baby huilt veel, is dit normaal?”)
problemen meestal mild, tijdelijk, kleine belemmeringen
lichte ingrepen, preventief werken, tijdelijke opvoedingsondersteuning
2. orthopedagogiek = bestudeert op wetenschappelijke wijze het handelen in verontrustende opvoedsituaties
specifieke opvoedings- en ontwikkelingsvragen (bijzondere situaties)
verontrustende opvoedingssituatie
specifieke gespecialiseerde ondersteuning nodig
WAT VERST AAN WE O NDER O PV OEDEN :
1. Opvoeden is een circulair proces: actie en reactie tussen opvoeder en kind
Kind heeft pedagogische vragen
Opvoeder handelt om ontwikkeling van kind te bevorderen (liefde, aandacht…) = pedagogisch
aanbod
Kind reageert hierop met aangepast gedrag (positief of negatief)
Opvoeder reageert opnieuw op het gedrag
= (voortdurende) interactie tussen opvoeder en kind
Dus: kind uit zijn vraag in het gedrag, opvoeders doen een aanbod.
2. Opvoeden is een complementair proces: opvoeder en kind dragen in gelijke mate bij aan het proces (van
opvoeden)
NATURE -NUR TURE, WEL KE FA CTOR EN BEÏ NVL OEDEN ONT WIKKE LIN G VA N HE T KIND :
1. Nature – erfelijke aanleg: kind geboren met bepaalde aanleg die ontwikkelingskansen beïnvloedt
2. Nurture – milieu: kind ontwikkelt in contact met milieu en andere mensen (culturele, maatschappelijke…
invloeden)
3. Zelfbepaling: kinderen kunnen zelf bepaalde beslissingen nemen/afstand nemen van hun opvoeding
= eigen wil
Dus: kinderen geven vorm aan eigen leven, ouders hebben deeltaak/beperkte invloed = brede kijk op
ontwikkeling – allerlei factoren kunnen rol spelen bij ontwikkeling kind.
IS OPV OEDEN EEN ZAA K VAN DE OUDERS ALLEEN :
Het antwoord is neen, want: “It takes a village to raise a child.”
Een kind groeit niet alleen op in gezinscontext, maar ook in andere omgevingen (school, opvang, vrije tijd…)
Deze omgevingen noemen we een opvoedingsmilieu
1
,Niveaus van opvoedingsmilieus:
1. Primair = het gezin
Het gezin leert het kind een beeld (denkkader) van de wereld te vormen = socialisatie.
2. Secundair = school en kinderopvang
Kind verbreedt zijn wereld en relaties (buiten het gezin) op school en kinderopvang.
School heeft opvoedende taak + ouders kiezen vaak type school dat aansluit bij hun visie op opvoeding
3. Tertiair = buurt en leeftijdsgenoten (jeugdbewegingen…)
Jongeren maken zich los van ouders en richten zich op vriendengroepen met eigen groepsnormen.
Invloed van buurt mag niet worden onderschat – drukke straat met veel anonimiteit tegenover straat met
sociale controle – stad, dorp, type woning…
4. Quartair = de wereld
Maatschappelijke veranderingen, technologische ontwikkelingen, sociale media…
SOCIAAL-ECOLOGISCH MODEL VAN BRONFENBRENNER
- Je kan de basisbegrippen van het sociaal-ecologisch model van Bronfenbrenner benoemen en definiëren.
- Je kan de verschillende systemen (micro, meso,…) en hun onderlinge beïnvloeding beschrijven.
- Je kan uit een casus de verschillende systemen van het sociaal-ecologisch model halen.
- Je kan feitelijke verbanden leggen tussen inhouden, modellen, kaders,… gezien in de verschillende hoofdstukken.
HET SOCI AAL- ECOL OGI SC H M ODEL :
Ecologische visie op ontwikkeling = we ontwikkelen nooit los van onze omgeving, ontwikkeling is resultaat
van voortuderende wisselwerking tussen persoon en omgeving!
“Omgeving waarin kind opgroeit heeft grote invloed op zijn ontwikkeling” – deze omgeving wordt getoond adhv.
concentrische cirkels rond het kind
Elke concentrische cirkel = een systeem dat telkens weer is ingebed in een ruimer systeem
5 niveaus/systemen die invloed hebben op het kind: microsysteem, mesosysteem, exosysteem,
macrosysteem en chronosysteem
Alle systemen beïnvloeden elkaar.
“Ontwikkeling van het kind als voortgaande, wederzijdse aanpassingen/beïnvloeding tussen kind en
omgeving.”
Omgevingsfactoren staan centraal (biologische factoren ook opgenomen, maar niet centraal)
“Kind oefent al vanaf conceptie invloed uit op de omgeving.” - Nog voor de geboorte: gezin bereidt
zich voor op nieuwe gezinslid.
HET MICR OSY STEE M VAN HET MODE L :
2
,= dagelijkse, directe omgeving waarin het kind zich bevindt en in interactie is met de omgeving.
Het gezin, de crèche, school…
Leden van het microsysteem (zus, broer, andere kindjes, juf…) hebben wederzijdse invloed op
elkaar/zijn dus geen passieve ontvangers, aangezien ze zelf ook invloed uitoefenen
Microsysteem = de invloed van deze contexten (gezin, school…) op het kind
Directe invloeden, aangezien het kind ook zelf interageert binnen het systeem
Deze interactie is voor elk kind uniek (ook voor kinderen van hetzelfde gezin; zij kunnen bv. beide
een ander beeld hebben van hun ouders)
Voorwaarde om van microsysteem te spreken: kind gaat om met ‘vaste gesprekspartners’ – mensen die het
kind terugkerend ontmoet, mee in contact gaat…
Voorbeeld: Stel, je gaat een keer boodschappen doen in een buurtwinkel, dan spreken we hier niet van een microsysteem. Ga je echter als
jobstudent werken in die winkel, dan spreken we wel van een microsysteem. Je werkt in de winkel met vaste collega’s, vaste ‘gesprekspartners’.
Opmerking: het gezin is niet altijd het systeem met het meest invloed!
Kenmerken/aspecten van het microsysteem die invloed uitoefenen op de ontwikkeling v/h kind:
1. Fysische/materiële aspecten: huisvesting, buurt, gebouw, speelgoed, virtuele omgeving…
Voorbeelden:
Het microsysteem ‘turnclub’: het kind sport elke week in een oude sporthal met oud materiaal waar het altijd koud is
Het microsysteem ‘gezin’: kind woont in huis met grote tuin waarin een schommel staat
2. Sociale aspecten: samenstelling van het systeem, taakverdeling, relaties, rolpatronen, activiteiten…
Voorbeelden:
Binnen het gezin is het de gewoonte dat de opvoeder elke avond een verhaaltje leest
In de klas van juf Petra bestaat de verwachting dat te kinderen luisteren en stilzitten.
HET MES OSYS TEEM :
omgeving die iets verder van het kind afstaat
de relaties tussen de microsystemen van het kind!
de contacten die personen uit het microsysteem met elkaar hebben
Belangrijk voor de ontwikkeling van het kind: goede afstemming/positieve relaties tussen microsystemen
relaties tussen microsystemen verlopen positief? Dan biedt dit een ondersteunend netwerk!
Minder goede afstemming = belemmerend effect op ontwikkeling kind (steun = onderbroken)
Veranderingen/gebeurtenissen in één microsysteem hebben invloed op andere microsystemen.
Voorbeeld: kind gedraagt zich anders op school door een scheiding, geboorte, overlijden…
Overgang(en) van ene microsysteem naar het andere: kunnen vlot of minder vlot verlopen, afhankelijk van
verschillen tussen de systemen (wijze van omgang, waarden, normen…)
Voorbeeld: Een kindje dat voor het eerst naar de kleuterklas gaat, kan moeilijkheden ervaren met de nieuwe regels die binnen klas
gelden. Naarmate het kindje dit leert zal de overgang mogelijks gemakkelijker worden.
= voorbeeld v/e mesosysteem
Kenmerken van relaties tussen microsystemen:
"Het mesosysteem van An bestaat uit de interacties
1. Frequentie (hoe vaak contact?) tussen haar gezin, school, Chiro en zwemclub, zoals de
samenwerking tussen haar ouders en leerkrachten of het
2. Kwaliteit (van de relatie) contact tussen haar ouders en de zwemtrainer."
Voorbeelden:
De kwaliteit van de relatie tussen de ouder en onthaalouder is goed. De moeder kan haar vragen stellen en de onthaalouder neemt haar
tijd om ze te beantwoorden.
De trainer van de voetbalploeg bekritiseert de ouder waardoor de kwaliteit van de relatie slechter is.
3. Waardering (voor elkaar – grote waardering/overwaardering <> afwijzing)
Voorbeelden:
Afwijzing: Ouders van een puber kunnen bijvoorbeeld zeer afwijzend staan tegenover de vriendengroep van hun kind.
Overwaardering: Ouders hechten zoveel belang aan goede schoolprestaties dat ze hun kind nauwelijks ruimte laten voor contact met
vrienden of inzet voor een jeugdbeweging.
HET EXOS YSTE EM :
= Invloeden van een context/omgeving waarvan het kind geen deel uitmaakt (niet participeert)
maar die wel de directe omgeving van het kind beïnvloeden en zo invloed hebben op de ontwikkeling
van het kind
Voorbeelden: werk van ouders, klas van broer/zus, vrienden van ouders, land van herkomst v/d ouders…
3
, HET MACR OS YSTEE M:
= Overkoepelende invloeden op de ontwikkeling v/h kind
Voorbeelden: religie, cultuur, wetgeving, ideologie v/d samenleving, maatschappelijke situaties…
De pandemie kan je situeren op macroniveau. Dit heeft een duidelijk invloed gehad op de ontwikkeling van kinderen.
Oorlog in Oekraïne. Dit kan effect hebben op microniveau als ouders de gasfactuur niet of moeilijk meer kunnen betalen.
HET CHR ON OSY STEE M :
Gaat over 2 elementen:
1. Zaken uit de geschiedenis oefenen invloed uit op het leven van het kind nu.
Bv. uitvinding van de pil, Tweede Wereldoorlog.
2. De levensfase waarin een kind zich begeeft bepaalt mee hoe het kind belangrijke gebeurtenissen beleeft.
Scheiding van ouders op 2-jarige leeftijd <> 16-jarige leeftijd
BESLUI T:
- Model laat samenhang zien tussen factoren die invloed hebben op ontwikkeling
- Niveaus staan in verbinding met elkaar + wederzijdse beïnvloeding!
- Belang van culturele factoren
SOCIAAL-CONTEXTUEEL PROCESMODEL VAN BELSKY
Verschil met Bronfenbrenner:
- Bronfenbrenner: ontwikkeling v/h kind als uitgangspunt
- Belsky: opvoedend handelen staat centraal
Belsky (gebaseerd op ecologisch ontwikkelingsmodel van Bronfenbrenner):
- “Ouderschap is meervoudig bepaald en wordt gevormd door verschillende contextuele factoren.”
- “Opvoeding is als tweerichtingsverkeer; Continue wederzijdse beïnvloeding tussen opvoeder en
kind/het is een transactioneel model.”
Transactioneel model:
- De factoren die op de ontwikkeling inwerken krijgen pas hun betekenis in dat proces van wederzijdse
beïnvloeding - Een factor heeft op zichzelf geen vaste invloed. Pas wanneer die samenwerkt met andere
factoren én met het gedrag van de persoon, bepaalt ze hoe de ontwikkeling verloopt.
- Het gewicht van hun bijdrage wisselt van moment tot moment.
- De pijlen beelden het dynamische karakter af (pijlen geven weer welke factoren invloed uitoefenen en
welke verbanden er tussen de factoren zijn)
4
H1 PEDAGOGIEK EN OPVOEDING
- Je begrijpt het begrip ‘pedagogiek’.
- Je kent het verschil met orthopedagogiek
- Je begrijpt wat we verstaan onder ‘opvoeden’.
- Je begrijpt de verschillende niveaus van opvoedingsmilieus
HET BEGRIP PEDAGOGIEK
Pedagogiek = De wetenschappelijke studie van de opvoeding van kinderen en jongeren van 0 tot 18 jaar.
deeldiscipline van pedagogische wetenschappen
via wetenschappelijk onderzoek gedrag van kinderen verklaren, voorspellen of begrijpen
om zo vaardigheden/handelen van opvoeder te ondersteunen/verbeteren
Doel van pedagogiek:
opvoedingssituatie van kind verbeteren via hulpverlening (ontwikkeling kind stimuleren en handvaten
aanreiken aan opvoeder)
verschil pedagogiek en orthopedagogiek:
1. pedagogiek = algemene principes en kennis over opvoeding
algemene opvoedingsvragen in gewone opvoedingssituatie (“Mijn baby huilt veel, is dit normaal?”)
problemen meestal mild, tijdelijk, kleine belemmeringen
lichte ingrepen, preventief werken, tijdelijke opvoedingsondersteuning
2. orthopedagogiek = bestudeert op wetenschappelijke wijze het handelen in verontrustende opvoedsituaties
specifieke opvoedings- en ontwikkelingsvragen (bijzondere situaties)
verontrustende opvoedingssituatie
specifieke gespecialiseerde ondersteuning nodig
WAT VERST AAN WE O NDER O PV OEDEN :
1. Opvoeden is een circulair proces: actie en reactie tussen opvoeder en kind
Kind heeft pedagogische vragen
Opvoeder handelt om ontwikkeling van kind te bevorderen (liefde, aandacht…) = pedagogisch
aanbod
Kind reageert hierop met aangepast gedrag (positief of negatief)
Opvoeder reageert opnieuw op het gedrag
= (voortdurende) interactie tussen opvoeder en kind
Dus: kind uit zijn vraag in het gedrag, opvoeders doen een aanbod.
2. Opvoeden is een complementair proces: opvoeder en kind dragen in gelijke mate bij aan het proces (van
opvoeden)
NATURE -NUR TURE, WEL KE FA CTOR EN BEÏ NVL OEDEN ONT WIKKE LIN G VA N HE T KIND :
1. Nature – erfelijke aanleg: kind geboren met bepaalde aanleg die ontwikkelingskansen beïnvloedt
2. Nurture – milieu: kind ontwikkelt in contact met milieu en andere mensen (culturele, maatschappelijke…
invloeden)
3. Zelfbepaling: kinderen kunnen zelf bepaalde beslissingen nemen/afstand nemen van hun opvoeding
= eigen wil
Dus: kinderen geven vorm aan eigen leven, ouders hebben deeltaak/beperkte invloed = brede kijk op
ontwikkeling – allerlei factoren kunnen rol spelen bij ontwikkeling kind.
IS OPV OEDEN EEN ZAA K VAN DE OUDERS ALLEEN :
Het antwoord is neen, want: “It takes a village to raise a child.”
Een kind groeit niet alleen op in gezinscontext, maar ook in andere omgevingen (school, opvang, vrije tijd…)
Deze omgevingen noemen we een opvoedingsmilieu
1
,Niveaus van opvoedingsmilieus:
1. Primair = het gezin
Het gezin leert het kind een beeld (denkkader) van de wereld te vormen = socialisatie.
2. Secundair = school en kinderopvang
Kind verbreedt zijn wereld en relaties (buiten het gezin) op school en kinderopvang.
School heeft opvoedende taak + ouders kiezen vaak type school dat aansluit bij hun visie op opvoeding
3. Tertiair = buurt en leeftijdsgenoten (jeugdbewegingen…)
Jongeren maken zich los van ouders en richten zich op vriendengroepen met eigen groepsnormen.
Invloed van buurt mag niet worden onderschat – drukke straat met veel anonimiteit tegenover straat met
sociale controle – stad, dorp, type woning…
4. Quartair = de wereld
Maatschappelijke veranderingen, technologische ontwikkelingen, sociale media…
SOCIAAL-ECOLOGISCH MODEL VAN BRONFENBRENNER
- Je kan de basisbegrippen van het sociaal-ecologisch model van Bronfenbrenner benoemen en definiëren.
- Je kan de verschillende systemen (micro, meso,…) en hun onderlinge beïnvloeding beschrijven.
- Je kan uit een casus de verschillende systemen van het sociaal-ecologisch model halen.
- Je kan feitelijke verbanden leggen tussen inhouden, modellen, kaders,… gezien in de verschillende hoofdstukken.
HET SOCI AAL- ECOL OGI SC H M ODEL :
Ecologische visie op ontwikkeling = we ontwikkelen nooit los van onze omgeving, ontwikkeling is resultaat
van voortuderende wisselwerking tussen persoon en omgeving!
“Omgeving waarin kind opgroeit heeft grote invloed op zijn ontwikkeling” – deze omgeving wordt getoond adhv.
concentrische cirkels rond het kind
Elke concentrische cirkel = een systeem dat telkens weer is ingebed in een ruimer systeem
5 niveaus/systemen die invloed hebben op het kind: microsysteem, mesosysteem, exosysteem,
macrosysteem en chronosysteem
Alle systemen beïnvloeden elkaar.
“Ontwikkeling van het kind als voortgaande, wederzijdse aanpassingen/beïnvloeding tussen kind en
omgeving.”
Omgevingsfactoren staan centraal (biologische factoren ook opgenomen, maar niet centraal)
“Kind oefent al vanaf conceptie invloed uit op de omgeving.” - Nog voor de geboorte: gezin bereidt
zich voor op nieuwe gezinslid.
HET MICR OSY STEE M VAN HET MODE L :
2
,= dagelijkse, directe omgeving waarin het kind zich bevindt en in interactie is met de omgeving.
Het gezin, de crèche, school…
Leden van het microsysteem (zus, broer, andere kindjes, juf…) hebben wederzijdse invloed op
elkaar/zijn dus geen passieve ontvangers, aangezien ze zelf ook invloed uitoefenen
Microsysteem = de invloed van deze contexten (gezin, school…) op het kind
Directe invloeden, aangezien het kind ook zelf interageert binnen het systeem
Deze interactie is voor elk kind uniek (ook voor kinderen van hetzelfde gezin; zij kunnen bv. beide
een ander beeld hebben van hun ouders)
Voorwaarde om van microsysteem te spreken: kind gaat om met ‘vaste gesprekspartners’ – mensen die het
kind terugkerend ontmoet, mee in contact gaat…
Voorbeeld: Stel, je gaat een keer boodschappen doen in een buurtwinkel, dan spreken we hier niet van een microsysteem. Ga je echter als
jobstudent werken in die winkel, dan spreken we wel van een microsysteem. Je werkt in de winkel met vaste collega’s, vaste ‘gesprekspartners’.
Opmerking: het gezin is niet altijd het systeem met het meest invloed!
Kenmerken/aspecten van het microsysteem die invloed uitoefenen op de ontwikkeling v/h kind:
1. Fysische/materiële aspecten: huisvesting, buurt, gebouw, speelgoed, virtuele omgeving…
Voorbeelden:
Het microsysteem ‘turnclub’: het kind sport elke week in een oude sporthal met oud materiaal waar het altijd koud is
Het microsysteem ‘gezin’: kind woont in huis met grote tuin waarin een schommel staat
2. Sociale aspecten: samenstelling van het systeem, taakverdeling, relaties, rolpatronen, activiteiten…
Voorbeelden:
Binnen het gezin is het de gewoonte dat de opvoeder elke avond een verhaaltje leest
In de klas van juf Petra bestaat de verwachting dat te kinderen luisteren en stilzitten.
HET MES OSYS TEEM :
omgeving die iets verder van het kind afstaat
de relaties tussen de microsystemen van het kind!
de contacten die personen uit het microsysteem met elkaar hebben
Belangrijk voor de ontwikkeling van het kind: goede afstemming/positieve relaties tussen microsystemen
relaties tussen microsystemen verlopen positief? Dan biedt dit een ondersteunend netwerk!
Minder goede afstemming = belemmerend effect op ontwikkeling kind (steun = onderbroken)
Veranderingen/gebeurtenissen in één microsysteem hebben invloed op andere microsystemen.
Voorbeeld: kind gedraagt zich anders op school door een scheiding, geboorte, overlijden…
Overgang(en) van ene microsysteem naar het andere: kunnen vlot of minder vlot verlopen, afhankelijk van
verschillen tussen de systemen (wijze van omgang, waarden, normen…)
Voorbeeld: Een kindje dat voor het eerst naar de kleuterklas gaat, kan moeilijkheden ervaren met de nieuwe regels die binnen klas
gelden. Naarmate het kindje dit leert zal de overgang mogelijks gemakkelijker worden.
= voorbeeld v/e mesosysteem
Kenmerken van relaties tussen microsystemen:
"Het mesosysteem van An bestaat uit de interacties
1. Frequentie (hoe vaak contact?) tussen haar gezin, school, Chiro en zwemclub, zoals de
samenwerking tussen haar ouders en leerkrachten of het
2. Kwaliteit (van de relatie) contact tussen haar ouders en de zwemtrainer."
Voorbeelden:
De kwaliteit van de relatie tussen de ouder en onthaalouder is goed. De moeder kan haar vragen stellen en de onthaalouder neemt haar
tijd om ze te beantwoorden.
De trainer van de voetbalploeg bekritiseert de ouder waardoor de kwaliteit van de relatie slechter is.
3. Waardering (voor elkaar – grote waardering/overwaardering <> afwijzing)
Voorbeelden:
Afwijzing: Ouders van een puber kunnen bijvoorbeeld zeer afwijzend staan tegenover de vriendengroep van hun kind.
Overwaardering: Ouders hechten zoveel belang aan goede schoolprestaties dat ze hun kind nauwelijks ruimte laten voor contact met
vrienden of inzet voor een jeugdbeweging.
HET EXOS YSTE EM :
= Invloeden van een context/omgeving waarvan het kind geen deel uitmaakt (niet participeert)
maar die wel de directe omgeving van het kind beïnvloeden en zo invloed hebben op de ontwikkeling
van het kind
Voorbeelden: werk van ouders, klas van broer/zus, vrienden van ouders, land van herkomst v/d ouders…
3
, HET MACR OS YSTEE M:
= Overkoepelende invloeden op de ontwikkeling v/h kind
Voorbeelden: religie, cultuur, wetgeving, ideologie v/d samenleving, maatschappelijke situaties…
De pandemie kan je situeren op macroniveau. Dit heeft een duidelijk invloed gehad op de ontwikkeling van kinderen.
Oorlog in Oekraïne. Dit kan effect hebben op microniveau als ouders de gasfactuur niet of moeilijk meer kunnen betalen.
HET CHR ON OSY STEE M :
Gaat over 2 elementen:
1. Zaken uit de geschiedenis oefenen invloed uit op het leven van het kind nu.
Bv. uitvinding van de pil, Tweede Wereldoorlog.
2. De levensfase waarin een kind zich begeeft bepaalt mee hoe het kind belangrijke gebeurtenissen beleeft.
Scheiding van ouders op 2-jarige leeftijd <> 16-jarige leeftijd
BESLUI T:
- Model laat samenhang zien tussen factoren die invloed hebben op ontwikkeling
- Niveaus staan in verbinding met elkaar + wederzijdse beïnvloeding!
- Belang van culturele factoren
SOCIAAL-CONTEXTUEEL PROCESMODEL VAN BELSKY
Verschil met Bronfenbrenner:
- Bronfenbrenner: ontwikkeling v/h kind als uitgangspunt
- Belsky: opvoedend handelen staat centraal
Belsky (gebaseerd op ecologisch ontwikkelingsmodel van Bronfenbrenner):
- “Ouderschap is meervoudig bepaald en wordt gevormd door verschillende contextuele factoren.”
- “Opvoeding is als tweerichtingsverkeer; Continue wederzijdse beïnvloeding tussen opvoeder en
kind/het is een transactioneel model.”
Transactioneel model:
- De factoren die op de ontwikkeling inwerken krijgen pas hun betekenis in dat proces van wederzijdse
beïnvloeding - Een factor heeft op zichzelf geen vaste invloed. Pas wanneer die samenwerkt met andere
factoren én met het gedrag van de persoon, bepaalt ze hoe de ontwikkeling verloopt.
- Het gewicht van hun bijdrage wisselt van moment tot moment.
- De pijlen beelden het dynamische karakter af (pijlen geven weer welke factoren invloed uitoefenen en
welke verbanden er tussen de factoren zijn)
4