Hoofdstuk 4 - Bloed en
Bloedvormende Organen
● Lymfoïde organen: weefsels die grote hoeveelheden lymfocyten bevatten in een
omhulsel van steunende niet-lymfoïde cellen
○ Primaire (centrale) lymfoïde organen: lymfoïde organen waar lymfocyten
geproduceerd worden
○ Secundaire (perifere) lymfoïde organen: lymfoïde organen waar lymfocyten
doorheen circuleren en geactiveerd kunnen worden
● Lymfoïde weefsels: alle weefsels waarin zich lymfespleten bevinden met daarin
lymfocyten
● Hemopoëtisch/hematopoëtisch systeem: het geheel van beenmerg en lymfatische
weefsels
● Monocyt-fagocytair systeem (MFS): het systeem van mononucleiare fagocyten die in
het hemopoëtisch systeem verblijven en onderdeel vormen van de aspecifieke
afweer
4.1 - Anemie
● Belangrijk symptoom → bleke slijmvliezen
○ Ontstaan door slechte doorbloeding van het perifere weefsel of
bloedarmoede (anemie)
■ Processen die ten grondslag liggen aan bleke slijmvliezen door een
slechte doorbloeding
● Hypovolemie (verlaagd bloedvolume)
● Onvoldoende pompfunctie van het hart
● Veranderingen in distributie van bloed
■ Processen die ten grondslag liggen aan bleke slijmvliezen door
anemie
● Bloedverlies
● Gestoorde erytropoëse (erytrocyten vorming)
● Verhoogde hemolyse (afbraak van erytrocyten)
● Klinische definitie: een subnormale hoeveelheid rode bloedcellen of te geringe
hoeveelheid hemoglobine (Hb) in de circulatie
4.1.1 - Pathofysiologie van Anemie
● Pathofysiologische definitie: een toestand waarin de massa circulerend Hb
onvoldoende is om de O2-behoefte van de weefsels te voorzien
● Ernstige anemie → als de weefsels al in rust te weinig zuurstof krijgen
● De doorbloeding van O2-behoeftige organen (hersenen, hart, etc.) zal via selectieve
vasoconstrictie en shunts toenemen ten laste van de kleinverbruikers (huid, etc.)
● Anemie is een verschijnsel, geen ziekte → het is altijd secundair aan een of ander
primair ziekteproces
○ Verstoring van de erytropoëse
, ○ Versnelde afbraak van erytrocyten (hemolyse)
○ Bloedverlies
○ Een combinatie van de mogelijkheden
Verschijnselen
● Verschijnselen zijn vaak gedomineerd door de verschijnselen van de primaire ziekte
○ vb. bloederige diarree en braken bij hemorragische gastro enteritis
● Verschijnselen zijn verder afhankelijk van de pathogenese + snelheid waarmee de
anemie zich heeft ontwikkeld
● Ernst van de anemie → afhankelijk van de hoeveelheid voor O2-uitwisseling
beschikbaar Hb in de circulatie en de O2-behoefte van het moment
○ Verschijnselen van lichte anemie
■ Bleke huid en slijmvliezen
■ Verminderd prestatievermogen
● Sneller vermoeid zijn
● Verminderde groei of melkproductie
■ Onevenredig sterk verhoogde pols- en ademhalingsfrequentie na
geringe inspanning
○ Extra verschijnselen bij ernstige anemie
■ Vitale organen kunnen onder het zuurstoftekort gaan lijden
● Na inspanning en in rust
● Pathogenese bepaalt in belangrijke mate de verschijnselen
○ Bloedverlies → lokalisatie van bloeding kan invloed hebben op de
verschijnselen
■ Bloeding in voorste/achterste deel van maagdarmkanaal
● Melaena (zwarte ontlasting)
● Ontlasting met bloed erbij
■ Bloeding in de urinewegen
● Menaturie (bloedige urine)
■ Bloeding in de thorax
● Compressie van de longen → benauwdheid
● In de spieren/gewrichten → pijn en locomotieproblemen
○ Hemolyse → afbraakproducten van erytrocyten kunnen verschijnselen
teweegbrengen
■ Rode/bruine urine als gevolg van hemoglobinurie en bilirubinurie
■ Oranje ontlasting door een verhoogde urobiline concentratie
■ Icterus (geelzucht)
● Snelheid waarmee anemie ontstaat → kan leiden tot de ontwikkeling van klinische
verschijnselen (vaak gepaard met compenserende mechanismen om anemie te
beperken)
○ Versnelling van ademhaling
○ Versnelling van de pols
○ Vergroot slagvolume
○ Hypertrofie van het hart
○ Lage hematocriet waarde (Ht)
○ Lage viscositeit → steile pols + functioneel hartgeruis door turbulenties van
het bloed in het hart
, ● 2,3-difosfoglyceraat (2,3-DPG) concentratie in erytrocyten neemt toe onder invloed
van de lage O2-spanning
○ Zuurstofdissociatiecurve schuift naar rechts → hemoglobine staat zuurstof
gemakkelijker af aan weefsels
○ Patiënten waarbij anemie geleidelijk is ontstaan vertonen minder
verschijnselen dan patiënten met een acute hemolytische anemie
● Honden met acute hemolytische anemie → verschijnselen + ziekteverloop worden
bepaald door het optreden van levernecrose
○ Acute daling van de zuurstofspanning in de vena portae (poortader) → acuut
zuurstoftekort → levernecrose
○ Functie van de lever → opname, conjugatie en excretie van bilirubine
■ Levercelnecrose → verminderde excretie capaciteit
■ Door hemolyse moet veel bilirubine uitgescheiden worden via de gal
■ Hyperbilirubinemie ontstaat → klinisch zichtbaar als icterus
● Verloop + verschijnselen hangen af van de capaciteit van de erytropoëse
○ Erytropoëse → vindt plaats in beenmerg
○ Bij patiënten met anemie → organen die embryonaal een rol hebben
gespeeld in hematopoëse (milt, lever) gaan weer actief deelnemen
(extramedullaire hematopoëse)
■ Buikpalpatie → milt is vergroot
■ Bloedonderzoek → stijging van het aantal jonge erytrocyten
(reticulocyten)
Bloedverlies
Acuut Bloedverlies
● Acuut bloedverlies van een grote hoeveelheid bloed (>40%) → letaal via
hypovolemie, hypotensie, shock, celdegeneraties en necrose
● Eenmalig ernstig, maar niet letaal bloedverlies
○ In het begin → lage veneuze druk, trage capillaire vullingstijd en snelle, slecht
gevulde pols
● Als de hypovolemie spontaan is gekomen en er zijn geen nieuwe bloedingen →
resterende anemie is niet ernstig
○ Het duurt weken voordat het aantal erytrocyten in de circulatie weer op peil is
■ In de tussentijd → compenserende mechanismen voor het
verminderde O2-transport
● Cardiovasculaire aanpassingen
● Verhoogde productie van erytropoëtine
● Toename van erytropoëse in het beenmerg
● Toename van 2,3-DPG in de erytrocyten
○ De Ht-waarde is geen maat voor de ernst van het bloedverlies zolang het
circulerend volume niet is aangevuld
● Onder invloed van de verlaagde O2-spanning → in de nieren wordt de afgifte van
erytropoëtine verhoogd
○ Leidt tot een verhoogde productie van erytroblasten + verhoogde proliferatie
van erytroblasten
● Microscopisch onderzoek
, ○ Eerste 4 dagen → voorlopers van erytrocyten kunnen in kleine aantallen
worden waargenomen
■ Verhoogde aanmaak van erytrocyten is niet vast te stellen
○ Na 4 dagen → aangezette erytropoëse levert nieuwe reticulocyten op
■ Verhoogde aanmaak van erytrocyten is vast te stellen
● Het verlies van andere bloedcomponenten dan plasma en erytrocyten → niet van
belang
○ Geen merkbaar effect op de homeostase
○ Aanvulling is binnen enkele dagen voltooid
Subacuut en Chronisch Bloedverlies
● Bloedverlies → ijzer gaat verloren
○ Ijzervoorraad bevindt zich voornamelijk in de erytrocyten
○ Na chronisch bloedverlies → ijzervoorraad kan zelden via de voeding op peil
worden gehouden
○ IJzergebrek verstoort de erytropoëse
● Inwendige bloedingen → er gaat geen ijzer verloren
○ Afhankelijk van de plaats van de bloeding → erytrocyten kunnen voor een
groot deel weer in de circulatie worden opgenomen en blijven functioneren
○ Als erytrocyten wel door macrofagen worden afgebroken → ijzer komt snel
weer ter beschikking
Hemolyse
● Hemolyse → als de levensduur van erytrocyten pathologisch is verkort
○ Intravasaal
○ Extravasaal (in het monocyt-fagocytair systeem = MFS)
○ Als combinatie van beide
● Als de hemolyse gering en van beperkte duur is en het beenmerg goed functioneert
→ geen ziekteverschijnselen
○ Als er genoeg ijzer is → gezond beenmerg kan de erytrocyten productie
7-10x verhogen om te compenseren
Etiologie en Pathogenese
● Belangrijkste functie van erytrocyt → transporteren van Hb
● Erytrocyten gebruiken energie voor
○ Het in bivalente vorm houden van het ijzer in het Hb-molecuul
○ Het in werking houden van de ionenpomp
○ Het in gereduceerde toestand houden van de SH-groepen van erytrocytaire
enzymen en Hb
○ Het in stand houden van de vorm van de cel
● Aftakeling van enzymsystemen bij de verouderde erytrocyt
○ Erytrocyt kan de enzymen niet vervangen door gebrek aan DNA
○ Leidt tot verlies van integriteit van de celmembraan, vormverlies en afbraak
van de cel in het MFS
● Hemolyse → ontstaat als 1 of meer van de volgende mechanismen de
cel(membraan) beschadigen
Bloedvormende Organen
● Lymfoïde organen: weefsels die grote hoeveelheden lymfocyten bevatten in een
omhulsel van steunende niet-lymfoïde cellen
○ Primaire (centrale) lymfoïde organen: lymfoïde organen waar lymfocyten
geproduceerd worden
○ Secundaire (perifere) lymfoïde organen: lymfoïde organen waar lymfocyten
doorheen circuleren en geactiveerd kunnen worden
● Lymfoïde weefsels: alle weefsels waarin zich lymfespleten bevinden met daarin
lymfocyten
● Hemopoëtisch/hematopoëtisch systeem: het geheel van beenmerg en lymfatische
weefsels
● Monocyt-fagocytair systeem (MFS): het systeem van mononucleiare fagocyten die in
het hemopoëtisch systeem verblijven en onderdeel vormen van de aspecifieke
afweer
4.1 - Anemie
● Belangrijk symptoom → bleke slijmvliezen
○ Ontstaan door slechte doorbloeding van het perifere weefsel of
bloedarmoede (anemie)
■ Processen die ten grondslag liggen aan bleke slijmvliezen door een
slechte doorbloeding
● Hypovolemie (verlaagd bloedvolume)
● Onvoldoende pompfunctie van het hart
● Veranderingen in distributie van bloed
■ Processen die ten grondslag liggen aan bleke slijmvliezen door
anemie
● Bloedverlies
● Gestoorde erytropoëse (erytrocyten vorming)
● Verhoogde hemolyse (afbraak van erytrocyten)
● Klinische definitie: een subnormale hoeveelheid rode bloedcellen of te geringe
hoeveelheid hemoglobine (Hb) in de circulatie
4.1.1 - Pathofysiologie van Anemie
● Pathofysiologische definitie: een toestand waarin de massa circulerend Hb
onvoldoende is om de O2-behoefte van de weefsels te voorzien
● Ernstige anemie → als de weefsels al in rust te weinig zuurstof krijgen
● De doorbloeding van O2-behoeftige organen (hersenen, hart, etc.) zal via selectieve
vasoconstrictie en shunts toenemen ten laste van de kleinverbruikers (huid, etc.)
● Anemie is een verschijnsel, geen ziekte → het is altijd secundair aan een of ander
primair ziekteproces
○ Verstoring van de erytropoëse
, ○ Versnelde afbraak van erytrocyten (hemolyse)
○ Bloedverlies
○ Een combinatie van de mogelijkheden
Verschijnselen
● Verschijnselen zijn vaak gedomineerd door de verschijnselen van de primaire ziekte
○ vb. bloederige diarree en braken bij hemorragische gastro enteritis
● Verschijnselen zijn verder afhankelijk van de pathogenese + snelheid waarmee de
anemie zich heeft ontwikkeld
● Ernst van de anemie → afhankelijk van de hoeveelheid voor O2-uitwisseling
beschikbaar Hb in de circulatie en de O2-behoefte van het moment
○ Verschijnselen van lichte anemie
■ Bleke huid en slijmvliezen
■ Verminderd prestatievermogen
● Sneller vermoeid zijn
● Verminderde groei of melkproductie
■ Onevenredig sterk verhoogde pols- en ademhalingsfrequentie na
geringe inspanning
○ Extra verschijnselen bij ernstige anemie
■ Vitale organen kunnen onder het zuurstoftekort gaan lijden
● Na inspanning en in rust
● Pathogenese bepaalt in belangrijke mate de verschijnselen
○ Bloedverlies → lokalisatie van bloeding kan invloed hebben op de
verschijnselen
■ Bloeding in voorste/achterste deel van maagdarmkanaal
● Melaena (zwarte ontlasting)
● Ontlasting met bloed erbij
■ Bloeding in de urinewegen
● Menaturie (bloedige urine)
■ Bloeding in de thorax
● Compressie van de longen → benauwdheid
● In de spieren/gewrichten → pijn en locomotieproblemen
○ Hemolyse → afbraakproducten van erytrocyten kunnen verschijnselen
teweegbrengen
■ Rode/bruine urine als gevolg van hemoglobinurie en bilirubinurie
■ Oranje ontlasting door een verhoogde urobiline concentratie
■ Icterus (geelzucht)
● Snelheid waarmee anemie ontstaat → kan leiden tot de ontwikkeling van klinische
verschijnselen (vaak gepaard met compenserende mechanismen om anemie te
beperken)
○ Versnelling van ademhaling
○ Versnelling van de pols
○ Vergroot slagvolume
○ Hypertrofie van het hart
○ Lage hematocriet waarde (Ht)
○ Lage viscositeit → steile pols + functioneel hartgeruis door turbulenties van
het bloed in het hart
, ● 2,3-difosfoglyceraat (2,3-DPG) concentratie in erytrocyten neemt toe onder invloed
van de lage O2-spanning
○ Zuurstofdissociatiecurve schuift naar rechts → hemoglobine staat zuurstof
gemakkelijker af aan weefsels
○ Patiënten waarbij anemie geleidelijk is ontstaan vertonen minder
verschijnselen dan patiënten met een acute hemolytische anemie
● Honden met acute hemolytische anemie → verschijnselen + ziekteverloop worden
bepaald door het optreden van levernecrose
○ Acute daling van de zuurstofspanning in de vena portae (poortader) → acuut
zuurstoftekort → levernecrose
○ Functie van de lever → opname, conjugatie en excretie van bilirubine
■ Levercelnecrose → verminderde excretie capaciteit
■ Door hemolyse moet veel bilirubine uitgescheiden worden via de gal
■ Hyperbilirubinemie ontstaat → klinisch zichtbaar als icterus
● Verloop + verschijnselen hangen af van de capaciteit van de erytropoëse
○ Erytropoëse → vindt plaats in beenmerg
○ Bij patiënten met anemie → organen die embryonaal een rol hebben
gespeeld in hematopoëse (milt, lever) gaan weer actief deelnemen
(extramedullaire hematopoëse)
■ Buikpalpatie → milt is vergroot
■ Bloedonderzoek → stijging van het aantal jonge erytrocyten
(reticulocyten)
Bloedverlies
Acuut Bloedverlies
● Acuut bloedverlies van een grote hoeveelheid bloed (>40%) → letaal via
hypovolemie, hypotensie, shock, celdegeneraties en necrose
● Eenmalig ernstig, maar niet letaal bloedverlies
○ In het begin → lage veneuze druk, trage capillaire vullingstijd en snelle, slecht
gevulde pols
● Als de hypovolemie spontaan is gekomen en er zijn geen nieuwe bloedingen →
resterende anemie is niet ernstig
○ Het duurt weken voordat het aantal erytrocyten in de circulatie weer op peil is
■ In de tussentijd → compenserende mechanismen voor het
verminderde O2-transport
● Cardiovasculaire aanpassingen
● Verhoogde productie van erytropoëtine
● Toename van erytropoëse in het beenmerg
● Toename van 2,3-DPG in de erytrocyten
○ De Ht-waarde is geen maat voor de ernst van het bloedverlies zolang het
circulerend volume niet is aangevuld
● Onder invloed van de verlaagde O2-spanning → in de nieren wordt de afgifte van
erytropoëtine verhoogd
○ Leidt tot een verhoogde productie van erytroblasten + verhoogde proliferatie
van erytroblasten
● Microscopisch onderzoek
, ○ Eerste 4 dagen → voorlopers van erytrocyten kunnen in kleine aantallen
worden waargenomen
■ Verhoogde aanmaak van erytrocyten is niet vast te stellen
○ Na 4 dagen → aangezette erytropoëse levert nieuwe reticulocyten op
■ Verhoogde aanmaak van erytrocyten is vast te stellen
● Het verlies van andere bloedcomponenten dan plasma en erytrocyten → niet van
belang
○ Geen merkbaar effect op de homeostase
○ Aanvulling is binnen enkele dagen voltooid
Subacuut en Chronisch Bloedverlies
● Bloedverlies → ijzer gaat verloren
○ Ijzervoorraad bevindt zich voornamelijk in de erytrocyten
○ Na chronisch bloedverlies → ijzervoorraad kan zelden via de voeding op peil
worden gehouden
○ IJzergebrek verstoort de erytropoëse
● Inwendige bloedingen → er gaat geen ijzer verloren
○ Afhankelijk van de plaats van de bloeding → erytrocyten kunnen voor een
groot deel weer in de circulatie worden opgenomen en blijven functioneren
○ Als erytrocyten wel door macrofagen worden afgebroken → ijzer komt snel
weer ter beschikking
Hemolyse
● Hemolyse → als de levensduur van erytrocyten pathologisch is verkort
○ Intravasaal
○ Extravasaal (in het monocyt-fagocytair systeem = MFS)
○ Als combinatie van beide
● Als de hemolyse gering en van beperkte duur is en het beenmerg goed functioneert
→ geen ziekteverschijnselen
○ Als er genoeg ijzer is → gezond beenmerg kan de erytrocyten productie
7-10x verhogen om te compenseren
Etiologie en Pathogenese
● Belangrijkste functie van erytrocyt → transporteren van Hb
● Erytrocyten gebruiken energie voor
○ Het in bivalente vorm houden van het ijzer in het Hb-molecuul
○ Het in werking houden van de ionenpomp
○ Het in gereduceerde toestand houden van de SH-groepen van erytrocytaire
enzymen en Hb
○ Het in stand houden van de vorm van de cel
● Aftakeling van enzymsystemen bij de verouderde erytrocyt
○ Erytrocyt kan de enzymen niet vervangen door gebrek aan DNA
○ Leidt tot verlies van integriteit van de celmembraan, vormverlies en afbraak
van de cel in het MFS
● Hemolyse → ontstaat als 1 of meer van de volgende mechanismen de
cel(membraan) beschadigen