1. DE DEFINITIE: FILOSOFIE
− Wat is filosofie?:
o Filosofie: = reflectie op de vorm van het leven
▪ Bestaat uit verschillende dimensies:
• 1ste dimensie: relatie van het individu tot zichzelf
o Identiteit
o Wat jij belangrijk vindt in het leven (opvattingen) en hoe dat jou vormt
• 2 dimensie: relatie van het zelf tot de ander
de
o Hoe verschijnen anderen aan jou
o Welke eigenschappen van hen zijn voor jou betekenisvol
• 3 dimensie: relatie van jezelf tot de wereld
de
o Hoe verschijnt de wereld aan jou en hoe ervaar je die
▪ Levensvormen (bv. religieus leven) = organisch: aangeleerd als kind door ouders
▪ Reflectie wordt gekenmerkt door:
• Vormen van conceptuele articulatie: het uitdrukken van gedachten/ervaringen
d.m.v. begrippen/concepten (= iets zichtbaar maken door de gepaste concepten te
gebruiken ~ creatief proces)
• Vormen van argumentatie: argumentatie van de concepten
• Vormen van archivering en transmissie: maakt dialogen tussen filosofen en
filosofische reflectie mogelijk
− Waarom geschiedenis van de filosofie?:
o ‘Reflectie op de vorm van het leven’ is historisch bepaald/onderhevig aan historische variaties (zoals
de verschillende dimensies)
▪ Opgelet: filosofische reflecties kunnen ook invloed hebben op de geschiedenis
DEEL 1: DE KLASSIEKEN
1. RITUEEL EN WIJSHEID: MESOPOTAMIË
− Keuze om te beginnen met Mesopotamië: meestal Griekenland, maar vanaf er bronnen zijn m.b.t. het
reflecteren op het leven kan er over de geschiedenis van de wijsbegeerte gesproken worden
1.1 HISTORISCHE SITUERING
− 7000-323 v.C.:
o Surplusproductie: grotere productie van de landbouw dan de nodige
hoeveelheid
▪ Maakt een complexere arbeidsverdeling mogelijk => ontstaan
sociale orde vanuit een centrale autoriteit
▪ Ritueel bemiddeld: rituelen helpen de operatie te legitimeren
waarin het surplus door de centrale autoriteit toegeëigend
wordt in ruil voor sociale orde (infrastructuur, rechtspraak, leger,
eredienst, …)
▪ Ontstaan van het schrift en de wiskunde om aan administratieve
noden te voldoen (bv. belastingen reguleren)
1
,1.2 RITUELE PRAKTIJKEN
− ~ ruil: je offert een dier op voor een god in de hoop dat zich dat vertaalt in bv. een goede oogst (=
irrationeel: de handeling heeft niets te maken met het doel)
− = collectieve vormgeving: rituelen worden door een groep mensen georganiseerd
o Gestileerd: moet op een bepaalde manier gedaan worden
o Manier om gemeenschappelijk de aandacht te richten op bepaalde aspecten van het leven en
daarbij een gedeelde emotionele ervaring te vormen en bekrachtigen
▪ Bevestigt het belang van het onderwerp
− Gekoppeld aan mythes (verhalen over goden): = interpretatie van de ervaring:
o = taal om te spreken over het onvoorspelbare en het onbepaalde (~ verklaring)
o Het goddelijke biedt stabiele ankerpunten die de mens overstijgen
− Voorbeeld: Enûma Eliš (Babylonische oorsprongsmythe)
o Strijd tussen de goden: oppergod Marduk beslecht de strijd en wordt verantwoordelijk voor de
creatie van de natuurlijke en sociale orde (= ontstaan hiërarchie)
▪ Sticht Babylon => zorgt voor een rituele spiegeling (begin landbouwjaar valt samen met de
lente-equinox) van de sociale orde
▪ Akītu-feest: = jaarlijks feest ter legitimatie van de vorst => Enûma Eliš wordt uitgebeeld
• Er heerst wanorde => Babylonische vorst brengt orde (= vertegenwoordiger Marduk
op aarde) => behoud sociale orde
− Religie: = correct uitvoeren van rituele praktijken (= cruciaal voor de sociale orde, ≠ echt geloven in een god)
o <=> nu: geloof in een welbepaalde waarheid (enkel voor monotheïstische ‘religies van het boek’)
o = bijzondere manier om relatie van individu tot zijn eigen opvattingen vorm te geven
− Idealen van wijsheid:
o Specifiek genre van ‘wijsheidsteksten’: teksten met als onderwerp wijsheid
▪ Wijsheid: = handelen vanuit respect voor de goddelijke orde en bijhorende sociale
hiërarchieën
▪ Hoogste wijsheid (= wijsheid van de vorst): weten hoe je het samenleven moet organiseren
=> weten wat de juiste rites, straffen, beloningen,… zijn
• = resultaat van een goddelijk gift: vorst = vertegenwoordiger van God op aarde
▪ Bemiddeling via geleerden: gebruiken de macht van de taal om uitdrukking te geven aan wat
van tel is en ons te genezen van een gevoel van onmacht (= conceptuele articulatie)
o Voorbeeld: Gilgamesj (Babylonisch epos)
▪ Verhaal: arrogante koning op zoek naar onsterfelijkheid samen met zijn vriend die plots
sterft => zoekt de goden op en krijgt de kennis van de goede riten mee
▪ Zelf-transformatie: aanvaard uiteindelijk zijn sterfelijk lot
2. GRIEKS DEKEN IN BEWEGING: IONIËRS EN ITALIANEN
2.1 HISTORISCHE SITUERING
− 800-500 v.C.:
o 800 v.C.: heropleving van de samenleving na de terugkeer
van primitieve steden => zoektocht naar een nieuwe
vorm van sociale orde voor de polis/stadsstaat (en later
ook kolonies)
o Macht komt niet meer vanuit een onbetwist centrum
(vorst), maar als evenwicht tussen elites
2
, o Einde van de periode: geschreven wetten (hoe het evenwicht wordt behouden tussen de elites) =>
mogelijk dankzij een gedeeld ideaal van wijsheid: ‘de 7 wijze mannen’ (hebben de wetten
onpersoonlijk vastgelegd in Delphi)
2.2 DE GEBOORTE VAN DE NATUUR
− Arche (= oerstof/basisprincipe): datgene waar alles uit voortkomt en waarop alles terugvalt
o Conceptuele abstractie: hoe te beschrijven wat in de natuur der dingen ligt => basis voor
verklaringen
o Voorbeelden (~ 4 elementen):
▪ Thales => water (metafoor: natuurlijke veranderingen = fase-transformaties)
▪ Anaximander => het onbepaalde
▪ Anaximenes => lucht
▪ Heraclitus => vuur: ‘Alles wordt geboren door strijd’ (metafoor: de natuur verandert
constant => ‘Men kan niet tweemaal in dezelfde rivier stappen’: paradox)
• Gaat voorbij de grenzen van de alledaagse taal (conceptuele abstractie)
▪ Empedocles => wisselwerking tussen de 4 elementen
− Oorsprongsmythe (“Theogonie”, Hesodius):
o Strijd tussen goden: oppergod Zeus beslecht de strijd en wordt verantwoordelijk voor de creatie van
de natuurlijke en sociale orde (= ontstaan hiërarchie)
o <=> nieuwe sociale orde met evenwicht tussen elites (≠ onbetwist centrum van macht)
▪ Evenwichtstoestand wordt immanent tot stand gebracht (Thales):
• Vroeger (transcendent: van bovenaf):
o Goden staan buiten de wereld
o Orde en evenwicht komen van buitenaf
• Thales (immanent: van binnenin):
o Goden zitten in de dingen zelf (bv. aarde, water, …)
o Evenwicht en orde ontstaan vanuit de natuur zelf
o ‘Alles is vol van goden’: er is goddelijke aanwezigheid in alles
2.3 LOGISCHE VEREISTEN EN GODDELIJKE INSPIRATIE
− Parmenides: 2 wegen / 2 modaliteiten (van zijn)
o Weg van de waarheid: weg waar je geconfronteerd wordt met het noodzakelijke zijn => perfecte +
onveranderlijke eenheid => constante
▪ Noodzakelijke zijn: wat MOET bestaan, kan niet ‘niet’ zijn
▪ = pad van de echte kennis
▪ Alleen wat onveranderlijk en eeuwig is bestaat echt
▪ Twee vormen van kennis: ontologie (studie van wat werkelijk bestaat) en theologie
o Weg van de mening (doxa): weg waar je geconfronteerd wordt met het contingente zijn =>
voortdurend veranderlijke veelvuldigheid => variabele
▪ Contingente zijn: wat MOGELIJK is, maar niet noodzakelijk
▪ = pad van de gewone menselijke waarneming en opinie (= misleidend)
▪ Twee vormen van kennis: natuurfilosofie en fysica (= bestuderen de veranderlijke wereld:
planten, dieren, …)
o Twee wegen mogen niet met elkaar vermengd worden
− Zeno (leerling Parmenides): ‘Is het veranderlijke en veelvuldige wel rationeel te vatten?’ => onderhevig aan
tal van paradoxen
3
, o Voorbeeld: de paradox van Achilles en de schildpad (= beweging bestaat
niet)
▪ Het is onmogelijk dat Achilles in een loopwedstrijd een schildpad
inhaalt omdat ze een voorsprong heeft
▪ Conclusie: omdat het verstand zegt dat Achilles de schildpad nooit
inhaalt, maar onze ogen zeggen van wel, deugt onze waarneming van het contingente zijn
niet
− Empedocles:
o 2 werken:
▪ “Natuurfilosofie”: de 4 elementen + liefde en strijd
• = polair: liefde brengt krachten bij elkaar, strijd scheidt ze als basiskrachten
▪ “Zuiveringen”: zelf-transformatie doorheen de cyclus van reïncarnaties
▪ Er is een relatie tussen beide: wat in de natuurlijke en spirituele werkelijkheid gebeurt => de
filosoof als goddelijke figuur: iemand die je kan leren om een meer omvattend perspectief te
hebben op het leven
• ~ Parmenides: zijn leer is geopenbaard door een godin
2.4 EEN FILOSOFISCHE SEKTE
− Pythagoras:
o Er is weinig geweten over hem
o Collectieve vormgeving + centrale leermeester
o Ideeën:
▪ Er is een onsterfelijke ziel via reïncarnaties
=> vraagt om voortdurende zorg voor de ziel: nood aan
collectieve vormgeving van het leven
▪ Kosmologische speculatie, voorschriften + rites voor het leven/om de zuiverheid van de ziel
te behouden (o.a. vegetarisme, geen seks, …)
o Stelling van Pythagoras was al door de Mesopotamiërs bewezen, maar hij kende daar een bepaalde
speculatie aan toe:
▪ In alles zitten wiskundige proporties (o.a. muziek: staat dicht bij het goddelijke, > ‘muzen’):
kan ook aan de kosmos gelinkt worden
3. FILOSOFIE EN THEORIE: ATHENE
3.1 HISTORISCHE SITUERING
− 500-323 v.C.: centralisering van filosofische ideeën
o Athene als intellectuele en politieke centrum van de Griekse wereld:
▪ Grieken (= beschaafd) vs. ‘Barbaren’ (= minder rationeel): = politiek contrast
▪ Athene wordt een imperium: andere polissen moeten ‘belastingen’ betalen
o Oorzaak: dreiging van de Perzen
o Democratisch staatsbestel: alle politieke macht is in handen van iedereen die burger is
▪ Burgers (10.000) vs. niet-burgers (100.000 => vrouwen, slaven, …)
o Tragediespelen: = nieuwe culturele uitdrukkingsvorm (~ rites)
▪ = manier om collectief de aandacht/gevoelens richten naar gemeenschappelijke belangen
▪ Terugkerend thema: Hoe moet je handelen in context van instabiele traditie en onvolledige
kennis? (b.v. Oedipus)
4