H1: kinderen en jongeren met gedrags en emotionele problemen
De perceptie van gedrags en emotionele problemen wordt beïnvloed door normen, waarden en opvattingen
Deze opvattingen sturen niet alleen hoe we gedrag interpreteren maar ook hoe we erop reageren
Hoe hulpverleners hiermee omgaan wordt beïnvloed door eigen referentiekader, ervaringen en
professionele vorming
Orthopedagoog = weet dat alle probleemgerag een betekenis heeft dus je moet opzoek gaan naar de oorzaken van
probleemgedrag
OMSCHRIJVING
Gedrags en emotionele problemen = als het functioneren van een kind of jongere significant afwijkt van wat
verwacht wordt op basis van ontwikkelingsleeftijd en wanneer de verdere ontwikkeling belemmert
Veel jongeren tonen op een moment gedrag dat als moeilijk of storend ervaren wordt. Dit is sterk verbonden met de
ontwikkelingsfasen. Zo kunnen sommige impulsief reageren en anderen grenzen aftasten of in conflict gaan
Er is sprake van zorg = als gedrag afwijkt van wat ontwikkelingsmatig verwacht kan worden, wanneer het frequent en
hardnekkig voorkomt en wanneer het functioneren belemmert
- Gedrags en emotionele problemen = worden bepaald door context, interpretatie en maatschappelijke norm
Het uiten hiervan varieert per persoon maar wat ze gemeenschappelijk hebben = ze leiden tot
bezorgdheid bij opvoeders en ze zetten het functioneren van het kind en zijn omgeving onder druk
Orthopedagoog = rekening houden met frequentie, duur, context en impact. Ook labeling zorgt voor risico’s
Definitie van gedragsproblemen
Gedragsproblemen = wordt gebruikt bij kinderen en jongeren. Het verwijst naar een brede variatie aan
gedragingen
Dit kan variëren van milde uitingen (druk, prikkelbaar, opstandig) tot ernstige vormen (vijandig,
agressief, delinquent)
Orthopedagoog = weten dat gedragsprobleem geen diagnose is maar een symptoom. Je moet dus verder kijken dan
het gedrag zelf en zoeken naar achterliggende oorzaken
Gedrag in context
= Gedrag ontstaat altijd in interactie tussen kind en omgeving
Wat als problematisch wordt gezien, is niet alleen afhankelijk van het gedrag zelf maar ook van de
verwachtingen, normen en interpretaties van omgeving
BV: wat in de ene context als storend wordt ervaren, kan in een andere context als aanvaardbaar worden beschouwd
Orthopedagoog = altijd rekening houden met de bredere context waarin gedrag zich voordoet zoals gezin, school en
sociale omgeving
1
,Types probleemgedrag
= er wordt een onderscheid gemaakt tussen externaliserend en internaliserend probleemgedrag
Externaliserend probleemgedrag = het is naar buiten gericht en omvat gedragingen zoals agressie, woede
uitbarstingen, delinquent gedrag, hyperactiviteit en normoverschrijdend gedrag
Het is vaak zichtbaar + storend voor de omgeving (jongens voeren dit meestal)
Internaliserend probleemgedrag = het is naar binnen gericht en omvat angst, depressieve gevoelens,
piekeren, psychosomatische klachten (hoofdpijn, teruggetrokken gedrag
Het is minder zichtbaar en treft vooral kinderen zelf
Ze vinden het moeilijk om sociale relaties aan te gaan + trekken eerder terug (meestal meisjes)
!! weten dat meisjes en jongens beide kunnen uitvoeren en niet 1 van de 2 !!
Het continuüm van gedragsproblemen tot gedragsstoornis
= gedragsproblemen moeten eerder worden gezien als een continuüm
Continuüm = gedragsproblemen kunnen variëren in ernst, duur en impact
Het is beter om te zien als een schaal
Schaal = gedragsproblemen zijn niet altijd even ernstig en permanent
Het continuüm van gedragsproblemen = concept dat verwijst naar de graduele schaal waarop gedragsproblemen
zich kunnen manifesteren, gaande van variërend mild en contextueel gebonden tot ernstig en chronisch
De gedragsproblemen zijn dus niet zwart-wit maar eerder een spectrum dat afhankelijk is van de
ernst, frequentie en impact op de omgeving
Links liggen de lichte en tijdelijke gedragsproblemen = reacties op nieuwe situaties, fasegebonden
gedrag
Rechts liggen de ernstige en langdurige gedragsproblemen = heeft impact op het functioneren van
kind en de omgeving
Om in te schatten hoe ernstig de gedragsprobleem is, hangt van 3 factoren af:
- Ernst = hoe ingrijpend en zorgwekkend is het gedrag (agressie en hangt af van leeftijd)
- Frequentie = hoe vaak komt het gedrag voor (eenmalig is anders dan dagelijks)
- Impact = welke gevolgen heeft het gedrag voor het kind en de omgeving (gezin, vrienden, school..)
We spreken van een stoornis = als het gedrag gedurende een langere periode (minstens 6 maanden) aanwezig is en
een duidelijke beperking veroorzaakt in het functioneren
Conclusie = gedragsprobleem is geen diagnose maar een symptoom. Een symptoom dat weergeeft dat er
onderliggend een probleem is en divers van aard kan zijn. dus zoeken naar wat er achter de symptoom zit en kijken
naar de oorsprong van gedragsprobleem
2
,Definitie van gedragsstoornissen
Er is een verschil tussen gedragsproblemen en gedragsstoornissen:
“Gedragsproblemen en gedragsstoornissen liggen in elkaars verlengde. Een kind of jongere heeft een
gedragsprobleem als hij ongewenst gedrag vertoont dat vooral voor zijn omgeving storend is. Voorbeelden van
gedragsproblemen zijn driftbuien en woedeaanvallen bij jonge kinderen, agressief gedag, pesten en delinquent
gedrag. Gedragsstoornissen zijn ernstiger dan gedragsproblemen. Een kind of jongeren heeft een gedragsstoornis
wanneer hij zich aanhoudend zo negatief, opstandig, vijandig of agressief gedraagt dat zijn dagelijks functioneren
hierdoor wordt beperkt.”
- Als we over gedragsstoornissen praten = wordt de ernst van deze problemen bepaald doordat het gaat over
langdurige of blijvende problemen of over het samen voorkomen van meerdere problemen
- Gedragsstoornissen als diagnose = zijn kinderpsychiatrische stoornissen waarbij het symptoom
gedragsproblemen zijn. Deze problemen zijn van dien aard dat de stoornis gekaderd wordt binnen een
oppositioneel opstandige gedragsstoornis of de norm overschrijdende gedragsstoornis
Gedragsstoornis = Repetitief, uitdagend, antisociaal of agressief gedrag dat niet beantwoordt aan de sociale
verwachtingen voor de leeftijd, en dus niet sociaal aanvaard wordt door de omgeving en/of de maatschappij.
Omdat wij als maatschappij gestoord gedrag ongehoord vinden, leidt het tot het conflicten met de gangbare
normen en waarden
De 2 gekende gedragsstoornissen = antisociale + oppositioneel opstandige gedragsstoornis
Gedragsproblemen VS gedragsstoornissen
- Gedragsproblemen = beschrijvend en verwijzen naar gedrag dat als moeilijk of storend ervaren wordt
Ze zijn tijdelijk en contextgebonden
- Gedragsstoornissen = zijn klinische diagnoses binnen de kinder en jeugdpsychiatrie
Is een duurzaam patroon van probleemgedrag dat niet van voorbijgaande aard is + het functioneren
van het kind belemmert
Orthopedagoog = zie de gedragsproblemen altijd als een signaal. Onderzoek wat er achter het gedrag schuilt en
welke factoren bijdragen aan het ontstaan ervan
Criteria om objectief te kijken naar probleemgedrag
= er zijn een aantal criteria die helpen om gedrag te analyseren en te beoordelen. Ze zorgen dat je meer objectief
kijkt.
Er zijn 4 criteria:
1) Het ontwikkelingsperspectief
= Kinderen ontwikkelen voortdurend
- Gedrag dat op een leeftijd als normaal wordt gezien, kan op een latere leeftijd als problematisch gezien
worden
BV: het is normaal dat een peuter opstandig gedrag vertoont
- Als de kinderen ouder worden en ze her gedrag aanhouden buiten de ontwikkelingsfase dan is het een
probleemgedrag
Je moet dus kennis hebben over een normale ontwikkeling (hoe oud is het en is gedrag daarbij
passend?)
2) De continuumgedachte
3
, = Gedragsproblemen verschillen van duur en intensiteit
- Het is probleemgedrag = als gedragingen frequenter voorkomen, langer aanhouden, intenser zijn en in
meerdere situaties voordoen
3) De context
= Gedrag moet beoordeeld worden binnen context
- Als gedrag alleen voordoet in een context (alleen op school, thuis) dan is dit een contextgebonden probleem
- Als gedrag in verschillende contexten voorkomen, dan is er sprake van een breder probleem
4) De informant
= Wie signaleert het gedrag?
- Ouders, leerkrachten of andere kunnen gedrag anders interpreteren
- Opvoedingsprobleem = als de ouders het gedrag als problematisch ervaren terwijl het in andere contexten
minder zichtbaar is
EPIDEMIOLOGIE
- Gedragsproblemen komen frequent voor bij kinderen (10%)
- Er is een duidelijk verband tussen gedragsproblemen in kindertijd en jeugddelinquentie op latere leeftijd
- Meeste kinderen ontwikkelen met opgroeien van andere alternatieven voor fysieke agressie
- Ouders worden gezien als een belangrijk persoon die verandering in het gedrag van kinderen kunnen
teweegbrengen
Het onderscheid tussen vroege starters en laatbloeiers
= er wordt een onderscheid gemaakt tussen deze 2
1) Vroege starters / jonge beginners
- Hebben moeilijker temperament (komt vaak voor in gezinnen waar opvoeding niet goed loopt)
- Ze zijn minder gevoelig voor stress, schrikken minder en vervelen zich sneller
- Vaak jongens dan meisjes
- Ze vertonen op jonge leeftijd al antisociaal gedrag (blijft bij latere leeftijd)
- Hebben meer risico op school, gezondheidsproblemen, drugs…
2) Laatbloeiers
= Vertonen moeilijk gedrag tijdens puberteit
- Moeilijk gedrag is van voorbijgaande aard
- Willen grenzen verleggen, stoer doen en willen erbij horen
- Gebruiken alcohol, drugs, roken
- Hebben tijdens de kinderjaren voldoende sociaal gewenst gedrag verworven ze groeien door de moeilijke
periode en vallen terug op oude verworvenheden
Conclusie = gedragsproblemen blijven aanwezig en neemt toe in frequentie en intensiteit bij ouder
worden. Wanneer men denkt dat probleemgedragingen vanzelf zullen wegebben gebeurt frequent
het tegenovergestelde. Gedragsstoornissen worden meer grensoverschrijdend wanneer ze ouder
worden
Orthopedagoog = belangrijk om vroegtijdig te diagnosticeren en tijdig in te grijpen.
Concrete cijfers
4