Cursus: Klinische psychologie 4: De reflectieve scientist-practitioner
Jaar: 2025-2026
Instuuropdracht 2.1.3: casusverslag
Cijfer: 7.5
Feedback docent:
“Jullie laten op een duidelijke manier zien hoe de hulpvraag aansluit bij de uitgangspunten
van ACT. Omdat de focus in dit onderdeel vooral op de casus ligt, blijft het groepsproces wat
meer op de achtergrond en is er enige overlap met de daaropvolgende onderdelen.”
, Uitwerking
Deel 1- Verslaglegging overleg (496/500 woorden)
Tijdens een multidisciplinair overleg is gezamenlijk toegewerkt naar een geïntegreerd
behandelvoorstel voor een fictieve cliënt. Ter voorbereiding had de groep in kleinere teams
een casusconceptualisatie opgesteld vanuit drie behandelmodellen: Acceptance and
Commitment Therapy (ACT), cognitieve gedragstherapie (CGT) en schematherapie (ST).
Het doel van het overleg was om de verschillende theoretische invalshoeken naast elkaar te
leggen en op basis daarvan te bepalen welke behandeling het beste aansloot bij de hulpvraag
van de cliënt. De centrale wens van de cliënt was om zich minder somber te voelen, meer
motivatie te ervaren en weer plezier in het dagelijks leven te krijgen.
Uit de gezamenlijke analyse kwam naar voren dat de cliënt vooral werd belemmerd door
aanhoudende somberheid, een negatief zelfbeeld, veel piekeren en de neiging emoties uit de
weg te gaan. Daarnaast bleek dat zij weinig steun zocht bij anderen, omdat zij hen niet tot last
wilde zijn. Op basis hiervan concludeerde de groep dat de behandeling zich in de eerste plaats
zou moeten richten op het verminderen van de somberheid, het versterken van het zelfbeeld
en het beter leren herkennen, toelaten en uiten van emoties. Hoewel er ook
traumagerelateerde klachten aanwezig waren na een ingrijpende gebeurtenis, werd besloten
deze niet als primair behandeldoel te kiezen, omdat deze klachten voor de cliënt zelf minder
op de voorgrond stonden.
De cognitief-gedragstherapeutische conceptualisatie maakte inzichtelijk hoe negatieve
overtuigingen en piekerprocessen de klachten in stand hielden. Tegelijkertijd werd besproken
dat een behandeling die zich vooral richt op het uitdagen van gedachten mogelijk
onvoldoende aansloot bij de manier waarop de cliënt met haar problemen omging. Haar
neiging om gevoelens te rationaliseren en te vermijden zou hierdoor juist kunnen worden
versterkt, waardoor het risico bestaat dat zij vooral blijft analyseren zonder daadwerkelijk
contact te maken met haar emoties. Om die reden werd ACT als meest passende uitgangspunt
gekozen, omdat deze benadering zich niet richt op het veranderen van de inhoud van
gedachten, maar op het ontwikkelen van een andere relatie tot gedachten en gevoelens.
Schematherapie werd gezien als een waardevolle aanvullende benadering, maar minder
geschikt als primaire behandelvorm. De groep verwachtte dat de sterke nadruk op
vroegkinderlijke ervaringen minder goed zou aansluiten bij de huidige hulpvraag, die vooral
gericht was op het hervinden van levensplezier en het oppakken van dagelijkse activiteiten.
Bovendien waren er geen duidelijke aanwijzingen voor persoonlijkheidsproblematiek of
ernstige relationele moeilijkheden die een intensief schematherapeutisch traject noodzakelijk
maakten.
Omdat de cliënt aangaf weer meer voldoening en motivatie te willen ervaren, werd gekozen
voor een behandeling die gericht is op het vergroten van psychologische flexibiliteit. Binnen
ACT kan zij leren moeilijke emoties en gedachten toe te laten zonder deze voortdurend te
vermijden of te bestrijden. Hiermee wordt direct gewerkt aan experiëntiële vermijding, die
binnen de casus als een belangrijk instandhoudend mechanisme werd gezien. Ondanks
ingrijpende gebeurtenissen uit haar verleden biedt deze aanpak ruimte om opnieuw richting te
geven aan een leven dat aansluit bij haar persoonlijke waarden.