Feitenkennis
● De indeling van sedimenten en sedimentaire gesteenten:
Sedimentaire gesteenten worden ingedeeld op basis van hun oorsprong:
○ Klastische (of Siliciklastische) Sedimenten: Bestaan uit brokstukken
(klasten) van verweerde gesteenten.
○ Biogene Sedimenten: Ontstaan door de opeenhoping van resten van
organismen (dierlijk of plantaardig).
○ Chemische Sedimenten: Vormen door chemische neerslag uit een
oplossing (meestal water).
● De namen van de verschillende sedimenten en de overeenkomstige
sedimentaire gesteenten:
CATEGORIE SEDIMENT SEDIMENTAIR KENMERKEN
GESTEENTE
Klastisch Grind / Keien Conglomeraat Afgeronde klasten (>2 mm). Brecci
heeft hoekige klasten.
Zand Zandsteen Korrels tussen 63 µm en 2 mm. Me
>80% kwarts.
Silt Siltsteen Korrels tussen 3,9 µm en 63 µm.
Klei / Slib Kleisteen / Schalie Korrels < 3,9 µm. Schalie vertoont
duidelijke splijting.
Keileem Tilliet Versteende, ongesorteerde glaciale
afzetting.
Biogeen Kalkslib / Schelpen Kalksteen Bestaat uit calciet (CaCO₃).
Voorbeelden: Krijt, Oöliet, Fossielri
Kiezelmodder Diatomiet / Vuursteen Bestaat uit silica (SiO₂). Vuursteen
zeer hard, verkit gesteente.
Veen / Bruinkool → Hogere inkolingsgraad bij diepere
Plantenmateriaal Steenkool → begraving (meer druk/temperatuur)
Antraciet
Organisch-rijk slib Zwarte Schalie / Rijk aan organisch koolstof (Corg);
Olieschalie moedergesteente voor aardolie.
Chemisch Evaporiet (zout) Gips / Anhydriet / Ontstaan door indamping van wate
Haliet in sabkha's of zoutmeren).
Chemische kalk Travertijn / Kalktuf Neerslag uit kalkrijk (bron)water bij
ontwijking.
● De logica achter de indeling van de verschillende groepen sedimenten en
sedimentaire gesteenten:
○ De indeling is gebaseerd op het vormingsproces:
○ Klastische sedimenten hebben 4 soorten:
■ 1. Grind en blokken: Zeer grote blokken van gesteenten, enkel
bij steile gesteentenwanden. Bij de start van transgressie van
zee over land ⇒ laagjes van kleien.
■ 2. Zanden:
, ● Korrelgrootte: Gekenmerkt door korrelgrootteverdeling.
62,5µm - 2mm.
● Mineralogie: Mineralogische samenstelling hangt af van de
oorsprong en transportgeschiedenis v/d korrels. Kwarts is
meest dominant.
○ Arkosezanden: +25% veldspaat.
○ Micazanden: Rijk aan muscoviet
○ Glauconietzanden: Rijk aan groene kleimineraal
glauconiet
● Kleur: Weergave v/d mineralogische samenstelling.
○ Witte zanden: Rijk aan kwarts.
○ Groene zanden: Rijk aan glauconiet.
○ Zwarte zanden: Rijk aan organische stof of donkere
mineralen en weinig kwarts.
○ Rode zanden: Fijn verdeeld hematiet.
○ Roestbruine zanden: fijn verdeeld limoniet.
○ Blauwgrijze tinten: Gereduceerde fases van ijzer.
● Sedimentaire en bioturbate structuren:
○ Zandige afzettingen hebben, naast hun
hoofdgelaagdheid, vaak schuine laagjes binnen één
laag. Deze schuine gelaagdheid ontstaat door
kleinschalige stromingsverschillen in water of wind. De
stroming vormt kleine structuurjes op het
sedimentoppervlak die zich verplaatsen en zo schuine
laagjes opbouwen.
○ Voorbeelden:
■ Stroomribbels / ripple marks: ontstaan door
unidirectionele of bidirectionele stroming.
■ Visgraatpatronen: ontstaan bij afwisselende
stromingsrichtingen, typisch voor
getijdenstromingen.
■ Golfribbels (golfriemtes): lijken op
stroomribbels maar worden veroorzaakt door de
oscillerende beweging van golven.
○ Naast deze sedimentaire structuren komen er vaak
bioturbaties voor: sporen van organismen (zoals
wormen, garnalen of andere zeebodemdieren) die in
het sediment graven. Hierdoor kunnen oorspronkelijke
sedimentstructuren verstoord of uitgewist worden.
● Porienruimte: Kleine ruimtes tussen de korrels (porositeit).
Gevuld met vloeistof of gas en zorgen voor het maken van
reservoirgesteenten.
■ 3. Kleien:
● Vlokvorming en sedimentatie: Kleipartikels hoofdzakelijk
gevormd tijdens verwering in bodems.
○ Zoet water: Kleipartikels zinken afzonderlijk.
○ Zout water: Kleipartikels klonteren samen, zinken dus
sneller en vormen open vlokken.