Benoemde getallen = Getallen met een eenheid erbij
Context = De situatie of verhaaltje waar de som in zit
Gecijferdheid = Hoe goed iemand met getallen en rekenen om kan gaan in het dagelijks
leven
Gedachtenvol oefenen = Bewust nadenken tijdens het oefenen
Getallenlijn = Lijn waarop getallen in volgorde staan
Herhaald optellen = Steeds hetzelfde getal optellen
Heruitvinden = Zelf een oplossing bedenken in plaats van een trucje
Hoofdfasenmodel = Stappen die de kinderen doorlopen bij rekenen
Kerndoelen = Wat de kinderen moeten leren volgens school
Kralensnoer = Hulpmiddel met kralen om te rekenen
Leerlandschap = De manier waarop een klas is ingericht om te leren
Leerlijn = De opbouw van wat je leert, van makkelijk naar moeilijk
Mathematiseren= Een probleem uit het echte leven omzetten naar een som
Memoriseren= Uit je hoofd leren
Model = Een hulpmiddel om iets uit te leggen
Referentie niveau = Het niveau dat je op een bepaald moment moet halen
Rekentaal= Woorden die bij rekenen horen
Wiskunde attitude = De manier hoe je naar rekenen kijkt
Akoestisch tellen = De telrij vlot opzeggen
Contextgebonden tellen en rekenen= Rekenen met een verhaaltje
Functies van getallen = Waarvoor de getallen gebruikt worden
Getalbeeld = Hoe een getal eruit ziet in je hoofd
Getalbegrip = Begrijpen wat getallen betekenen en hoe ze werken
Getalrelaties = Verbanden tussen getallen
Getalsysteem = Hoe de getallen zijn opgebouwd
Hoeveelheidsgetal = Getal dat aangeeft hoeveel er van iets is