Modelantwoorden politieke filosofie per les
-INLEIDING-
Legende:
• (EV) = mogelijks examenvraag
• Fluo groen = belangrijke vraag
• Fluo roze = kort uitgewerkt
• Fluo blauw/vet gedrukt = belangrijke kernwoorden
• Rood = onzeker
1. Wat is politieke filosofie
- Politieke filosofie kan het best begrepen worden door af te bakenen wat het niet is,
namelijk door het te onderscheiden van drie verwante maar fundamenteel verschillende
disciplines.
- Ten eerste is politieke filosofie geen empirische, descriptieve studie van de politiek.
Dat is het domein van de politicologie en de sociale wetenschappen. Politicologen
bestuderen en verklaren de politieke realiteit zoals ze daadwerkelijk is: hoe instellingen
functioneren, hoe machtsverhoudingen in de praktijk werken, hoe het dagdagelijkse
machtsspel verloopt. Politieke filosofie houdt zich daarentegen niet bezig met het
beschrijven van hoe de politiek functioneert, maar met normatieve vragen: hoe zou de
politiek moeten functioneren, en welke principes (vrijheid, rechtvaardigheid, gelijkheid,
democratie, een neutrale overheid) moeten daarbij richtinggevend zijn?
- Ten tweede is politieke filosofie geen partijpolitiek programma. Partijpolitieke
programma's kunnen weliswaar gebruikmaken van begrippen en redeneringen die ook in
de politieke filosofie voorkomen — denk aan vrijheid, rechtvaardigheid of nationalisme
— maar de finaliteit is fundamenteel anders. Een partijprogramma is geschreven met het
oog op haalbaarheid, strategie en de concrete politieke context, met als doel macht te
verwerven en kiezers te overtuigen. De politieke filosofie daarentegen zoekt niet naar wat
electoraal haalbaar of strategisch is, maar naar wat principieel verdedigbaar of
rechtvaardig is, onafhankelijk van de vraag of dat op korte termijn populair of
uitvoerbaar is.
- Ten derde is politieke filosofie geen (geschiedenis van) ideologie. De geschiedenis van
politieke ideeën en ideologieën is, net als politicologie, eerder beschrijvend van aard: ze
brengt in kaart hoe bepaalde denkbeelden zijn ontstaan, geëvolueerd en toegepast in de
politieke geschiedenis. Politieke filosofie gaat echter niet over het beschrijven van wat
mensen ooit geloofd of beweerd hebben, maar over het kritisch onderzoeken en
beargumenteren van politieke principes zelf.
- Politieke filosofie onderscheidt zich dus door haar normatieve karakter: ze stelt vragen
naar wat rechtvaardig, vrij of legitiem is, over hoe we moeten samenleven, inclusief de
verdeling van eigendom, macht, rechten en vrijheid. Je kan haar gaan toepassen op
allerlei deeldomeinen zoals euthanasie, drugs, immigratie en basisinkomen.
1
,SKC
2. Leg uit ‘de geschiedenis is een concept van burgerschap.
- Om te begrijpen wat burgerschap vandaag betekent, moeten we teruggaan naar de
periode waarin het moderne burgerschap geboren werd. De historicus René Koekkoek
situeert deze cruciale periode rond het einde van de achttiende eeuw, met als
belangrijkste referentiepunten de Franse Revolutie, de Amerikaanse Revolutie en de
Haïtiaanse Revolutie — een periode die zich ook in de Lage Landen (Nederland en België)
liet voelen.
- Deze periode kenmerkt zich door een felle strijd om burgerschap: wie mag als burger
worden beschouwd, en welke rechten en plichten gaan daarmee gepaard? Het is in deze
periode dat burgerschap nauw verbonden raakt met twee centrale ideeën.
- Ten eerste het idee van gelijkheid en gelijkwaardigheid: het uitgangspunt dat iedereen
— onafhankelijk van stand, afkomst of positie — in principe gelijk behandeld zou moeten
worden. Dit principe werd echter meteen op de proef gesteld door de realiteit van de
koloniale samenlevingen en de slavernij. De Haïtiaanse Revolutie maakt deze spanning
heel concreet zichtbaar en toont aan dat burgerschap vanaf het begin niet
vanzelfsprekend universeel was, maar voortdurend bevochten en heronderhandeld
moest worden.
- Ten tweede raakt burgerschap verbonden met het idee van soevereiniteit, het kunnen
meebesturen van de samenleving. Burger zijn betekent dan niet enkel het hebben van
bepaalde rechten of een bepaalde status, maar ook het kunnen meebepalen van het
beleid dat de gemeenschap aangaat. Een treffend voorbeeld hiervan is de Amerikaanse
Revolutie, waar de eis om mee te kunnen beslissen over belastingen ("no taxation
without representation") precies dit verband tussen burgerschap en politieke
zeggenschap illustreert: men wilde niet alleen onderworpen zijn aan beleid, maar er ook
over kunnen meebeslissen.
- Samengevat: de geschiedenis van het concept burgerschap toont dat het moderne
burgerschap, zoals wij dat vandaag kennen, ontstaan is uit revolutionaire strijd in de late
achttiende eeuw. Burgerschap werd daarbij gekoppeld aan twee onlosmakelijke ideeën:
ten eerste het ideaal van gelijke behandeling en gelijkwaardigheid van alle mensen, en
ten tweede het idee van soevereiniteit, namelijk het recht om als burger mee inspraak te
hebben in het bestuur van de samenleving waarvan men deel uitmaakt.
3. Wat zijn de 3 centrale vragen van politieke filosofie?
- Hoe moet een staat zich gedragen?
- Welke morele principes waarborgen hoe burgers behandeld worden?
- Welke soort sociale orde wilt men naartoe streven?
- De onderliggende basis van politieke theorie houdt zich bezig met het beantwoorden van
de vraag hoe we moeten samenleven. (verdeling van macht, middelen, etc.)
4. Leg uit “politieke filosofie is een normatieve aangelegenheid.
- Wanneer we zeggen dat politieke filosofie normatief is, bedoelen we dat ze zich
bezighoudt met de vraag hoe de samenleving zou moeten zijn. Het is echter belangrijk
om dit normatieve karakter goed af te bakenen, want normativiteit kan op verschillende
niveaus en vanuit verschillende disciplines worden ingevuld.
- Politieke filosofie stelt namelijk niet de vraag wat een individu moet doen om een goed
of gelukkig leven te leiden. Die vraag behoort tot de sociale filosofie, de ethiek of de
moraalfilosofie, en vaak ook tot levensbeschouwelijke tradities. Dat zijn vragen over
persoonlijke deugd, geluk en zingeving, ingevuld vanuit een bepaalde
levensbeschouwing of ethisch standpunt. De politicus, of de overheid, moet die invulling
niet maken. De overheid mag niet voorschrijven welke conceptie van het goede leven
burgers moeten nastreven (dit is partriarchaal). Wat de overheid wél moet doen, is de
2
, SKC
mogelijkheid of de kansen bieden om geluk na te streven. Dit is the basic structure of
society, een basisstructuur waarin mensen vreedzaam kunnen samenleven. Welke
vorm die heeft, houdt de politieke filosofie zich mee bezig. Wat mag en moet de overheid
doen?
- Dit sluit aan bij het onderscheid dat bijvoorbeeld Mouffe maakt tussen twee dimensies:
- De horizontale dimensie: de verhouding tussen burgers onderling, hoe zij
ondanks verschillende waarden en overtuigingen met elkaar kunnen
samenleven.
- De verticale dimensie: de verhouding tussen overheid en burger, dus wat de
overheid van burgers mag vragen en hoe zij zich tegenover hen mag positioneren.
Daarbij is het uitgangspunt dat burgers geen onderdanen zijn van de staat, maar
burgers met rechten en aanspraken ten aanzien van diezelfde staat.
- Een concept dat hierbij aansluit is het idee van de ideal theory. Hierbij denkt men
theoretisch een conceptie van rechtvaardigheid uit: bijvoorbeeld de vraag of de
invoering van een vermogensbelasting zou leiden tot een rechtvaardigere samenleving.
Men onderzoekt dus, los van de huidige praktijk, hoe een ideale rechtvaardige
samenleving eruit zou zien als een bepaald principe consequent zou worden toegepast.
Zo'n ideale samenleving bestaat in de praktijk natuurlijk niet — geen enkele bestaande
samenleving voldoet volledig aan een ideal theory. Maar dat is ook niet het doel. De
functie van ideal theory is dat ze ons een normatieve maatstaf geeft waarmee we de
bestaande, niet-ideale toestand (de status quo) kunnen evalueren, en op basis
daarvan kunnen nadenken in welke richting die status quo zou moeten evolueren.
- De politieke filosofie houdt zich daarom bezig met twee zaken: de relatie tussen de staat
en burger en hoe de staat zich verhoudt ten opzichte van de burger enerzijds, anderzijds
houdt het zich bezig met de is/ought kloof van David Hume (zie later).
5. Hoe denkt een politieke filosoof na over ongelijkheid?
- Een politiek filosoof stelt niet als eerste de empirische vraag of ongelijkheid is
toegenomen of afgenomen. Die vraag is overigens ook niet eenduidig te beantwoorden:
binnen landen is de ongelijkheid groter geworden, terwijl ze op wereldvlak (tussen
landen) zou zijn afgenomen.
- De echte politiek-filosofische vraag is: is de bestaande ongelijkheid rechtvaardig of
onrechtvaardig? Ongelijkheid kan problematisch zijn omdat ze tot machtsconcentratie
kan leiden, bijvoorbeeld wie veel middelen heeft, krijgt ook veel politieke macht, wat de
democratie kan bedreigen (vb. VS). Stromingen zoals egalitarisme klagen dit aan. Maar
afhankelijk van de stroming, is ongelijkheid is niet per definitie onrechtvaardig (Rechts-
libertarisme). Soms is ze net "ongelijk maar fair":
- Positieve discriminatie: ongelijke behandeling die bijvoorbeeld in het voordeel
is van minderheden, die lang als rechtvaardig werd gezien, maar nu bv. in de VS
onder druk staat.
- Meritocratie: ongelijke uitkomsten worden gerechtvaardigd omdat mensen
gelijke kansen kregen; verschillen zijn dan het resultaat van inzet of talent.
- De kern: of een bepaalde ongelijkheid rechtvaardig is, hangt volledig af van welke
conceptie van rechtvaardigheid je hanteert. De vraag is dus niet feitelijk, maar
normatief.
6. Wat is Ideal theory en waarom is deze relevant?
- Ideal theory is de methode waarbij men, los van de bestaande praktijk, theoretisch
nadenkt over hoe een volkomen rechtvaardige samenleving eruit zou zien,
bijvoorbeeld: zou de invoering van een vermogensbelasting leiden tot een
rechtvaardigere samenleving? Men onderzoekt dus wat de consequente toepassing van
3