woensdag 11 maart 2026 12:45
Celcompartimentalisatie en transport
Eindproduct centrale dogmatheorie: polypeptideketen (moet nog matureren)
→ Opvouwen: secundair, tertiair,…
→ Verplaatsen naar juiste plaats in cel om functie te beoefenen
Verschillende compartimenten hebben continu nood aan eiwitten
Alle eiwitten worden gesynthetiseerd op ribosomen in cytoplasma
→ Sommigen gesecreteerd uit cel
→ Sommigen naar celkern, mitochondrion,…
Hebben een aantal aminozuren die bepalen waar ze moeten belanden = signaalsequentie
Vb. 3 of 4 lysines in sequentie: naar celkern
= nucleair localisatiesignaal
Sommigen pas signaal patch door finale opvouwing
• Sequentie voor eiwitten te targetten
• Indien sequentie weggehaald, niet naar juiste compartiment
• Niet omdat signaalsequentie aanwezig is, dat het zich daar altijd moet bevinden
MAAR eiwit heeft vervoer nodig:
1) Vorm van het transport
○ Kanaal: eiwit tussen het membraan transporteren via kanaal
○ Vesiculair transport: eiwit in vesikels getransporteerd van compartiment 1 naar 2
→ Transport op grote afstand
2) Topologische equivalentie (samenstelling van de binnenkant compartiment)
= dezelfde ruimten, indien niet hetzelfde samenstelling: inequivalente ruimten
Volledig omsloten door een membraan (RER, vesikels en GA) + membraan rond cel
→ Continuïteit aan buitenzijde cel en aan de binnenzijde van compartimenten van organellen
○ Gated transport (rood): transport doorheen porie of kanaal
tussen equivalente ruimtes
→ Tussen kern en cytoplasma
→ Nucleair transport
○ Transmembrane transport (blauw): via kanaal en tussen
niet-equivalente ruimtes
→ Cytoplasma en organel
○ Vesiculair transport (groen): transport tussen equivalente
ruimtes obv vesikels
→ Meestal naar buiten de cel
Nucleair transport
Celkern is niet hermetisch afgesloten: dubbel membraan en ondersteund door lamina, maar
onderbroken door poricomplexen (=zeer ondoorlaatbaar: fenylalanine-rijke eiwitten vormen
draadvormig cluwen)
MAAR veel grote eiwitten, dus enzymen nodig in kern:
Biomoleculen Pagina 1
, MAAR veel grote eiwitten, dus enzymen nodig in kern:
○ DNA-polymerase (DNA-replicatie)
○ RNA-polymerase (DNA kopiëren als RNA)
○ DNA herstel: verschillende enzymen
+ RNA, gecomplexeerd met eiwitten, uit de kern vervoerd = ribonucleoproteïnecomplexen
Porïen moeten selectief open: 'gated transport': selectieve poort openzetten
Eiwitten hebben signaalsequentie (NLS/ NES: lokalisatiesequentie en exportsequentie)
Transportreceptoren of dragereiwitten = karyoferines nodig
Vb exportines: export valideren en importines
Transport = actief proces, energieverslindend
→ GEEN ATP nodig, maar concentratiegradiënt
→ Gebaseerd op kleine molecule met enzymatische werking: RAN ('N' voor nucleair transport)
= moleculaire schakelaar
= GTP'ase: in staat om GTP te verbranden/hydrolyseren naar GDP + P
MAAR worden geholpen door een GAP: GTP verbranding stimuleren
RAN kan GDP niet zelf omzetten naar GTP: enzym moet GDP af RAN halen en nieuw GTP opzetten
= GEF (=guaninenucleotide exchange factor)
Om nucleair transport mogelijk te maken:
1) Transportreceptoren of karyoferine
2) Signaalsequenties
3) RAN-gradiënt
MAAR signaalsequenties kunnen worden gemaskeerd (niet omdat alles er is, in juiste compart.)
Vb. transcriptiefactor in lymfocyten: bij activatie nieuw genexpressie-programma
→ NF-AT in cytoplasma
→ Bij activatie: NF-AT richting kern (trigger: calcium-puls)
DUS de transcriptiefactor heeft een nucleaire lokalisatie- en nucleair exportsignaal
→ Kan import en export
→ Na activatie terug uit kern
Indien lymfocyt in rust: exportsignaal zichtbaar en nucleair lokalisatiesignaal niet zichtbaar
DOOR fosforylatie
→ Bij stijgen calcium: calcium-bindend eiwit op exportsite + ook in staat fosfaat te verwijderen,
Biomoleculen Pagina 2