psychologie v.d.
intelligentie
H9: Topics in intelligentieonderzoek
1: Elementaire processen
Belangrijk uitgangspunt
Vroeger keken onderzoekers naar de structuur van intelligentie:
Hoeveel dimensies zijn er?
Hoe hangen tests samen?
Dit deden ze met factoranalyse (FA)
Probleem?
Dit zegt niet of die dimensies echt bestaan in het brein
Dingen kunnen correleren zonder echte oorzaak (zoals leeftijd en kaasprijs)
Dus: structuur ≠ verklaring (oorzaak)
Nieuwe aanpak: elementaire processen
Onderzoekers gingen zich afvragen:
“Welke basisprocessen in het brein zorgen voor intelligentie?”
Idee:
Complexe taken (zoals IQ-tests) bestaan uit kleine, simpele processen
Bijvoorbeeld:
Info opslaan
Beslissingen maken
Aandacht richten
Hoe onderzoeken ze dat?
1. Neem een complexe taak (bv. IQ-test)
2. Analyseer welke basisprocessen nodig zijn
3. Meet die met simpele taakjes
4. Kijk of die samenhangen (correlatie)
Als ja: dan spelen die processen een rol in intelligentie
1.1: Cognitieve correlaten (traditie 1)
1
,Zoeken verband tussen:
Simpele taken
En intelligentiescores
Voorbeeld: algemene intelligentie
Idee:
Intellig entie = snel informatie verwerken (= “neuraal efficiëntiemodel”)
Waarom snelheid belangrijk is?
Ons brein heeft beperkingen:
Werkgeheugen is klein
Info vervaagt snel
Je kan maar beperkt dingen tegelijk
doen
Dus: sneller verwerken = minder problemen
Vergelijking: snellere computer = beter
functioneren
Hoe meten ze dat?
1: Reactietijd (RT)
Simpele taak:
Lampje gaat aan
Je moet zo snel mogelijk juiste knop indrukken
RT heeft 2 delen:
a. Beslissingstijd
Nadenken: welk lampje?
Dit is cognitief (belangrijk!)
b. Bewegingstijd
Knop indrukken
Puur motorisch (niet belangrijk voor intelligentie)
Resultaat:
Snellere beslissingstijd = vaak hogere intelligentie
Correlaties: ongeveer -0.20 tot -0.49 (negatief = sneller = beter)
2: Inspection Time (waarnemingssnelheid)
2
, Taak:
2 lijntjes kort tonen
Zeggen welke langer is
Hoe korter de tijd, hoe moeilijker
Resultaat:
Mensen verschillen in hoe snel ze dit kunnen
Correlatie met intelligentie ≈ -0.51
Conclusie:
Snelle informatieverwerking speelt een rol in intelligentie (maar verklaart niet
alles)
Voorbeeld: verbale intelligentie
= Hoe goed iemand taal begrijpt
Belangrijke processen
1. Lexicaal
Woorden herkennen (bv. is “kat” een woord?) → redelijk oppervlakkig
‘diepere’ informatieverwerking: horen ‘wild’ en ‘hert’ samen → nadenken
over betekenis
2. Syntactisch / semantisch
Zinnen begrijpen (bv. betekenis en structuur)
Hoe meten ze dat?
Lexicale beslissingstaken → woord of geen
woord?
Zin-verificatietaken → klopt de zin met een afbeelding?
Resultaat:
Correlaties rond -0.40
Dus: deze processen spelen een rol, maar niet alles
Eenvoudige samenvatting
3