Psychologie v.d.
intelligentie
H8: De structuur van intelligentie
1: Inleiding
Een belangrijke vraag binnen de psychologie is:
“Hoe zit intelligentie eigenlijk in elkaar?”
Met andere woorden: is intelligentie één algemene vaardigheid, of bestaan
er verschillende soorten intelligentie?
Eén algemene intelligentie? (Unidimensioneel)
Hierbij denkt men dat er één grote intelligentiefactor bestaat.
Dat betekent:
Mensen kunnen op één schaal geplaatst worden: minder → meer
intelligent.
Wie goed scoort op één cognitieve taak, scoort meestal ook goed op
andere taken.
Bijvoorbeeld:
Goed zijn in wiskunde → vaak ook goed in taal, geheugen, redeneren.
Intelligentie werkt dan als één algemene “mentale kracht”.
Vraag hierbij: “Als je goed bent in iets, ben je dan automatisch goed in bijna
alles?”
Meerdere soorten intelligentie? (Multidimensioneel)
Hierbij denkt men dat intelligentie uit verschillende, relatief onafhankelijke
vaardigheden bestaat.
Dat betekent:
Je kan sterk zijn in één domein, maar minder sterk in een ander.
Mensen hebben verschillende talenten.
Bijvoorbeeld:
Iemand kan goed zijn in taal, maar minder in rekenen.
Iemand kan sterk visueel denken, maar minder goed plannen.
Vraag hierbij: “Heeft iedereen verschillende sterke en zwakke kanten?”
1
, Waarom is deze vraag belangrijk?
De structuur van intelligentie heeft gevolgen voor:
Onderwijs
Heeft een leerling één algemene intelligentie?
Of heeft hij/zij specifieke talenten?
Werk
Kan iemand die goed is in één taak ook andere taken goed uitvoeren?
Beoordelen van mensen
Zijn mensen overal goed of slecht?
Of verschillen talenten per domein?
Historische start: Francis Galton
Een vroege onderzoeker was Francis Galton.
Hij dacht dat:
Intelligie één algemene eigenschap is.
Intelligie deels erfelijk is.
Verschillende mentale testen positief samenhangen.
Hij merkte dat:
Mensen die goed presteerden op één taak, vaak ook beter scoorden op
andere taken.
Dit noemt men de positive manifold: verschillende cognitieve testen
correleren positief met elkaar.
Zijn testen waren later niet altijd betrouwbaar, maar hij stelde als eerste
systematisch deze vraag.
Hoe onderzoeken psychologen dit?
2
, 1. Factoranalyse (empirische methode)
Factoranalyse is een statistische techniek die zoekt naar verborgen patronen.
Onderzoekers:
1. Geven veel cognitieve testen aan mensen
2. Bekijken hoe de scores samenhangen
3. Zoeken onderliggende factoren
Mogelijke resultaten:
Veel positieve correlaties → één factor
Groepjes van samenhangende testen → meerdere factoren
Voorbeeld:
Lengte van armen, benen en lichaam → één factor: lichaamsgrootte
Persoonlijkheid → meerdere factoren
2. Theoretische methode
Onderzoekers maken een theorie op basis van:
Bestaande studies
Eerdere kennis
Logisch nadenken over intelligentie
Dus zonder noodzakelijk zelf nieuwe data te verzamelen.
Kort samengevat
De centrale vraag is:
Bestaat intelligentie uit één algemene capaciteit of uit meerdere soorten
intelligentie?
Twee mogelijke antwoorden:
1. Eén intelligentie → mensen zijn overal ongeveer goed of slecht.
2. Meerdere intelligenties → mensen hebben verschillende talenten en
sterktes.
2: Psychometrische modellen
3
, 2.1: Spearman → Tweefactorentheorie
Charles Spearman was één van de eerste psychologen met een duidelijke theorie
over intelligentie. Hij onderzocht of verschillende mentale vaardigheden met
elkaar samenhangen.
Wie was Spearman?
Werkte eerst als officier in het Britse leger.
Behaalde later een doctoraat in psychologie.
Had een grote invloed op intelligentieonderzoek en factoranalyse (FA)
Hij deed eerst onderzoek bij een kleine groep kinderen, later bij grotere groepen.
Wat onderzocht Spearman?
Hij gaf mensen verschillende soorten testen, zoals: geheugen,
woordenschat, waarnemen van verschillen in licht of gewicht, redeneren
etc.
Hij ontdekte iets opvallends: mensen die goed scoorden op één test,
scoorden vaak ook goed op andere testen.
Dus: verschillende cognitieve vaardigheden correleren positief met elkaar.
De tweefactorentheorie
Spearman stelde dat prestaties op een test uit 2 factoren bestaan.
1. De g-factor = algemene intelligentie
De g-factor (general intelligence) is een algemene mentale capaciteit.
Volgens Spearman:
Speelt deze mee in alle cognitieve taken
Verklaart waarom testen positief samenhangen
Is een soort algemene “mentale energie”
Voorbeeld:
Als iemand goed scoort op geheugen, taal én logisch denken, komt dat deels
door dezelfde algemene intelligentie.
2. De s-factor = specifieke vaardigheid
4